ECLI:NL:RBZWB:2026:4091

ECLI:NL:RBZWB:2026:4091

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 13-04-2026
Datum publicatie 14-05-2026
Zaaknummer C/02/444638 FA RK 26-567
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Voorlopige voorzieningen afgewezen. Onderzoek door de Raad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/444638 FA RK 26-567

datum uitspraak: 13 april 2026

beschikking betreffende provisionele voorzieningen

in de zaak van

[de man] , hierna te noemen: de man,

wonende te [plaats 1] , België,

advocaat: mr. A. Goedkoop te Breda ,

tegen

[de vrouw] , hierna te noemen de vrouw,

wonende te [plaats 2] ,

advocaat: mr. A. Koop-van Vliet te Breda,

over de minderjarigen:

- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2017;- [minderjarige 2] geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2019.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,

hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1. Het procesverloop

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

- het op 30 januari 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;

- het F9-formulier met bijlage van 12 februari 2026 van mr. Goedkoop;

- het F9-formulier met bijlagen van 10 maart 2026 van mr. Goedkoop;

- het aanvullende verzoekschrift van 24 maart 2026;

- het op 25 maart 2026 ontvangen verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek, met bijlagen;

- het F9-formulier met bijlage van 26 maart 2026 van mr. Koop-Van Vliet;

- het F9-formulier met bijlage van 26 maart 2026 van mr. Goedkoop.

De zaak is mondeling behandeld op 30 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een medewerker namens de Raad.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft laten weten dat hij niet op gesprek komt bij de kinderrechter. Daarnaast heeft [minderjarige 1] een briefje geschreven aan de kinderrechter. [minderjarige 1] heeft in zijn briefje aangegeven dat niet met de aanwezigen tijdens de zitting gedeeld mag worden wat hij heeft geschreven.

2. De feiten

Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de navolgende thans

nog minderjarige kinderen zijn geboren:

- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2017, hierna te noemen [minderjarige 1] ;- [minderjarige 2] geboren te [plaats 2] op [geboortedag 2] 2019, hierna te noemen [minderjarige 2] .

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Bij beschikking van deze rechtbank van 29 maart 2023 heeft de rechtbank bepaald dat de onderlinge regelingen uit het aangehechte ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking. In het ouderschapsplan is onder andere bepaald dat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder is en is de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald:

- in de even werken: de kinderen zijn van vrijdag 18.30 uur (de kinderen eten en douchen bij de vrouw) tot zondag 18.30 uur bij de man (de kinderen eten en douchen bij de man).

- wekelijks zijn de kinderen een dagdeel bij de man vanuit school, afhankelijk van de schooltijd op de betreffende dag, tot 18.30 uur (de kinderen eten en douchen bij de man), indien dit mogelijk is in het rooster van de man. De man laat op zondag voor 13.00 uur weten welk dagdeel dit is en partijen spreken dan een concrete tijd af.

Door de man is een bodemprocedure aanhangig gemaakt. De bodemprocedure heeft als zaaknummer C/02/444636 FA RK 26-566. De man verzoekt daarin het gezamenlijk gezag te beëindigen en hem te belasten met het eenhoofdig gezag; het hoofdverblijf van de kinderen bij hem te bepalen en een zorgregeling tussen de vrouw en de kinderen te bepalen. De zitting in de bodemprocedure staat op zitting gepland op 28 mei 2026 om 13.00 uur.

3. De verzoeken

De man verzoekt, na wijziging/aanvulling van het verzoekschrift, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

I. te bepalen dat de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig, tot aanvang van het schooljaar 2026/2027 althans totdat definitief op het verzoek in de bodemprocedure is beslist, hun hoofdverblijfplaats bij de vader te [plaats 1] , België zullen hebben;

II. te bepalen dat de vader de minderjarigen gedurende de periode tot aanvang schooljaar 2026/2027 dagelijks vanuit België naar hun huidige school ( [school] te [plaats 3] ) zal brengen en ophalen, teneinde de continuïteit van hun onderwijs te waarborgen;

III. de vader voorlopig toestemming te verlenen om de minderjarigen per aanvang schooljaar 2026/2027 in te schrijven op een school in de nabijheid van zijn woonadres te [plaats 1] , België;

IV. bij wijze van voorlopige omgangsregeling, voor de duur van de bodemprocedure althans

totdat een definitieve beslissing over de zorgregeling is gegeven, te bepalen dat moeder de minderjarigen bij zich heeft in de oneven weekenden, van vrijdag 18:30 uur tot zondag 18:30 uur;

