beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/422252 / FA RK 24-280
datum uitspraak: 13 april 2026
beschikking betreffende wijziging zorgregeling
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.L.I. de Vleesschauwer te Terneuzen,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: voorheen mr. F. Heidinga te Hilversum (onttrokken), thans: geen.
betreffende de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2015,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-west-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1. Het procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
het op 6 mei 2024 ingekomen verzoekschrift tot wijziging zorgregeling, met bijlagen;
het rapport van de Raad van 5 juni 2025, ontvangen op 5 juni 2025;
het op 24 juli 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Heidinga;
het op 7 augustus 2025 ontvangen F9-formulier van mr. De Vleesschauwer;
het rapport van de Raad van 24 oktober 2025 betreffende de uitkomst van het extra onderzoek, binnengekomen op 24 oktober 2025;
het op 9 maart 2026 ontvangen F9-formulier van mr. De Vleesschauwer.
Het verzoek is mondeling behandeld op 16 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en de man. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.
De minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. [minderjarige] heeft naar aanleiding hiervan een brief geschreven en heeft op 13 maart 2026 een gesprek gehad met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechter kort samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind geboren:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2015.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.
De minderjarige verblijft bij de vrouw.
Bij beschikking van deze rechtbank van 26 april 2019 is - voor zover hier van belang - onder wijziging van een eerder door de rechtbank Midden Nederland op 22 december 2016 vastgestelde zorgregeling bepaald dat er contact zal zijn tussen de man en minderjarige [minderjarige] :
- iedere twee weken van zaterdagochtend tot zondagavond, waarbij de vrouw [minderjarige] op zaterdag naar [plaats 1] brengt en [minderjarige] daar om 10.00 uur door de man wordt opgehaald. Op zondag zal de vrouw [minderjarige] om 17.00 uur ophalen in [plaats 2] ;
- de helft van de schoolvakanties, door partijen in overleg te bepalen, waarbij eenzelfde haal- en brengregeling geldt.
Uit het vonnis in kort geding van 15 maart 2024 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank volgt - voor zover hier van belang - dat partijen tijdens de mondelinge behandeling overeenstemming hebben bereikt en zijn overeengekomen dat de relatie tussen de ouders hersteld dient te worden, maar ook dat er zo snel mogelijk contactherstel dient plaats te vinden tussen de man en [minderjarige] , waardoor de zorgregeling uiteindelijk kan worden hervat. Partijen hebben de volgende afspraken gemaakt:
- ouders wenden zich tot de gemeente [plaats 3] voor hulpverlening om de problemen tussen hen op te lossen;
- de vrouw voorziet de man iedere eerste dag van de maand van informatie omtrent [minderjarige] per e-mail, zodat hij op de hoogte is van wat er in haar leven speelt;
- op 9 maart 2024 komt de man (zonder [halfzus minderjarige] ) een dag naar de vrouw en [minderjarige] in [plaats 3] ;
- op 23 maart 2024 komen de vrouw en [minderjarige] een dag naar de woning van de man en [halfzus minderjarige] in [woonplaats] ;
- op 6 april 2024 brengt de vrouw [minderjarige] naar de man. [minderjarige] overnacht van 6 op 7 april bij de man en [halfzus minderjarige] . De vrouw blijft (zonder dat [minderjarige] dit weet) in de buurt overnachten;
- vanaf 20 april wordt de vastgestelde zorgregeling weer uitgevoerd.
Bij beschikking van deze rechtbank van 18 juni 2024 is bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist, bepaald dat er tussen de man en de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2025, een voorlopige zorgregeling met opbouw zal gelden, waarbij partijen zijn overeengekomen dat op 15 juni 2024 de man (met [halfzus minderjarige] ) een dag naar de vrouw en [minderjarige] in [plaats 3] komt en dat op 29 juni 2024 de vrouw met [minderjarige] een dag naar de woning van de man en [halfzus minderjarige] in [woonplaats] komt. Hierna wordt de vastgestelde zorgregeling weer uitgevoerd. Daarnaast is de Raad verzocht om ten behoeve van de (thans onderhavige) bodemprocedure te onderzoeken welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen het meest tegemoet komt aan de belangen van [minderjarige] .
