ECLI:NL:RBZWB:2026:4089

ECLI:NL:RBZWB:2026:4089

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 13-04-2026
Datum publicatie 14-05-2026
Zaaknummer C/02/445548 / KG ZA 26-104
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Is de afstemmingsregel van toepassing tussen een beslissing in een voorlopige voorziening en een beslissing in kort geding?Heeft de vrouw spoedeisend belang bij haar vordering tot medewerking aan verkoop van de woning door de man?

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: C/02/445548 / KG ZA 26-104

Vonnis in kort geding van 13 april 2026

in de zaak van

[de vrouw] ,

te [woonplaats 1] , gemeente Cranendonck,

eisende partij,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. F. Putmans-de Kok,

tegen

[de man] ,

te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.M.W. Essenstam.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 11 maart 2026 met producties 1 tot en met 11;- de nader ingediende producties 12 tot en met 18 van de vrouw;- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 4;- de mondelinge behandeling van 30 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2. De feiten

Partijen zijn op [datum] 2022 met elkaar gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen.

Tijdens hun huwelijk is geboren het nog minderjarige kind:

- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022.

Op 29 juli 2019 hebben partijen de woning aan de [adres] in gemeenschappelijk eigendom verkregen, ieder voor de onverdeelde helft. Beiden zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de hypothecaire geldlening. Ter financiering van de ‘kosten koper’ hebben partijen een persoonlijke lening van € 20.000,= afgesloten bij [bank] met een looptijd 10 jaar.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 11 februari 2026 van de rechtbank Oost-Brabant is, samengevat:

- [minderjarige] aan de man toevertrouwd;

- een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot [minderjarige] vastgesteld, op grond waarvan [minderjarige] in een periode van twee weken 7 dagen (5 nachten) bij de man en 7 dagen (9 nachten) bij de vrouw verblijft;

- bepaald dat de vrouw met ingang van 11 februari 2026 aan de man een bedrag van

€ 68,= per maand moet betalen tot verzorging en opvoeding van [minderjarige] ;

- bepaald dat de man bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de woning;

- de man bevolen tot afgifte van de goederen tot het dagelijks gebruik van de vrouw.

Op 6 maart 2026 is bij deze rechtbank een verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend. De echtscheidingsprocedure is aanhangig onder zaaknummer C/02/445927 FA RK 26-1269.

3. Het geschil

De vrouw vordert, naar de voorzieningenrechter begrijpt, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

1. de man te veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de

woning aan de [adres] door:

- binnen een maand na het in deze te wijzen vonnis een (gezamenlijke) opdracht te verstrekken aan een erkende NVM makelaar ( [makelaar 1] of [makelaar 2] makelaars),

- het verlenen van medewerking aan bezichtigingen en zich te houden aan de

adviezen van de makelaar ten aanzien van de vraagprijs en de

verkoopopbrengst van de woning,

- het ondertekenen van de verkoopovereenkomst en zijn medewerking te verlenen aan de notariële eigendomsoverdracht en aflossing van de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening,

een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 500,= per dag voor iedere dag dat de man daaraan niet voldoet met een maximum van € 25.000,=;

2. te bepalen dat het door de voorzieningenrechter op dit punt (1.) te wijzen vonnis in de plaats zal worden gesteld van de instemmende verklaring van de man, ingeval hij weigerachtig zou blijven om aan het bepaalde zijn medewerking te verlenen;

3. de man te veroordelen in de kosten van de procedure daaronder begrepen het

salaris van de advocate van de vrouw alsmede de nakosten.

De vrouw legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Zij heeft de woning op 2 oktober 2025 verlaten en verblijft sindsdien noodgedwongen bij haar ouders. Sinds haar vertrek betaalt zij maandelijks een bedrag van € 527,19, zijnde de helft van de lasten van de woning. Daarnaast betaalt zij onder meer de helft van de maandelijkse kosten voor de uitvaartverzekering, de betaalrekening en de WA-verzekering. De vrouw heeft vanaf oktober 2025 aan de man kenbaar gemaakt dat zij de woning wenst te verkopen, omdat het voor geen van partijen mogelijk zou zijn de woning over te nemen en de ander uit te kopen. De man koppelt de verkoop van de woning echter aan de overeenstemming over de zorgregeling, maar dit staat naar haar mening los van elkaar. Tijdens de mondelinge behandeling van de voorlopige voorzieningen heeft de man aangegeven dat hij financieel niet in staat is de woning over te nemen, omdat hij een uitkering ontvangt. Desondanks weigert hij zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning. De man heeft tijd genoeg gehad om te onderzoeken of hij alsnog in staat is de woning over te nemen. Tot op heden heeft hij geen verifieerbare financieringsindicatie overgelegd. Daarnaast heeft de man te kennen gegeven dat hij al 19 jaar staat ingeschreven als woningzoekende voor een huurwoning, zodat het voor hem niet moeilijk hoeft te zijn om op korte termijn andere woonruimte te bemachtigen. Zij heeft spoedeisend belang bij haar vorderingen, omdat zij door haar financiële reserves heen is en haar uitkering per mei 2026 zal dalen van € 3.073,= bruto per maand naar € 1.164,50 bruto per maand, terwijl zij maandelijks moet bijdragen aan de lasten van de woning en hoofdelijk aansprakelijk blijft zolang de woning niet is verkocht. Zij is hierdoor ook niet in staat een zelfstandige woonruimte te bekostigen, terwijl zij niet lang meer bij haar ouders kan verblijven. Zij komt niet in aanmerking voor urgentie bij het verkrijgen van een sociale huurwoning, omdat zij nog steeds mede-eigenaar is van de woning.