V. daarbij te bepalen dat moeder de minderjarigen ophaalt bij vader te [plaats 1] en na afloop van het weekend bij de vader te [plaats 1] terugbrengt, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen vervoersregeling vast te stellen;

VI. moeder te gebieden de paspoorten van de minderjarigen [minderjarige 1] (geboren [geboortedag 1] 2017) en [minderjarige 2] [minderjarige 1] (geboren [geboortedag 2] 2019) onmiddellijk na betekening van de ten dezen te geven beschikking, althans binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, aan vader af te geven,

VII. aan dit gebod een dwangsom te verbinden van € 250,00 per dag, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag per dag of per keer, dat moeder in gebreke

blijft aan dit gebod te voldoen, tot een maximum van € 10.000,00.

Subsidiair

VIII. te bepalen dat de vader voorlopig bevoegd is alle beslissingen te nemen die noodzakelijk zijn om de schoolgang van de minderjarigen te waarborgen, totdat definitief op het verzoek in de bodemprocedure is beslist;

IX. een zodanige voorlopige voorziening te treffen als de rechtbank in goede justitie passend acht.

De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man en verzoekt deze verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans de verzoeken van de man af te wijzen.

Bij wijze van (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek verzoekt de vrouw de Raad te gelasten een onderzoek te verrichten en advies uit te brengen ter beantwoording van de vragen, zoals omschreven in sub 37 van het verweerschrift.

4. De standpunten

Standpunt van de man

Door en namens de man is in de stukken en tijdens de zitting naar voren gebracht dat de kinderen in oktober/november 2025 onregelmatig en sinds december 2025 volledig afwezig zijn op school. In januari 2026 zijn de kinderen in totaal drie dagen op school geweest en in februari 2026 hebben de kinderen elke week één dag school gemist. Ook in de voorgaande schooljaren (sinds 2021) is hetzelfde patroon zichtbaar. Eerder, in oktober 2024, is de vrouw al strafrechtelijk veroordeeld wegens ongeoorloofd aanhoudend schoolverzuim. Ondanks de veroordeling is het verzuim voortgezet. Na gesprekken en interventies gaan de kinderen telkens tijdelijk weer naar school in april, mei en juni. In de periode tussen oktober en april vallen de kinderen echter weer uit door constante ziekmeldingen. Het lukt de vrouw niet om de kinderen naar school te brengen. Hierdoor is er sprake van grote leerachterstanden bij de kinderen. [minderjarige 1] is eerder al blijven zitten. School en de man hebben een melding gedaan bij Veilig Thuis. Op 11 december 2025 heeft Veilig Thuis het dossier echter gesloten. Op 14 december 2025 heeft de school vervolgens een melding gedaan bij DUO/Leerplicht. De leerplichtambtenaar heeft op 8 januari 2026 contact opgenomen met school. Op 30 januari 2026 heeft de school partijen wederom gemaild over de zorgen, waarbij aangegeven is dat de school opnieuw een melding zou doen bij Veilig Thuis, indien de vrouw niet binnen één dag zou reageren. Ondanks het voorgaande blijft de vrouw onbereikbaar voor school en worden de kinderen ongebruikelijk vaak ziekgemeld, terwijl de kinderen tijdens de omgang met de man gezond zijn. Verder heeft de man geen vertrouwen in hulpverlening, omdat er de afgelopen jaren al veel hulpverlening betrokken is geweest en dit niet heeft geleid tot verandering van de situatie.

De kinderen kunnen nu niet weer maanden onderwijs missen, zonder dat dit hen blijvend schaadt. Dit maakt dat een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De man ziet als enige mogelijkheid dat de kinderen dit schooljaar op hun huidige school afmaken, terwijl zij hun hoofdverblijf tijdelijk bij de man in [plaats 1] hebben. De man zal de kinderen vanuit België naar school in Nederland brengen. Ook is de man bereid om tijdelijk de kinderen op te halen bij de moeder en ze vanuit daar naar school te brengen. Daarnaast wonen de ouders van de man in [plaats 3] en kunnen zij fungeren als vangnet. De vrouw zal dan de man op de hoogte moeten brengen als het haar niet lukt om de kinderen naar school te brengen, echter vertrouwt de man de vrouw er niet op dat zij dit zal doen. Vanaf september 2026 kunnen de kinderen de overstap maken naar een school in [plaats 1] . De man heeft de kinderen al aangemeld op een school in [plaats 1] voor het volgende schooljaar. Verder heeft de man geen bezwaar tegen het verzoek van de vrouw om de Raad een onderzoek te laten doen.