3. Het verzoek
De vrouw heeft haar verzoek tijdens de procedure gewijzigd. Zij verzoekt nu:
- de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg d.d. 26 april 2019 te wijzigen ten aanzien van de zorg- en opvoedingstaken en te bepalen dat [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2015 te [geboorteplaats] , één zaterdag per vier weken van 10:00 uur tot 17:00 uur omgang heeft met de man, althans een regeling die de rechtbank meent te moeten vaststellen.
De man heeft mondeling verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan.
4. De beoordeling
Het juridisch kader
Op het onderhavige geschil zijn de artikelen 1:253a juncto 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van toepassing. Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen indien de omstandigheden nadien zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank dient ingevolge artikel 1:253a BW een zodanige beslissing te nemen als haar in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Alvorens te beslissen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a, vijfde lid, BW, een vergelijk tussen beide ouders te beproeven.
Ontvankelijkheid
Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, neemt de rechtbank als onweersproken aan dat de bij beschikking van deze rechtbank van 26 april 2019 vastgestelde zorgregeling op dit moment niet wordt nageleefd en dat [minderjarige] en de man elkaar, na meerdere incidenten, sinds de zomer van 2025 niet meer hebben gezien. Er is in die zin sprake van een wijziging van omstandigheden op grond waarvan de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek.
Standpunten partijen
De vrouw verzoekt de zorgregeling die is vastgesteld bij beschikking van 26 april 2019 te wijzigen. Ter onderbouwing is door en namens de vrouw – kort samengevat – aangevoerd dat de vrouw al jaren ernstige zorgen heeft over het welzijn en de veiligheid van [minderjarige] wanneer zij bij de man verblijft. Er hebben zich verschillende incidenten voorgedaan in de situatie van de man die maken dat [minderjarige] niet veilig is bij de man, aldus de vrouw. Daarnaast maakt de vrouw zich zorgen over de weerstand die [minderjarige] voelt tegen de man en de teleurstelling die [minderjarige] ervaart doordat de man gemaakte afspraken regelmatig niet nakomt, te laat komt of niet komt opdagen. De vrouw vindt het desondanks in het belang van [minderjarige] dat zij op een structurele wijze contact kan hebben met haar vader. Zij heeft dit contact ook altijd gestimuleerd. Gelet op de huidige situatie vindt de vrouw het daarom in het belang van [minderjarige] dat er een minimale zorgregeling tussen [minderjarige] en de man wordt vastgesteld, die door de man ook daadwerkelijk wordt nagekomen op een voor [minderjarige] veilige manier, en als dat goed loopt eventueel op termijn kan worden uitgebreid.
De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw. De man heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aangegeven dat hij [minderjarige] al een lange tijd niet heeft gezien. Dit komt niet doordat hij de afspraken rondom de zorgregeling niet nakomt, maar doordat de vrouw de regeling eenzijdig heeft stopgezet. De man is meerdere keren naar [plaats 3] gereden om [minderjarige] te bezoeken, maar heeft [minderjarige] toen niet gezien omdat dat van de vrouw niet meer mocht nadat hij te laat was. De man wordt ook niet betrokken in het leven van [minderjarige] en heeft het idee dat de vrouw negatief over hem praat tegen [minderjarige] . De man herkent zich niet in de zorgen die worden geuit en geeft aan dat [minderjarige] onder invloed van de vrouw een gekleurd beeld schetst. De man vermoedt dat de negatieve verhalen van de vrouw over hem en het stilleggen van de omgang schade hebben opgeleverd aan de loyaliteit van [minderjarige] . Een zorgregeling waarbij de man naar [plaats 3] dient te komen acht de man niet haalbaar gelet op zijn financiële situatie. De man heeft het druk met werk, maar verdient niet heel goed. Ook heeft hij adhd en artrose. Hij heeft inmiddels wel weer zijn rijbewijs terug. Hij zou willen dat [minderjarige] om het weekend een dag of een weekend in de maand naar [woonplaats] komt. De man wil ook dat [minderjarige] opnieuw onder toezicht wordt gesteld van een gecertificeerde instelling, zodat hij een aanspreekpunt heeft en er een stok achter de deur is voor wat betreft de omgang. Dit heeft er eerder namelijk voor gezorgd dat er wel op structurele wijze omgang plaatsvond tussen de man en [minderjarige] .