De man voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw. De man betwist dat de vrouw spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Ten eerste omdat de vrouw geen enkele onderbouwing heeft gegeven voor haar stelling dat het noodzakelijk is dat de woning wordt verkocht, omdat zij anders geen andere woonruimte kan verkrijgen. Ook de wens om uit de onverdeeldheid te geraken of de omstandigheid dat haar inkomen mogelijk zal dalen is daarvoor niet voldoende. Ten tweede omdat hij in de bodemprocedure heeft verzocht om het voortgezet gebruik van de woning gedurende zes maanden na de echtscheiding en om de woning in het kader van de verdeling aan hem toe te delen. In de jurisprudentie wordt vaak geoordeeld dat de door eiser aangevoerde omstandigheden geen verdeling van de woning in kort geding rechtvaardigen, vanwege het belang van gedaagde om de bodemrechter in de reeds aanhangige echtscheidingsprocedure uitspraak te laten doen over de door hem verzochte wijze van verdeling van de woning. Verder heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden bepaald dat de afstemmingsregel, zoals geformuleerd door de Hoge Raad, ook geldt ten opzichte van een vonnis in incident. Bovendien zou toewijzing van de vorderingen van de vrouw de verzoeken in de bodemprocedure doorkruisen, aangezien er een voorlopige voorziening is getroffen met betrekking tot het uitsluitend gebruik van de woning.

Het klopt dat het voor hem lastig zal zijn de woning over te nemen. In gesprekken met een hypotheekadviseur, is naar voren gekomen dat hij de woning alleen kan overnemen als hij een volledig nieuw hypotheektraject doorloopt. Hij heeft dit traject nog niet opgestart, vanwege perikelen rondom de echtscheiding en omdat hij de uitkomst van dit kort geding wil afwachten. Daarnaast wil hij onderzoeken of het mogelijk is om de vrouw uit te kopen met zijn kindsdeel uit de nalatenschap van zijn vader en met een schenking van zijn moeder. In dit scenario blijft de vrouw wel hoofdelijk aansprakelijk voor de hypotheek, maar hoeft zij daarvoor niet de lasten te dragen. Dit is een reële optie, aangezien uit de stellingen van de vrouw niet blijkt dat zij baat heeft bij ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Het klopt ook dat hij al lange tijd staat ingeschreven voor een huurwoning, maar gelet op de schaarste, de lange wachttijden, de toewijzingscriteria en de mate waarin een woning aansluit bij de gezinsomstandigheden, geeft dit geen garantie op het daadwerkelijk en op korte termijn verkrijgen van passende woonruimte. Verder moet ook het belang van [minderjarige] worden meegenomen. Haar belang bij een voor haar vertrouwde omgeving en structuur weegt zwaarder dan het belang van de vrouw om de woning te verkopen. Tot slot voert de man gemotiveerd verweer tegen de gevorderde dwangsom en proceskostenveroordeling.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Afstemmingsregel

De man voert primair als verweer dat de door de Hoge Raad geformuleerde afstemmingsregel ook geldt ten opzichte van een vonnis in incident. Bovendien zou toewijzing van de vordering van de vrouw de verzoeken in de bodemprocedure doorkruisen, temeer nu er een voorlopige voorziening is getroffen met betrekking tot het uitsluitend gebruik van de woning, dat aan hem is toegewezen.

