RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/442681 / KG ZA 25-655
Vonnis in kort geding van 13 april 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. Ö.G. Öztürk,
tegen
[de man] ,
wonende [adres 1] , [woonplaats 2] (Turkije),
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 december 2025, met producties 1 tot en met 11;
- de op 13 maart 2026 door mr. Öztürk ingediende brief van 9 maart 2026 van
mr. R.H.J.M. Silvertand, raadsman van de heer [partner] , partner van de vrouw, aan mr. Öztürk; - de mondelinge behandeling van 30 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2. De feiten
Op grond van de door de vrouw gestelde en door de man niet weersproken stellingen alsmede de overgelegde producties, staat tussen partijen het volgende vast.
Partijen zijn op [datum 1] 2007 in Turkije met elkaar gehuwd.
Op 1 februari 2013 heeft de man de woning aan de [adres 2] te [woonplaats 1] in
eigendom verkregen. Op 21 augustus 2015 heeft de man de woning aan de [adres 3] te [woonplaats 1] in eigendom verkregen.
Op 16 maart 2017 is bij de rechtbank in [woonplaats 2] , Turkije, een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend.
Uit de ‘Definitief verklaring’, afgegeven op 11 november 2025 door de Familiezaken rechtbank te [woonplaats 2] (Turkije) volgt dat het Hooggerechtshof van Turkije het vonnis op de gebieden van echtscheiding, voogdij, onderhoud en immateriële schadevergoeding op [datum 2] 2022 gedeeltelijk definitief heeft bevestigd.
De vrouw heeft de Turkse en Nederlandse nationaliteit. De man heeft de Turkse nationaliteit.
3. De vordering
De vrouw vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man te veroordelen om binnen zes weken na betekening van dit vonnis zijn
volledige onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan:
a. de aanwijzing van een onafhankelijke, door partijen gezamenlijk te
benoemen makelaar of bij gebreke van overeenstemming een door de
voorzieningenrechter aan te wijzen makelaar;
b. het in de verkoop brengen van de navolgende woningen te weten aan
de [adres 3] te [woonplaats 1] en de woning aan de [adres 2]
te [woonplaats 1] ;
c. het bezichtigen van de woningen door potentiële kopers;
d. het tot stand brengen en ondertekenen van koopovereenkomsten met derde
kopers op basis van de door de makelaar te adviseren markconforme voorwaarden;
e. het verlenen van medewerking aan de notariële leveringen van de verkochte woningen aan de kopers, waaronder het ondertekenen van de leveringsakte bij de notaris;
II. te bepalen dat indien de man niet zal meewerken binnen vier weken of op eerste verzoek van de makelaar of notaris aan een of meer van de onder I. genoemde verplichtingen voldoet, dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring, toestemming en/of handtekening van de man, zodat
de vrouw zelfstandig alle noodzakelijke rechtshandelingen kan verrichten die nodig zijn voor een verkoop en levering van de woningen aan een derde, waaronder het ondertekenen van de koopovereenkomst en akte van levering.
III. de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van het bedrag dat hij na de
peildatum zonder toestemming van de vrouw heeft opgenomen van de tot het
huwelijksvermogen behorende bankrekening, te weten € 186.000,=, voor zover
dit bedrag het aandeel van de man in het saldo per peildatum te boven gaat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opname tot aan de dag der algehele voldoening,
IV. de man te veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief nakosten, waaronder kosten van betekening en salaris van de advocaat.
De vrouw legt aan haar vorderingen met betrekking tot de woningen, samengevat, het volgende ten grondslag. Tijdens het huwelijk hebben partijen de woningen in [woonplaats 1] in gemeenschappelijk eigendom verkregen, althans er is sprake van een verwerving aan de zijde van de man conform het Turks huwelijksvermogensrecht, waardoor zij mede de economische eigendom van de woning heeft verkregen. De woningen zijn nog onverdeeld. Zij heeft belang bij beëindiging van de onverdeeldheid. Zij wil niet langer gebonden zijn aan de man in een onverdeelde gemeenschap, mede gelet op de langdurige periode sinds de echtscheiding en het ontbreken van afspraken over voortzetting van die onverdeeldheid. Zolang de onverdeeldheid voortduurt kan zij geen nieuwe hypotheek krijgen en geen woning aankopen. Haar spoedeisend belang bij de vorderingen met betrekking tot de woning is gelegen in het volgende. Haar partner laat een eigen woning bouwen. Hypotheekverstrekker ING heeft de bankrelatie met haar partner echter opgezegd. Hij moet de verstrekte hypotheek herfinancieren. Daartoe heeft haar partner onvoldoende financiële middelen en ING dreigt met executoriale verkoop van de woning in aanbouw. Zij heeft haar aandeel in de verkoopopbrengst van de woningen nodig om de financiering van de nieuwe woning mogelijk te maken. De man weigert echter zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de woningen. Als de verdeling niet tijdig plaatsvindt, is zij niet in staat om samen met haar partner de woning te financieren, waardoor zij ernstig in haar belangen wordt geschaad.