Het advies van de Raad
Bij beschikking van 18 juni 2024 inzake de provisionele voorziening is aan de Raad verzocht te onderzoeken welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen het meest tegemoet komt aan de belangen van [minderjarige] . De Raad heeft hier op 5 juni 2025 een advies over uitgebracht. De Raad heeft kort hierna een aanvullend onderzoek verricht, omdat er nieuwe ontwikkelingen waren sinds het rapport van 5 juni 2025. Tijdens de zomervakantie heeft er namelijk een incident plaatsgevonden op het vakantieadres van de man in Spanje waar [minderjarige] op dat moment verbleef. Uit het aanvullend onderzoek van oktober 2025 komt naar voren dat partijen tot op heden nog geen poging hebben gedaan om passende hulpverlening in te zetten. De Raad vindt dit zorgelijk, aangezien de contactmomenten tussen [minderjarige] en haar vader steeds leiden tot negatieve ervaringen voor [minderjarige] . De Raad vindt het voor [minderjarige] belangrijk dat ze weet waar ze van op aan kan en dat de vader aan de slag gaat met zijn emotieregulatie. De huidige situatie heeft invloed op het welzijn van [minderjarige] . Het lijkt er nu op dat zij de strijd tussen haar ouders beu is en de weg van de minste weerstand kiest. Dat haar ouders niet communiceren veroorzaakt veel onrust voor [minderjarige] . Het is echt nodig dat de ouders hiermee aan de slag gaan. Hoewel beide ouders aangeven open te staan voor ondersteuning en toezeggen dit te gaan regelen, constateert de Raad dat de benodigde hulpverlening nog steeds niet van de grond is gekomen. De Raad gunt het de ouders om in het vrijwillig kader met het hulpverleningstraject te starten en wil ze die kans nog geven, maar wil dan zekerheid dat de ouders het traject ook daadwerkelijk zullen starten. Als het de ouders niet lukt om dit te organiseren, zal de Raad overwegen om een beschermingsonderzoek op te starten.
Mening minderjarige
[minderjarige] heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat zij het liefst niet meer naar haar vader in [woonplaats] wil gaan. Haar vader wordt vaak boos en daardoor voelt [minderjarige] zich niet veilig bij hem. [minderjarige] heeft diverse situaties geschetst waarbij haar vader agressief gedrag heeft laten zien, zoals op vakantie in Spanje toen hij de inmiddels ex-partner van de tante van [minderjarige] een bloedneus heeft geslagen. Ook heeft [minderjarige] gezien dat haar vader [halfzus minderjarige] heeft geslagen. Zij is bang dat hij haar ook gaat slaan als zij ouder wordt. [minderjarige] is ook bang om bij haar vader in de auto te zitten, omdat hij regelmatig agressief wordt als hij auto rijdt. [minderjarige] zou wel graag contact willen hebben met haar vader. Zij wil het liefst dat hij naar [plaats 3] komt om leuke dingen met haar te doen. Ook zou [minderjarige] met haar vader willen videobellen, maar wel op een vaste dag en tijdstip zodat zij weet dat hij beschikbaar voor haar is. [minderjarige] heeft op dit moment geen fysiek contact met haar halfzus [halfzus minderjarige] en vindt dit erg jammer. Zij mist [halfzus minderjarige] .
Inhoudelijke beoordeling rechtbank
Het geschil tussen partijen met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is tijdens de zitting uitvoerig besproken. Gebleken is dat partijen het niet eens kunnen worden over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Uit het vonnis in kort geding van 15 maart 2024 volgt dat partijen destijds meerdere afspraken hebben gemaakt. Een daarvan is dat zij zich zouden wenden tot de gemeente [plaats 3] voor hupverlening. De rechtbank stelt vast dat deze hulpverlening, ook nadat de Raad meermaals heeft geadviseerd hulpverlening vanuit de gemeente [plaats 3] in te zetten, nog steeds niet van de grond is gekomen. De vrouw heeft tijdens de zitting aangegeven dat [organisatie] is benaderd, maar nog niet is gestart omdat [organisatie] de uitspraak van de rechtbank in het kader van deze procedure wil afwachten. De rechtbank vindt dit bijzonder nu er al diverse procedures zijn gevoerd waarin meermaals afspraken over de verdeling van zorg- en opvoedingstaken zijn gemaakt en hier ook beslissingen over zijn genomen. Wat daar ook van zij, de rechtbank acht het met de Raad van belang dat [organisatie] zo spoedig mogelijk alsnog start zodat partijen en [minderjarige] passende ondersteuning krijgen. De rechtbank acht het namelijk in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat partijen er zo spoedig mogelijk mee aan de slag gaan om onder deskundige begeleiding hun onderlinge verstandhouding en communicatie verbeteren en zij het vertrouwen in elkaar te herstellen. Partijen hebben tijdens de zitting allebei aangegeven dat zij bereid zijn om deze hulpverlening aan te gaan. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat zij zich hier de komende tijd volledig voor gaan en ook voor blijven inzetten.