De voorzieningenrechter volgt de man niet in zijn standpunt. De afstemmingsregel ziet op afstemming door de voorzieningenrechter in kort geding op de uitspraak in de bodemprocedure. De beschikking van 11 februari 2026 betreft echter een voorlopige voorziening, welke beslissing niet met meer waarborgen omkleed is dan de totstandkoming van een beslissing in kort geding, en dus feitelijk van gelijke orde is. Daar komt bij dat de vorderingen van de vrouw in dit kort geding van andere aard zijn dan de voorlopige voorzieningen die in de beschikking 11 februari 2026 aan de orde waren. Immers, de voorlopige voorziening van de beschikking van 11 februari 2026 zag enkel op het voorlopig gebruik van de woning, terwijl de beslissing in dit kort geding (evenals de beslissing in de bodemprocedure) betrekking heeft op de verdeling van de woning, althans op verkoop daarvan.

Spoedeisend belang

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt, samengevat, dat voor het verlenen van een voorlopige voorziening, sprake moet zijn van spoedeisend belang. De gevorderde voorlopige voorziening kan pas worden verleend als het belang van de vrouw bij de gevorderde voorziening, afgezet tegen het belang van de man bij behoud van de huidige situatie, op dit moment zodanig spoedeisend is dat een oordeel in een mogelijke bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Daarbij kan een rol spelen of de vordering van de vrouw in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd.

Het belang van de vrouw bij spoedige verkoop van de woning is gelegen in het feit dat zij sinds oktober 2025 een deel van de tijd met de minderjarige op een zolderkamer bij haar ouders inwoont en dat zij – zolang zij verbonden is aan de woning – niet in aanmerking komt voor urgentie bij het verkrijgen van sociale huurwoning. Verder draagt zij (meer dan de) helft van de vaste lasten van onder meer de woning, terwijl zij een WIA-uitkering heeft die per mei 2026 fors lager wordt. Het belang van de man bij behoud van de bestaande situatie is gelegen in het feit dat hij de woning voor [minderjarige] wil behouden, omdat dit een voor haar vertrouwde omgeving is. Verder wil hij de mogelijkheid krijgen om te onderzoeken of hij financieel in staat is de woning over te nemen en om – voor zover nodig – uit te zien naar een voor hem en de minderjarige passende vervangende woonruimte.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangen van de vrouw zwaarder wegen dan de belangen van de man. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

De vrouw heeft gesteld dat zij al sinds oktober 2025 aanstuurt op verkoop van de woning, omdat zij (een ook de man) niet in staat is de woning over te nemen. Dit is door de man niet weersproken. De man verzoekt in de echtscheidingsprocedure echter toedeling van de woning aan hem. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de man gesprekken heeft gehad met een financieel adviseur, de heer [persoon] . Laatstgenoemde heeft de man bij brief van 2 maart 2026 meegedeeld dat [verzekeringsmaatschappij] zijn WIA-uitkering niet kan meenemen in de beoordeling voor een hypotheek (ook niet wanneer de hypotheek met NHG is afgesloten). Volgens de heer [persoon] zal de man een hypotheektraject moeten doorlopen om daar duidelijkheid over te krijgen, maar hij schat in dat de uitkomst niet zal worden wat de man ervan verwacht. Ter zitting heeft de man verklaard dat hij het alsnog niet onmogelijk acht dat hij de woning kan overnemen. Hij heeft daartoe echter geen verdere concrete actie meer ondernomen, omdat hij de uitkomst van de kort geding-procedure wilde afwachten. Verder heeft hij aangegeven dat hij de vrouw haar aandeel in de waarde mogelijk kan uitkeren door een deel van zijn kindsdeel uit de nalatenschap van zijn vader aan te wenden en een eventuele schenking van zijn moeder, maar dat de vrouw in dat geval wel hoofdelijk aansprakelijk zou blijven voor de op de woning rustende hypotheek. Nadat de vrouw heeft betwist dat zijn kindsdeel dan wel de schenking voldoende zouden kunnen zijn om haar aandeel uit te keren, kon de man echter niet, ook niet desgevraagd, aangeven welke omvang zijn kindsdeel heeft en kon hij ook geen concrete informatie geven over de (omvang van een) eventuele schenking van zijn moeder. Gelet op al het voorgaande acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat de man financieel niet in staat is de woning toegedeeld te krijgen, onder de (gebruikelijke) voorwaarde dat de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op die woning rustende hypotheek. Dit betekent niet dat de man bij verkoop van de woning geen woonruimte meer zal hebben. De man heeft immers erkend dat hij al 19 jaar staat ingeschreven voor een huurwoning in [woonplaats 2] . Het is dus zeer waarschijnlijk dat hij op korte termijn in aanmerking komt voor een woning voor hem en [minderjarige] .