De vrouw legt aan haar geldvordering het volgende ten grondslag. Op grond van het Turks huwelijksvermogensrecht heeft ieder van partijen recht op de helft van het saldo van de gezamenlijke rekening per peildatum, doorgaans het moment van indiening van het echtscheidingsverzoek. Op 7 december 2016 heeft de man een bedrag van € 186.000,= opgenomen van de gezamenlijke bankrekening. Daarmee heeft hij de gemeenschap benadeeld. De man dient het bedrag dat hij meer heeft opgenomen dan zijn aandeel, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van opname, aan de vrouw te vergoeden. Dit volgt onder meer uit de artikelen 1:164 BW en artikel 1:111 BW en uit jurisprudentie. Ter zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij haar vordering grondt op artikel 217 van het Turks Burgerlijk Wetboek.
4. De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Volgens de onweerspoken stellingen van de vrouw zijn partijen in Turkije gehuwd en gescheiden, woont de man in Turkije, heeft hij de Turkse nationaliteit. Dit betekent dat de zaak internationale aspecten heeft, zodat de voorzieningenrechter moet beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen en welk recht van toepassing is.
De vorderingen van de vrouw vinden hun grondslag in het huwelijksvermogens-recht.
Op grond van artikel 6 aanhef en onder b van de Huwelijksvermogensverordening (2016/1103) is de Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van de vorderingen.
Niet gebleken is dat partijen een rechtskeuze hebben gemaakt. Op grond van artikel 4 lid 2 onder 2b van het Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978 wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het Turks recht, als het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtgenoten, nu Turkije geen partij is bij het verdrag, terwijl volgens het internationaal privaatrecht van deze staat zijn interne recht van toepassing is en de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigden in Turkije.
Verstek
Aangezien de man niet in de procedure is verschenen, moet worden beoordeeld of de man op de op de wet voorgeschreven wijze is opgeroepen en tegen hem verstek kan worden verleend. Bij die beoordeling neemt de voorzieningenrechter het volgende in aanmerking:
- bij dagvaarding, aan het parket betekend op 16 december 2025 en per aangetekende post verzonden naar het woonadres van de man in Turkije, is de man opgeroepen om ter zitting van 17 maart 2026 te verschijnen hetzij in persoon hetzij al dan niet vertegenwoordigd door een advocaat;
- bij brief van 3 maart 2026, bij de rechtbank ontvangen op 6 maart 2026, vraagt de man om aanhouding van de zitting van 17 maart 2025 – omdat zijn visumaanvraag niet (tijdig) is gehonoreerd en hij vanwege gezondheidsproblemen niet in staat is naar Nederland te reizen – dan wel om digitale deelname aan de zitting mogelijk te maken;
- bij brief van 10 maart 2026 bericht de griffier mr. Öztürk dat het verzoek van de man wordt gehonoreerd en dat de zitting van 17 maart 2026 niet doorgaat, met het verzoek nieuwe verhinderdata van de zijde van de vrouw en van de zijde van de man op te geven;
- bij brief van 13 maart 2026 maakt mr. Öztürk bezwaar tegen de aanhouding van de zitting en geeft zij nieuwe verhinderdata op van de zijde van de vrouw;
- bij brief van 16 maart 2026 bericht de griffier aan mr. Öztürk dat niet wordt teruggekomen op het eerder genomen besluit om de zitting van 17 maart 2026 niet door te laten gaan;
- op 18 maart 2026 dient mr. Özturk een e-mailbericht in dat de man op
17 maart 2026 naar haar stuurde. In dat e-mailbericht geeft de man aan dat hij vanwege gezondheidsproblemen niet in staat is te reizen en dat hij tot en met
27 mei 2026 verhinderd is om aan een zitting deel te nemen;
- op 24 maart 2026 bericht de griffier aan mr. Öztürk en aan de man (op de door hem opgegeven e-mailadressen) dat de nieuwe zitting is gepland op 30 maart 2026 om 10.00 uur en dat de man online, via een Teamsverbinding, kan deelnemen aan de zitting;
- op 27 maart 2026 bericht de griffier de man wederom (op de door hem opgegeven e-mailadressen) dat de nieuwe zitting is gepland op 30 maart 2026 om 10.00 uur en dat de man online, via een Teamsverbinding, kan deelnemen aan de zitting, zulks – onder toezending van een Teamslink;
- op zaterdag 28 maart 2026, derhalve buiten kantooruren, stuurt de man een e- mailbericht aan de rechtbank. Daarin refereert hij aan het bericht van de griffier van 24 maart 2026 en aan de door hem opgegeven verhinderdata. Verder deelt hij mee dat hij zich, samen met zijn juridisch vertegenwoordiger, niet adequaat heeft kunnen voorbereiden op de zitting van 30 maart 2026 en dat hij uitsluitend kan deelnemen aan de zitting in een online setting en in hoedanigheid van getuige. Tot slot verzoekt de man de rechtbank om de inzet van een tolk Turks-Nederlands te faciliteren;
- op maandag 30 maart 2026 te 9:30 uur bericht de griffier de man per e-mail dat hij via de Teamslink (welke nogmaals wordt meegestuurd) als partij kan deelnemen aan de zitting en dat hij, indien gewenst, zelf moet zorgdragen voor een tolk;
- bij aanvang van de zitting op 30 maart 2026 heeft de griffier de Teamslink geopend. De Teamslink heeft de griffier tijdens gehele duur van de zitting open laten staan. De man heeft zich niet gemeld in de Teamslink.