Het is de rechtbank verder gebleken dat de thans geldende zorgregeling waarbij [minderjarige] iedere twee weken van zaterdagochtend tot zondagavond naar de man in [woonplaats] gaat structureel niet van de grond komt. Partijen geven elkaar hier over en weer de schuld van, maar vast staat dat er inmiddels al lange tijd in het geheel geen contact is geweest tussen [minderjarige] en de man. De rechtbank vindt dit niet in het belang van [minderjarige] . De rechtbank acht het, met de Raad, in het belang van [minderjarige] dat zij contact heeft met haar beide ouders, en dus ook met de man, maar vindt dat (het gevoel van) veiligheid van [minderjarige] daarbij wel geborgd moet zijn. Hierin hebben beide ouders een taak. Daarnaast vindt de rechtbank het van belang dat afspraken en beslissingen over het contact strikt worden nageleefd, zodat [minderjarige] weet waar zij aan toe is en niet steeds wordt teleurgesteld of wordt belast met de problemen die de ouders rondom het contact tussen [minderjarige] en haar vader en hun onderlinge contact ervaren. Partijen blijken veel (communicatie)problemen te ervaren rondom de huidige regeling. Het halen en brengen loopt niet goed en [minderjarige] voelt zich door de verschillende incidenten, waar partijen een andere visie op hebben, onveilig bij haar vader thuis. De rechtbank is daarom van oordeel dat de geldende zorgregeling (waar thans geen uitvoering aan wordt gegeven) moet worden gewijzigd in die zin dat er, zolang de communicatie tussen partijen nog niet goed loopt, een voor partijen beter haalbare minimale zorgregeling wordt vastgelegd tussen de man en [minderjarige] , die voortaan strikt wordt nageleefd door beide partijen, zodat [minderjarige] weet waar zij aan toe is. Daarbij overweegt de rechtbank dat er op die manier hopelijk snel weer structureel positieve contacten tussen de man en [minderjarige] van de grond komen, waardoor [minderjarige] haar vertrouwen in de man kan herstellen. Het is dan uiteraard aan de man om te laten zien dat hij er echt voor [minderjarige] wil zijn, op tijd komt, de veiligheid van [minderjarige] borgt, en ervoor zorgt dat deze contacten positief en zonder nieuwe incidenten verlopen. De rechtbank zal deze minimale zorgregeling nu definitief vaststellen, zodat beide partijen zich hier actief voor gaan en blijven inzetten en zij niet langer in de ‘wachtstand’ blijven staan als gevolg van de verschillende procedures en communicatieproblemen tussen hen. De rechtbank acht het bovendien in het belang van [minderjarige] dat er nu een defintieve zorgregeling wordt vastgesteld, zodat hier duidelijkheid over komt en deze procedure partijen niet langer boven het hoofd blijft hangen. Daarbij overweegt de rechtbank dat zij het in het belang van [minderjarige] acht dat de eerstvolgende contactmomenten tussen [minderjarige] en de man, vanwege de ervaringen van [minderjarige] tijdens de laatste contacten met haar vader in eerste instantie voornamelijk plaatsvinden in een voor [minderjarige] veilige en voorspelbare omgeving en dus in [plaats 3] , zodat van daaruit haar vertrouwen verder kan worden opgebouwdDe rechtbank kan zich voorstellen dat het voor de man lastig is om van [woonplaats] naar [plaats 3] te moeten rijden, maar de man zal hierin zijn verantwoordelijkheid moeten nemen richting [minderjarige] .