De man heeft nog aangeboden om voorlopig de volledige lasten van de woning te betalen, zodat de vrouw financiële ruimte krijgt, waarbij een verrekening zal plaatsvinden op het moment van de overdracht van de woning aan hem of een derde. De vrouw heeft betwist dat de man financieel in staat is alle lasten van de woning voor zijn rekening te nemen. Gelet op de hoogte van de vaste lasten en de hoogte van zijn uitkering (waarvan de man desgevraagd ter zitting overigens slechts een ruwe schatting kon geven) acht de voorzieningenrechter het voorstel van de man allerminst goed doordacht en ook geen reële optie. De vrouw heeft daarentegen wel voldoende aannemelijk gemaakt dat haar uitkering per mei 2026 drastisch wordt verlaagd, waardoor zij niet in staat zal zijn om naast haar eigen lasten, haar aandeel in de lasten van de woning te voldoen. Dit maakt dat er een reële kans is dat partijen de lasten van de woning vanaf dat moment niet meer kunnen dragen.

Tot slot neemt de voorzieningenrechter de belangen van [minderjarige] in aanmerking. Een echtscheiding brengt in haar algemeenheid zowel voor de (aanstaande) ex-echtgenoten als voor hun eventuele (minderjarige) kinderen veranderingen met zich. Zo betekent een echtscheiding vaak dat een of beide echtgenoten zal moeten verhuizen. Als gevolg van hun echtscheiding wonen partijen op dit moment ongeveer 55 kilometer uit elkaar, terwijl hun beider woonsituaties voor de toekomst niet bestendig zijn. Immers, de vrouw woont op dit moment tijdelijk bij haar ouders en de man woont in de gezamenlijke woning, waarbij het zo gezegd niet aannemelijk is dat hij deze kan overnemen. Ondanks dat partijen op dit moment ver uit elkaar wonen, geven zij in het kader van de zorgregeling uitvoering aan een co-ouderschapsregeling. Hoewel kinderen heel veerkrachtig zijn, is het in het belang van [minderjarige] dat partijen ernaar streven om zo snel mogelijk een nieuwe stabiele situatie voor haar te creëren. Dit is met name van belang omdat [minderjarige] inmiddels drie jaar is en binnen een jaar naar school zal gaan. Beide partijen hebben aangegeven dat zij hun toekomst met [minderjarige] zien in (de omgeving van) [woonplaats 2] . Het is dan ook in het belang van [minderjarige] dat partijen zo snel als mogelijk een woning vinden in (de omgeving van) [woonplaats 2] . Daarvoor is, gelet op voormelde omstandigheden, (ook) nodig dat de gezamenlijke woning zal worden verkocht.

De voorzieningenrechter is op grond van voorgaande omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat de vrouw spoedeisend belang heeft bij verkoop van de woning en dat haar belang zwaarder weegt dan het belang van de man bij behoud van de huidige situatie totdat de bodemprocedure is afgerond. Dit betekent dat de vorderingen van de vrouw onder 1. en 2. zullen worden toegewezen:

- met dien verstande dat zal worden bepaald dat de man binnen een maand

na betekening van dit vonnis een (gezamenlijke) opdracht dient te verstrekken aan een erkende NVM makelaar ( [makelaar 1] of [makelaar 2] makelaars),

- met uitzondering van de gevorderde dwangsom, aangezien de man hiertegen gemotiveerd verweer heeft gevoerd en gesteld noch gebleken is dat de man na een veroordelend vonnis niet zal meewerken aan verkoop van de woning.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de vrouw. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing. De gevorderde uitvoerbaarheid op de minuut zal worden afgewezen, nu een grosse zal worden verstrekt zodat de vrouw geen belang heeft bij uitvoerbaarheid op de minuut.

Proceskosten

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De voorzieningenrechter begrijpt dat de vrouw tevens vergoeding van nakosten wenst, maar ingevolge artikel 8 van het liquidatietarievenbesluit bestaat in geval van proceskostencompensatie geen aanspraak op vergoeding van nakosten. Deze vordering zal worden afgewezen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

veroordeelt de man om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de

woning aan de [adres] door:

- binnen een maand na betekening van dit vonnis een (gezamenlijke) opdracht te verstrekken aan een erkende NVM makelaar ( [makelaar 1] of [makelaar 2] makelaars),

- zijn medewerking te verlenen aan bezichtigingen en zich te houden aan de

adviezen van de makelaar ten aanzien van de vraagprijs en de

verkoopopbrengst van de woning,

- de verkoopovereenkomst te tekenen en zijn medewerking te verlenen aan de notariële eigendomsoverdracht en aflossing van de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening;

bepaalt – voor het geval de man zijn medewerking niet vrijwillig verleent – dat dit vonnis in de plaats treedt van de voor de het verstrekken van de verkoopopdracht, het sluiten van de koopovereenkomst en het passeren van de akte van levering benodigde handtekening en/of wilsverklaring van de man;

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Haerkens-Wouters, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. Bishop-van Kollenburg, griffier.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Bishop-van Kollenburg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand