RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de Dienst Toeslagen.
Samenvatting
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4255 KINDER
(gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer),
en
1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke toekenning van de aanvraag van eiser om compensatie voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2012 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser is het niet eens met de hoogte van de toekenning voor het toeslagjaar 2012. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag voor het jaar 2012.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet juist is gemotiveerd, maar dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand kunnen blijven. Dit betekent dat eiser gedeeltelijk gelijk krijgt en het beroep dus gegrond is, maar dat er naar de inhoud kijkend niets verandert. Hij krijgt wel een vergoeding voor zijn proceskosten en het griffierecht. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft in 2009 kinderopvangtoeslag aangevraagd en ontvangen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft over de jaren 2009 tot en met 2012 kinderopvangtoeslag toegekend.
Eiser heeft zich gemeld voor herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.
Bij besluit van 23 juni 2021 heeft de Belastingdienst/Toeslagen aan eiser een bedrag van € 30.000,- toegekend op basis van de Catshuisregeling.
Met het besluit van 21 december 2022 (kenmerk UHT-DCH, primair besluit) heeft de Dienst Toeslagen aan eiser medegedeeld dat hij over de toeslagjaren 2009 tot en met maart 2012 recht heeft op compensatie tot een bedrag van € 87.133,- vanwege vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Met het bestreden besluit van 16 juli 2025 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard en wel in die zin dat eiser over de jaren 2009 tot en met 2011 recht heeft op meer rentevergoeding, immateriële en aanvullende schadevergoeding (1%). Uit de berekening volgt een totaalbedrag aan vergoedingen van € 95.028,-, waardoor eiser een nabetaling van € 7.895,- ontvangt. De overige bezwaren van eiser tegen het primaire besluit zijn ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en mr. [gemachtigde] namens de Dienst Toeslagen.
Wettelijk kader
3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak en maakt hiervan onderdeel uit.
Standpunt van eiser
4. Eiser voert in beroep aan dat het bestreden besluit is gebaseerd op een feitelijke onjuistheid. De Dienst Toeslagen gaat er ten onrechte vanuit dat in het toeslagjaar 2012 alleen in de maanden januari tot en met maart gebruik is gemaakt van kinderopvang en verwijst daartoe naar een verklaring van eiser in een oudergesprek met de persoonlijk zaakbehandelaar. Eiser is van mening dat die informatie niet klopt en dat hij het gehele jaar 2012 gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. De Dienst Toeslagen heeft het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel geschonden door het bestreden besluit uitsluitend te baseren op eisers verklaring en geen nader onderzoek te doen bij de instelling of contracten te raadplegen.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding voor materiële en immateriële schade. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wht volgt dat de Dienst Toeslagen compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem in de periode vóór 23 oktober 2019 bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem vóór 23 oktober 2019 werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen, dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiser daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de institutionele vooringenomenheid of van de hardheid bij de Dienst Toeslagen die heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening.
De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. Van een ernstige onregelmatigheid is in ieder geval sprake als uit het dossier blijkt dat er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond.
Heeft eiser recht op compensatie over het gehele toeslagjaar 2012?
Partijen zijn het erover eens dat de Dienst Toeslagen terecht aan eiser compensatie heeft toegekend over de maanden januari tot en met maart 2012 vanwege vooringenomen handelen, omdat in februari 2012 de kinderopvangtoeslag intern is stopgezet door de Belastingdienst/Toeslagen en de toeslag is verlaagd naar nihil.
Zij verschillen van mening over het recht op compensatie over de maanden april tot en met december 2012. De Dienst Toeslagen heeft eiser tegengeworpen dat hij over die maanden evident geen recht heeft op compensatie op grond van artikel 2.1, tweede lid, van de Wht, omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat in die maanden gebruik is gemaakt van kinderopvang.
Gelet op de toelichting bij artikel 2.1, tweede lid, van de Wht, ligt de grens voor evident geen recht op kinderopvangtoeslag in het betreffende toeslagjaar hoger dan het door eiser niet aannemelijk maken van genoten opvang. Er moet namelijk sprake zijn van een ernstige onregelmatigheid die aan de aanvrager van kinderopvangtoeslag toerekenbaar is. Daarvan is onder andere sprake als uit het dossier blijkt dat het kind waarvoor kinderopvangtoeslag is aangevraagd niet bestaat, ouder is dan de geldende leeftijdsgrens, of in het geheel geen opvang is genoten. Ook worden voorbeelden genoemd als op elkaars kinderen passen zonder dat een ander dienstverband bestaat of het aantreffen van vervalste facturen en betaalbewijzen.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van de stukken in het dossier niet kan worden vastgesteld dat over de maanden april tot en met december 2012 overduidelijk (evident) geen recht bestond op kinderopvangtoeslag vanwege een ernstige onregelmatigheid die te wijten is aan eiser. De Dienst Toeslagen heeft dus ten onrechte artikel 2.1, tweede lid, van de Wht ten grondslag gelegd aan de afwijzing van het verzoek om compensatie over de maanden april tot en met december 2012. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren vanwege een motiveringsgebrek en het bestreden besluit voor zover dit ziet op de afwijzing van compensatie over de maanden april tot en met december 2012 vernietigen. De rechtbank zal hierna beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.
Vervolgens overweegt de rechtbank dat de Dienst Toeslagen eiser op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, terecht feitelijk heeft verweten dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij kinderopvang heeft genoten over de maanden april tot en met december 2012. Vast staat dat partijen verschillen van mening over de inhoud van het gespreksverslag van de persoonlijk zaakbehandelaar. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit verslag in dit geval buiten beschouwing blijven. Het is namelijk aan eiser als aanvrager van compensatie om een begin van aannemelijkheid van genoten opvang of van betaling van opvang aan te voeren. Hij heeft dat nagelaten. De enkele stelling dat wel het gehele jaar opvang is genoten, is zonder enige onderbouwing, onvoldoende. De Dienst Toeslagen heeft zelf ook geen enkel aanknopingspunt kunnen vinden, waaruit blijkt dat wel opvang is genoten in de in geschil zijnde maanden.
Uit het voorgaande volgt dat niet aannemelijk is gemaakt noch geworden dat eiser kinderopvang heeft genoten in de maanden april tot en met december 2012. Dit betekent dat de Dienst Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen recht heeft op compensatie over de maanden april tot en met december 2012 op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. De rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit worden daarom in stand gelaten.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond, omdat de Dienst Toeslagen een onjuist wetsartikel ten grondslag heeft gelegd aan de afwijzing van compensatie over de maanden april tot en met december 2012 in het bestreden besluit. De rechtbank vernietigt daarom dat deel van het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek. De rechtbank laat vervolgens met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit betekent dat er inhoudelijk niets verandert.
Omdat het beroep gegrond is, bestaat er aanleiding om de Dienst Toeslagen te veroordelen in de proceskosten van eiser. Ook moet de Dienst Toeslagen het griffierecht aan eiser vergoeden.
De proceskostenvergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde wordt een vast bedrag per proceshandeling vergoed. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,00. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover dit ziet op de afwijzing van het verzoek om
compensatie over de maanden april tot en met december 2012;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand
blijven;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
- bepaalt dat de Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 13 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 2.1
1. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:
a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of
b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
2. De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn.
(…)