Naast het contactmoment in [plaats 3] dient er ook een wekelijks videobelmoment te worden ingelast tussen [minderjarige] en de man. Zowel partijen als [minderjarige] staan hiervoor open. Bij het plannen van de desbetreffende dag dient door partijen rekening gehouden te worden met de voetbaltraining/andere hobby’s van [minderjarige] . De rechtbank acht het hierbij van belang dat het videobelmoment wordt gereguleerd zodat het wordt nagekomen en [minderjarige] hier ook van op aan kan.
Wanneer voornoemde zorgregeling de komende zes maanden achtereenvolgend goed verloopt en door beide partijen strikt wordt nageleefd, dient deze te worden uitgebreid met een ander contactmoment in de maand, in het weekend, namelijk op zondag, in [woonplaats] . De vrouw zal dan zorg moeten dragen voor het vervoer van [minderjarige] van en naar [woonplaats] voor het contact met de man.
De rechtbank zal, alles in overweging nemende, de volgende definitieve regeling vaststellen, waarbij [minderjarige] :
een keer in de maand van zaterdag 10:00 uur tot 17:00 uur contact heeft met de man, waarbij de man, zo mogelijk met [halfzus minderjarige] , naar [plaats 3] komt en hij aldaar tijd met [minderjarige] zal doorbrengen, waarbij de man [minderjarige] ophaalt en terugbrengt;
een keer per week een videobelmoment op een door de ouders in onderling overleg te bepalen doordeweekse dag om 19:00 uur;
als bovenstaande regeling de komende zes maanden achtereenvolgend goed verloopt, wordt het contact tussen [minderjarige] en de man uitgebreid met een ander contactmoment in de maand, in het weekend, te weten op zondag van 10:00 uur tot 17:00 uur in [woonplaats] , waarbij [minderjarige] dan ook contact kan hebben met [halfzus minderjarige] en waarbij de vrouw [minderjarige] brengt en haalt.
Het staat partijen uiteraard vrij om, zo nodig met behulp van de in te zetten hulpverlening, nadere afspraken te maken.
Tijdens de zitting hebben partijen afspraken gemaakt over de in te zetten hulpverlening, de voortgang daarvan en de in te zetten hulp voor de man en voor [minderjarige] , te weten:
partijen nemen direct na de zitting contact op met [organisatie] voor de inzet van ouderschapsbemiddeling;
partijen sturen een bevestiging naar mevrouw [raadsonderzoeker] , raadsonderzoeker, dat het traject bij [organisatie] zal starten en koppelen uiterlijk op 1 mei 2026 de stand van zaken met betrekking tot het hulpverleningstraject terug aan de Raad. Indien er naar het oordeel van de Raad onvoldoende is gebeurd, zal de Raad overwegen om een onderzoek te doen naar een kinderbeschermingsmaatregel;
de vrouw zal praktijk [praktijk] benaderen om de psychologische hulpverlening die [minderjarige] daar had weer op te starten voor [minderjarige] ;
de man wendt zich tot de huisarts voor de inzet van hulpverlening op het gebied van zijn emotieregulatie.
De rechtbank gaat ervan uit dat beide partijen zich aan deze afspraken zullen houden.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
Brief aan [minderjarige]
In het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] aangegeven dat zij graag zelf door de kinderrechter wordt geïnformeerd over de beslissing. De kinderrechter zal [minderjarige] daartoe de volgende brief sturen.
Beste [minderjarige] ,
Op 13 maart 2026 heb ik met jou een gesprek gehad op de rechtbank in Middelburg. Ik vind het knap dat jij dit gesprek met mij hebt gevoerd. Ik kan mij voorstellen dat dat niet makkelijk was, maar jij hebt heel duidelijk verteld wat jij vindt en graag zou willen in het contact met jouw vader.
In het gesprek heb je mij onder andere verteld hoe de situatie bij jou moeder thuis is en dat jij je vader al een lange tijd niet hebt gezien. Je vertelde dat je het liefst ook niet meer naar je vader toe gaat in [woonplaats] . Jij zou wel graag contact met je vader willen, maar je wil het liefst dat je vader dan naar [plaats 3] komt om daar leuke dingen met jou te doen. Ook heb je mij verteld dat jij [halfzus minderjarige] mist en dat jij haar al een lange tijd niet hebt gezien. In het gesprek heb ik jou uitgelegd dat ik op 16 maart 2026 met je ouders zou gaan praten. Wij hebben toen ook afgesproken dat ik jou een brief zou sturen over de beslissing. In die brief zou ik dan aan jou uitleggen wat mijn beslissing is over hoe het contact tussen jou en je vader eruit zal komen te zien. Dat is waarom ik jou nu deze brief stuur.