Verder geeft de man aan dat de kinderen sinds de beschikking van 29 maart 2023 nog nooit doordeweeks een dagdeel bij de man zijn geweest en de zorgregeling op dat punt niet is uitgevoerd, omdat het partijen niet lukte om daar afspraken over te maken.

Standpunt van de vrouw

Door en namens de vrouw is in de stukken en tijdens de zitting naar voren gebracht dat de kinderen sinds februari 2026 weer gewoon naar school gaan, op enkele dagen na. De periode daarvoor hebben de kinderen wel veel school gemist. Er is geen sprake van een ontwikkelingsachterstand bij de kinderen en er is geen twijfel dat de kinderen overgaan naar het volgende schooljaar. De vrouw is sinds een auto-ongeluk in oktober 2025 in een burn-out terecht gekomen. Tijdens de wintermaanden verergeren haar depressieve klachten, waardoor het de vrouw niet lukt om de kinderen naar school te brengen. Daarnaast heeft de vrouw schade ondervonden aan de moeilijke relatie die zij heeft gehad met de man. De verhoudingen tussen partijen zijn hierdoor heel slecht. De vrouw heeft EMDR-therapie nodig, echter kan zij hier niet mee starten omdat zij voor de kinderen moet zorgen en de vrouw geen groot netwerk heeft als vangnet. Wel is er recent hulpverlening voor de vrouw gestart vanuit de WMO, namelijk [zorgorganisatie] .

De vrouw geeft verder aan dat de onderhavige procedure zich niet leent voor een vaststelling of wijziging van de hoofdverblijfplaats, omdat dit een constitutieve beslissing zou opleveren. Het halen en brengen van de kinderen door de man hangt daarmee samen. Subsidiair stelt de vrouw zich op het standpunt dat de bodemprocedure afgewacht kan worden en dat de man onvoldoende belang heeft bij zijn verzoeken. De zitting is bepaald op 28 mei 2026, dus over twee maanden. Het vaststellen van de hoofdverblijfplaats bij de man leidt tot de mogelijkheid dat de kinderen korte tijd later weer zullen verhuizen, als in de bodemprocedure wordt geoordeeld dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw moeten houden/hebben. Dit is niet in het belang van de kinderen. Meer subsidiair stelt de vrouw dat het verzoek van de man gestoeld dient te worden op een wijziging van de hoofdverblijfplaats in plaats van een vaststelling en dat de man heeft nagelaten een wijziging van omstandigheden aan zijn verzoek ten grondslag te leggen. Verder acht de vrouw de wijziging van de hoofdverblijfplaats niet in het belang van de kinderen. Dit zorgt namelijk voor veel onrust. Daarnaast is de man wisselend in zijn toezeggingen. Zo geeft hij eerder aan dat hij de kinderen naar school kan brengen en ze daar kan ophalen, echter geeft hij vervolgens aan dat hij dit niet geregeld krijgt met zijn werkgever. Ook besteedt de man de zorg voor de kinderen momenteel al in het weekend vaak uit aan zijn ouders en is de vriendin van de man in verwachting, waardoor onduidelijk is of de man voldoende draagvlak heeft om doordeweeks ook nog voor de kinderen te zorgen. De vrouw acht het verder niet in het belang van de kinderen, dat zij vooruitlopend op de bodemprocedure al in België naar school gaan. De vrouw stelt voor niets te wijzigen en de situatie te laten voortduren, zodat er eerst onderzoek kan plaatsvinden door de Raad over wat het meest in het belang van de kinderen is. De komende periode wil de vrouw aan de slag gaan met de hulpverlening. Ook zal de vrouw de komende periode hulp vragen aan de ouders van de man, indien het haar niet lukt om de kinderen naar school te laten gaan.

Standpunt van de Raad

De Raad acht het enorm zorgelijk dat de kinderen zoveel school hebben gemist. De Raad acht het daarom nodig dat de man structureel één of twee dagen per week de kinderen naar school brengt en de kinderen daar ophaalt en dat de grootouders vaderszijde dit ook één of twee dagen per week doen. Op die manier hoeft de vrouw enkel nog één dag per week de kinderen naar school te brengen en op te halen. Daarnaast vindt de Raad dat er meer zicht moet komen op wat er allemaal speelt binnen het systeem door middel van een onderzoek door de Raad. De Raad adviseert om verder tot de bodemprocedure geen veranderingen aan te brengen in de situatie, met uitzondering van het hiervoor geadviseerde.

