RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummers: 02-077726-22 + 02-162622-23 (gev. ttz)
vonnis van de meervoudige strafkamer van 13 mei 2026
in de strafzaak tegen:
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats]
wonende op het [woonadres] .
Raadsman: mr. H.M. Dunsbergen, advocaat te Breda.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 april 2026, waarbij de officier van justitie, mr. M.S. Kikkert, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als Bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er in beide parketnummers -kort en feitelijk weergegeven- op neer dat verdachte zich, met anderen, schuldig heeft gemaakt aan strafbare voorbereidingshandelingen met het oog op onder meer de import, verkoop en het transport van cocaïne.
3. De procesafspraken
Deze strafzaak kenmerkt zich door het feit dat het Openbaar Ministerie en de verdediging zogeheten procesafspraken hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn. Deze procesafspraken hebben zij opgenomen in een overeenkomst die zij voorafgaand aan de inhoudelijke zitting hebben overgelegd aan de rechtbank. De overeenkomst is voorzien van de handtekeningen van zowel de officier van justitie (op 8 oktober 2025) als die van verdachte en zijn raadsman (op 3 oktober 2025). Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben de rechtbank daarmee een gezamenlijk voorstel gedaan over de wijze van afdoening van de zaak.
Het afdoeningsvoorstel houdt, in de kern, het volgende in:
- de verdediging zal geen (nadere) onderzoekswensen indienen en/of (inhoudelijke) verweren voeren. De reeds ingediende onderzoekswensen zullen per ommegaande, na het ondertekenen van deze overeenkomst, schriftelijk worden ingetrokken;
- verdachte erkent geen schuld. De verdachte legt geen bekennende verklaring af; doch de
verdediging en verdachte geven door ondertekening van deze procesafspraken richting rechtbank en Openbaar Ministerie aan dat de feiten en kwalificaties zoals tussen Openbaar Ministerie en verdediging vastgesteld in de Bijlage A, (juridisch gezien) bewezen kunnen worden verklaard en dat er geen inhoudelijk verweer zal worden gevoerd. Verdachte bevestigt door deze procesafspraken daarmee niet de juistheid van de door het Openbaar Ministerie in Bijlage A geschetste bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van de zijde van het Openbaar Ministerie;
- verdachte bevestigt middels ondertekening van deze overeenkomst dat al het strafvorderlijk beslag is afgehandeld;
- verdachte zal bij de gehele inhoudelijke behandeling van de zaak aanwezig zijn;
- verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken en meewerken aan de tenuitvoerlegging van de op te leggen straf;
- het Openbaar Ministerie zal ter zitting voeging van beide zaken vorderen;
- het Openbaar Ministerie zal requireren tot bewezenverklaring van alle aan verdachte tenlastegelegde feiten (conform de inhoud van Bijlage A) en tot strafoplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek;
- het Openbaar Ministerie heeft geen ontnemingsvordering tegen de verdachte aanhangig gemaakt en zal dat - indien aan de termen van de schikking wordt voldaan en de gezamenlijke procesafspraken door de rechtbank worden gevolgd - ook niet (meer) doen;
- indien de rechtbank de gemaakte procesafspraken niet mocht volgen, vervallen de afspraken en kunnen verdachte, de verdediging en het Openbaar Ministerie hier geen rechten meer aan ontlenen;
- door de verdediging en het Openbaar Ministerie wordt geen hoger beroep ingesteld indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken.
De gehele overeenkomst procesafspraken, inzake onderzoek Themistocles en onderzoek 26Chatham, is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
Beoordeling van de procesafspraken door de rechtbank De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het mogelijk is de zaak conform de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken af te doen. Bij de beoordeling zijn voor de rechtbank leidend geweest de uitgangspunten zoals verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022 (vgl. ECLI:NL:HR:2022:1252).
De rechtbank stelt vast dat verdachte bij de totstandkoming van de procesafspraken is bijgestaan door zijn raadsman. Verdachte is ook samen met zijn raadsman aanwezig geweest op het openbaar onderzoek ter terechtzitting van 30 april 2026, waar de inhoud van het afdoeningsvoorstel is besproken.
De rechtbank heeft ter zitting benadrukt dat de rechtbank geen partij is bij de (totstandkoming van de) procesafspraken en dat de rechtbank daaraan niet gebonden is. De rechtbank houdt immers een eigen verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen. Hierbij staat met name de beantwoording van de vragen conform artikel 348 en artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering centraal.
De officier van justitie, de raadsman en verdachte hebben ter zitting allen bevestigd achter het voorstel te staan. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij het voorstel met zijn raadsman heeft besproken en dat de inhoud van die afspraken duidelijk voor hem is. Verdachte begrijpt wat de consequenties zijn als de rechtbank het voorstel volgt - in het bijzonder met betrekking tot zijn verdedigingsrechten - en hij accepteert de op te leggen straf zoals deze is voorgesteld.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen doet geen afbreuk aan het aan verdachte op grond van artikel 6 EVRM toekomende recht op een eerlijk proces. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de inhoud van de procesafspraken niet bij haar oordeel te betrekken.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd overeenkomstig de procesafspraken en heeft een bewezenverklaring gevorderd van de tenlastegelegde feiten, zoals opgenomen in Bijlage A (A1 en A2) van die procesafspraken.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft -overeenkomstig de procesafspraken- geen bewijsverweren gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de bewijsmiddelen in het dossier. Als tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op dit vonnis, dat aan het verkort vonnis wordt gehecht.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
parketnummer 02-077726-22:
in de periode van 26 november 2019 tot en met 30 juni 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, van een hoeveelheid cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,
- zich en anderen inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en
- voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),
door
- een encryptische/PGP-telefoon voorhanden te hebben en
- met behulp van voornoemde encryptische/PGP-telefoon gebruik te maken van een EncroChat-account (te weten [naam] ) en
- voormannen, althans medewerkers, werkzaam bij [B.V. 1] en/of [B.V. 2] ( [B.V. 2] ) te benaderen en/of bereid te vinden om (interne) (logistieke en/of administratieve) informatie over zeetransporten aan hem, verdachte, te verstrekken, te weten
- de namen van (container)schepen en aankomsttijden van (container)schepen, geladen met zilver- en loodconcentraat welke bestemd zijn voor [B.V. 2] / [B.V. 1] en/of
- de namen van bedrijven die containers vervoeren naar [B.V. 2] / [B.V. 1] en
- afbeeldingen en omschrijvingen van Bill(s) of Lading, welke betrekking hebben op containers met loodconcentraat vervoerd vanuit Zuid-Amerika naar Antwerpen en Vlissingen ,
- afbeeldingen en omschrijvingen van containerverzegelingen en
- vervoerscertificaten, vervoersdocumenten, douanedocumenten, inlogcodes en
- stuwplannen van bulkcarriers en
- ( vervolgens) die (interne) (logistieke en/of administratieve) informatie te verstrekken en/of door te sturen en/of uit te wisselen en/of te delen aan/met andere mededader(s) (via EncroChat en/of WhatsApp) en
- ontmoetingen te regelen en/of te hebben met mededaders;
parketnummer 02-162622-23:
in de periode van 4 april 2020 tot en met 9 juni 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden
- zich en anderen gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en
- voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door
- een encryptische/PGP-telefoon voorhanden te hebben en
- met behulp van voornoemde encryptische/PGP-telefoon gebruik te maken van een
EncroChat-account (te weten [naam] ) en
- een (ex-)medewerker/stagiair van [B.V. 3] te introduceren bij zijn, verdachtes,
mededaders en
- één of meerdere ontmoetingen te regelen en/of te hebben met een of meer mededaders.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft -conform het afdoeningsvoorstel- gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft verbleven.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen inhoudelijk strafmaatverweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht aan te sluiten bij het afdoeningsvoorstel.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft, tezamen en in vereniging met anderen, voor een periode van ruim zeven maanden voorbereidingshandelingen verricht met het oog op de (verlengde) invoer van cocaïne.
De grootschalige invoer van harddrugs heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Er gaan in deze handel grote sommen geld om, waardoor de financiële belangen van daders vaak groot zijn. Om die belangen te beschermen wordt (extreem) geweld dikwijls niet geschuwd. Vrijwel alle liquidaties die in het criminele milieu worden gepleegd, zijn direct of indirect het gevolg van conflicten in de onderwereld met betrekking tot deze drugshandel. Bovendien gaat van de georganiseerde drugshandel in toenemende mate een ondermijnend en corrumperend effect uit, zoals de betrekking in dit criminele circuit van douanebeambten of havenmedewerkers, zoals ook in deze zaak gebleken is. Boven- en onderwereld raken zodoende steeds meer met elkaar vermengd. Deze vormen van corruptie tasten het onderlinge vertrouwen binnen de samenleving in hoge mate aan en ondermijnen daarmee onze democratische rechtsstaat. Voorts geldt dat een aanzienlijk deel van vermogensdelicten, zoals winkeldiefstallen en woninginbraken, terug is te leiden tot de behoefte aan drugs bij armlastige verslaafden. Kennelijk heeft verdachte zich om al deze gevolgen niet bekommerd en zich enkel laten leiden door zijn eigen (financieel) belang. Dit neemt de rechtbank verdachte kwalijk.
Gelet op de aard en ernst van deze feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij de bepaling van de duur heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die plegen te worden opgelegd in soortgelijke zaken. De rechtbank betrekt bij haar oordeelsvorming ook het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor dergelijke misdrijven met justitie in aanraking is gekomen. Hij heeft in een ver verleden echter wel driemaal een straf opgelegd gekregen voor hennepteelt. De rechtbank constateert ook dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Redelijke termijn De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6 van het EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht, waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. Het uitgangspunt is dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdediging op het procesverloop of de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De rechtbank stelt vast dat verdachte op 21 december 2020 voor het eerst als verdachte is verhoord. Hij is bij dit verhoor gewezen op zijn rechten en geconfronteerd met de verdenking die op hem rust. Mede gelet daarop kan dit verhoor worden aangemerkt als een handeling die is verricht waaraan verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem door het openbaar ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. De redelijke termijn heeft dus op die datum een aanvang genomen. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden, die maken dat niet binnen twee jaar een einduitspraak hoefde te volgen. Gelet daarop stelt de rechtbank vast dat na twee jaar, dus op 21 december 2022, de redelijke termijn is verstreken. De rechtbank zal op 13 mei 2026 uitspraak doen in deze zaak. De redelijke termijn is daardoor overschreden met meer dan drie jaar en vier maanden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding een matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.
Gevolgen procesafspraken
De rechtbank is van oordeel dat, naast de overschrijding van de redelijke termijn, ook de procesafspraken in onderhavige zaak nopen tot strafvermindering. Zij overweegt daartoe als volgt. Een matiging van de straf in dit geval is gerechtvaardigd, omdat verdachte heeft meegewerkt aan een procedure die uiteindelijk tot efficiëntere rechtspleging heeft geleid. De verdediging heeft onderzoekswensen achterwege gelaten, waardoor de rechter-commissaris geen verder onderzoek heeft hoeven te verrichten. De behandeling van de strafzaak tijdens het onderzoek ter zitting is voortvarend verlopen, nu als gevolg van de procesafspraken geen inhoudelijke verweren zijn gevoerd. Bovendien wordt door naleving van de overeenkomst een hoger beroep voorkomen. Dit levert tijdswinst op en bespaart kostbare zittingscapaciteit. Naast deze proceseconomische belangen zorgt deze procedure er ook voor dat zaken eerder onherroepelijk zijn en opgelegde straffen sneller kunnen worden geëxecuteerd. De procesafspraken doen daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.