Op grond van het voorgaande stelt de voorzieningenrechter vast dat de man op de bij de wet voorgeschreven wijze is opgeroepen en dat hij ervan op de hoogte was dat de zaak ter zitting werd behandeld op 30 maart 2026 te 10.00 uur. De voorzieningenrechter stelt vast dat man niet is verschenen in de procedure. Tegen hem zal verstek worden verleend.
Spoedeisend belang
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt, samengevat, dat voor het verlenen van een voorlopige voorziening, sprake moet zijn van spoedeisend belang. De gevorderde voorlopige voorziening kan pas worden verleend als het belang van de vrouw bij de gevorderde voorziening, afgezet tegen het belang van de man bij behoud van de huidige situatie, op dit moment zodanig spoedeisend is dat een oordeel in een mogelijke bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De rechter moet dit ambtshalve beoordelen, ook in verstekzaken. Voor die beoordeling acht de voorzieningenrechter de volgende feiten en omstandigheden van belang.
De vrouw stelt, samengevat, dat zij spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen omdat zij haar nieuwe partner financieel moet ondersteunen in het herfinancieren van de hypotheek die hij had afgesloten ten behoeve van de bouw van zijn nieuwe woning.
Uit de verklaring van de vrouw en de door haar overgelegde stukken (in bijzonder de producties 3, 4 en de brief van mr. Silvertand van 9 maart 2026 aan mr. Öztürk) blijkt het volgende. De partner van de vrouw, de heer [partner] , laat een woning bouwen aan de [adres 4] te [woonplaats 1] . Daartoe heeft hij een hypothecaire geldlening afgesloten bij ING. Op enig moment heeft ING de bancaire relatie met de heer [partner] beëindigd, de hypothecaire financiering opgeëist en aangekondigd over te zullen gaan tot executoriale verkoop van de woning. De heer [partner] kan de executoriale verkoop alleen voorkomen door herfinanciering van de hypothecaire lening. Op grond van zijn inkomen kan hij echter niet de volledige hypotheek herfinancieren. Om de lening volledig te kunnen herfinancieren, is het inbrengen van aanvullende middelen nodig, afkomstig van de vrouw. Aangezien de vrouw op dit moment geen inkomen heeft, kan de vrouw uitsluitend middelen inbrengen door middel van de verkoop van de woningen aan de [adres 2] en de [adres 3] .
De voorzieningenrechter stelt vast dat de partner van de vrouw op zeer korte termijn zijn hypotheek bij ING moet aflossen, dat hij executoriale verkoop van zijn woning (het onderpand) enkel kan voorkomen door de hypotheek te herfinancieren, maar dat hij daarvoor afhankelijk is van door de vrouw in te brengen financiële middelen. De verplichting tot aflossing van de hypotheek bij ING – en de daaruit voortvloeiende wens tot herfinanciering – vloeit echter voort uit een overeenkomst tussen de heer [partner] en ING. De vrouw is daarbij geen partij. Die omstandigheid levert dus geen spoedeisend belang voor de vrouw op. Dit betekent dat de vorderingen van de vrouw bij gebrek aan spoedeisend belang zullen worden afgewezen.
Proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter begrijpt dat de vrouw tevens vergoeding van nakosten wenst, maar ingevolge artikel 8 van het liquidatietarievenbesluit bestaat in geval van proceskostencompensatie geen aanspraak op vergoeding van nakosten. Ook deze vordering zal worden afgewezen.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
verleent verstek tegen de man;
wijst de vorderingen van de vrouw af;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Haerkens-Wouters, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. Bishop-van Kollenburg, griffier.