Op 16 maart 2026 heb ik een gesprek gehad met jouw ouders. Zo’n gesprek heet officieel een ‘zitting’ en hier waren ook de advocaat van je moeder en iemand van de Raad voor de Kinderbescherming bij aanwezig. De Raad voor de Kinderbescherming nodigen wij uit als we beslissingen over kinderen moeten nemen, zodat zij advies kunnen geven.
Jouw ouders hebben tijdens de zitting afgesproken dat ze samen hulp gaan regelen om beter met elkaar te leren overleggen en dat zij de Raad voor de Kinderbescherming laten weten of dit lukt. Als het niet lukt, kan het zo zijn dat de Raad voor de Kinderbescherming gaat onderzoeken of er meer hulp nodig is. Daarnaast heeft je vader beloofd dat hij de huisarts gaat vragen om hem te helpen om rustig te blijven als hij zich boos voelt. Ook zal je moeder gaan regelen dat jij weer met de kinderpsycholoog van [praktijk] mag gaan praten, zodat je een neutraal en vertrouwd iemand hebt met wie je kunt praten over wat er allemaal is gebeurd en hoe je je voelt. Omdat je tijdens ons gesprek aangaf dat je het jammer vond dat dit eerder was gestopt, vind ik het belangrijk voor je dat dit weer start.
Tijdens de zitting is het je ouders niet gelukt om afspraken te maken over hoe het contact tussen jou en je vader eruit moet komen te zien. Daarom heb ik daar een beslissing over moeten nemen. Ik heb daarbij zoveel mogelijk rekening gehouden met jouw mening, de mening van je moeder en je vader en het advies van de Raad. Zoals we hebben afgesproken tijdens ons gesprek vertel ik je in deze brief wat ik besloten heb.
Ik heb besloten dat je vader, als het kan samen met [halfzus minderjarige] , een keer in de maand van zaterdag 10:00 uur tot 17:00 uur naar [plaats 3] komt, om daar iets leuks met jou te gaan doen. Ook zal er een keer per week, op een doordeweekse dag om 19:00 uur, een videobelmoment plaatsvinden tussen jou en je vader.
Als dit goed verloopt, wordt het contact tussen jou en je vader daarna uitgebreid met een ander contactmoment in de maand. Dit contactmoment zal plaatsvinden op zondag van 10:00 uur tot 17:00 uur in [woonplaats] , waarbij je moeder jou naar [woonplaats] zal brengen en jou weer komt ophalen. Op die manier kan jij ook contact hebben met [halfzus minderjarige] in [woonplaats] .
Dit is dus mijn beslissing. Ik vind het belangrijk dat jij met zowel je vader als je moeder evenwichtig en goed contact blijft houden en ik hoop dat deze regeling jou rust en duidelijkheid geeft.
Met vriendelijke groet,
mr. Hendriks,
kinderrechter.
5. De beslissing
De rechtbank:
wijzigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg van 26 april 2019 voor zover deze ziet op de zorgregeling en bepaalt dat de volgende regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken geldt, waarbij [minderjarige] :
een keer in de maand van zaterdag 10:00 uur tot 17:00 uur contact heeft met de man, waarbij de man, zo mogelijk met [halfzus minderjarige] , naar [plaats 3] komt en hij aldaar tijd met [minderjarige] zal doorbrengen, waarbij de man [minderjarige] ophaalt en terugbrengt;
een keer per week een videobelmoment op een door de ouders in onderling overleg te bepalen doordeweekse dag om 19:00 uur;
als bovenstaande regeling de komende zes maanden achtereenvolgend goed verloopt, wordt het contact tussen [minderjarige] en de man uitgebreid met een ander contactmoment in de maand, in het weekend, te weten op zondag van 10:00 uur tot 17:00 uur in [woonplaats] , waarbij [minderjarige] dan ook contact kan hebben met [halfzus minderjarige] en waarbij de vrouw [minderjarige] brengt en haalt.
Het staat partijen vrij om, zo nodig met behulp van de in te zetten hulpverlening, nadere afspraken te maken.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. Verplanke, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.