Conclusie De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat de vrijheidsstraf die in de procesafspraken is overeengekomen onder de gegeven omstandigheden in redelijke verhouding staat tot de ernst en omvang van de feiten, alsook de rol die verdachte daarin heeft vertolkt. De overschrijding van de redelijke termijn en de positieve effecten die de procesafspraken tot gevolg hebben, zijn naar het oordeel van de rechtbank daarin voldoende verdisconteerd. De rechtbank legt dan ook aan verdachte op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die reeds in voorarrest is doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, zoals bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
parketnummer 02-077726-22 : medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door
- zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
parketnummer 02-162622-23: medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door
- zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.L. Hoekstra, voorzitter, mr. G.M.J. Kok en mr. M.H.M. Collombon, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.C. Admiraal, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 13 mei 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
9. Bijlage I
De tenlastelegging
parketnummer 02-077726-22:
hij in of omstreeks de periode van 26 november 2019 tot en met 30 juni 2020, te
[plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] en/of [plaats 4] , althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de
Opiumwet, te weten
het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, telen,
bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen van een of meer onbekend gebleven hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, in elk
geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te
doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn
en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen
van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),
door
- een encryptische/PGP-telefoon voorhanden te hebben en/of
- met behulp van voornoemde encryptische/PGP-telefoon gebruik te maken van
een EncroChat-account (te weten [naam] ) en/of
- een of meer voorman(nen), althans medewerker(s), werkzaam bij [B.V. 1]
en/of [B.V. 2] ( [B.V. 2] ), althans bij
, te benaderen en/of bereid te vinden om (interne) (logistieke en/of administratieve) informatie over zeetransporten aan hem, verdachte, te
verstrekken, te weten
- de namen van (container)schepen en/of aankomsttijden van (container)schepen,
geladen met zilver- en/of loodconcentraat welke bestemd zijn voor [B.V. 2] / [B.V. 1]
en/of
- de namen van bedrijven die containers vervoeren naar [B.V. 2] / [B.V. 1] en/of
- afbeeldingen en/of omschrijvingen van Bill(s) of Lading, welke betrekking hebben op containers met loodconcentraat vervoerd vanuit Zuid-Amerika naar Antwerpen
en/of Vlissingen,
- afbeeldingen en/of omschrijvingen van containerverzegelingen en/of
- vervoerscertificaten, vervoersdocumenten, douanedocumenten, inlogcodes en/of
- stuwplannen van bulkcarriers
en/of
- ( vervolgens) die (interne) (logistieke en/of administratieve) informatie te
verstrekken en/of door te sturen en/of uit te wisselen en/of te delen aan/met een of
meer (andere) mededader(s) (via EncroChat en/of WhatsApp) en/of
- een of meerdere ontmoeting(en) te regelen en/of te hebben met een of meer
mededader(s);
(art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 2 alinea Opiumwet,
art 10a lid 1 ahf/sub 3 alinea Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van
Strafrecht)
parketnummer 02-162622-23:
hij in of omstreeks de periode van 4 april 2020 tot en met 9 juni 2020 te [plaats 1] ,
[plaats 2] , [plaats 3] en/of [plaats 4] , althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de
Opiumwet,
te weten het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland
brengen, telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken,
vervoeren en/of vervaardigen van een of meer onbekend gebleven
hoeveelhe(i)d(en) cocaïne,
in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
voor te bereiden en/of te bevorderen,
-een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te
doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn
en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
-zich en/of (een) ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen
van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of
-voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te
vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),
door
- een encryptische/PGP-telefoon voorhanden te hebben en/of
- met behulp van voornoemde encryptische/PGP-telefoon gebruik te maken van
een EncroChat-account (te weten [naam] ) en/of
- ( interne) havengerelateerde-informatie te verstrekken en/of door te sturen en/of
uit te wisselen en/of te delen aan/met een of meer (andere) mededader(s) /
EncroChat-gebruiker(s), te weten
informatie en/of afbeeldingen over/van (fruit)ladingen afkomstig uit Zuid-Amerika,
aankomsttijden van schepen met ladingen, coderingen van containers, gatepins,
bills of lading, vrachtbrieven, baknummers, containernummers, serienummers,
outtake orders, containerzegels en/of werkschema’s van personeel en/of
- een (ex-)medewerker/stagiair van [B.V. 3] te introduceren bij zijn,
verdachtes, mededader(s) en/of
- een of meerdere ontmoeting(en) te regelen en/of te hebben met een of meer
mededader(s);
(art 10 lid 4 Opiumwet, art 10 lid 5 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 3 alinea
Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)