5. De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Gelet op de woonplaats van de man in België, draagt deze zaak een internationaal karakter. Gelet op deze internationale aspecten moet de rechtbank eerst vast stellen of de rechtbank rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is, voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling.

Op grond van artikel 7 lid 1 van de Verordening Brussel II-ter zijn in zaken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe. Op grond van artikel 265 Rv is de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, relatief bevoegd nu de minderjarigen hun woonplaats hebben in het arrondissement van deze rechtbank.

Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om op de verzoeken te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op de vraag worden toegepast.

Inhoudelijke beoordeling

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 223 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechtbank een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.

In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).

Naar het oordeel van de rechtbank hangen de onderhavige verzoeken samen met de verzoeken in de bodemprocedure, zodat de man kan worden ontvangen in zijn verzoeken

Spoedeisendheid

Ter beantwoording van de vraag of er plaats is voor een toewijzing van de verzoeken van de man tot het vaststellen van voorlopige voorzieningen als voormeld dient de rechtbank te onderzoeken of hierbij een voldoende spoedeisend belang bestaat. Van een voldoende belang bij toewijzing van dergelijke verzoeken is sprake indien van de eisende partij niet kan worden gevergd dat deze de afloop van de bodemprocedure afwacht. De rechtbank dient daarbij de belangen van alle betrokkenen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.

De man stelt dat er sprake is van spoedeisend belang ten aanzien van zijn verzoeken, omdat de kinderen niet naar school gaan. Ten tijde van het indienen van het verzoek was dat inderdaad het geval, echter is tijdens de zitting door de vrouw aangegeven dat de kinderen sinds februari 2026 weer naar school gaan, met uitzondering van enkele dagen. De man heeft dit niet betwist. De vrouw heeft hier verklaringen voor gegeven, echter er zijn nog altijd zorgen over de schoolgang van de kinderen. Deze zorgen zijn de afgelopen periode niet verminderd. De rechtbank stelt daarom vast dat sprake is van voldoende spoedeisend belang ten aanzien van de verzoeken van de man onder I, II en IV tot en met IX.

Ten aanzien van het verzoek van de man om voorlopig toestemming te verlenen voor inschrijving van de kinderen op school in [plaats 1] per aanvang van het schooljaar van 2026/2027 is de rechtbank van mening dat het spoedeisend belang ontbreekt. De bodemprocedure staat gepland in mei 2026, ruim voor de start van het schooljaar 2026/2027. Daarnaast heeft de man de kinderen inmiddels al aangemeld voor een school in [plaats 1] . De rechtbank zal dit verzoek van de man dan ook afwijzen, nu het spoedeisend belang ontbreekt.

Raadsonderzoek

De rechtbank heeft, net als de Raad, veel zorgen over de schoolgang van de kinderen. Deze zorgen spelen al langere tijd. De leerplichtambtenaar is eerder al betrokken geweest en in oktober 2024 is de vrouw veroordeeld wegens ongeoorloofd aanhoudend schoolverzuim. De verzoeken van de man hebben echter dusdanig vergaande, allesomvattende en ingrijpende consequenties voor de kinderen, dat deze verzoeken zich niet lenen voor een voorlopige voorziening, vanwege de aard van deze procedure. De verzoeken van de man komen namelijk neer op een spiegelbeeld van de huidige situatie. Een beslissing over de verzoeken van de man zou in dit geval feitelijk neerkomen op een beslissing over het verhuizen van de kinderen naar [plaats 1] in België, een verandering van school voor de kinderen en het wijzigen van de zorgregeling, in die zin dat deze wordt omgedraaid. De rechtbank heeft op dit moment, zonder nader diepgravend onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet leent, onvoldoende zicht op welke beslissingen in het belang zijn van de kinderen. Dit betreffen namelijk beslissingen in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Een procedure in de zin van dit artikel is gericht op een grondige en nauwgezette belangenafweging. Gelet op de aard van de voorlopige voorziening procedure en het beperkte toetsingskader is voor een dergelijke vergaande belangenafweging in een voorlopige voorziening procedure geen plaats. De rechtbank zal de verzoeken van de man dan ook afwijzen.

De rechtbank acht van belang dat er meer zicht komt op voornoemde zorgen en ziet daarom aanleiding om nu reeds het door de vrouw verzochte raadsonderzoek te gelasten. Ook de man en de Raad hebben ter zitting te kennen gegeven de noodzaak voor een dergelijk onderzoek door de Raad te onderschrijven. De Raad wordt daarom ten behoeve van en vooruitlopend op de hiervoor genoemde bodemprocedure (geregistreerd onder zaaknummer C/02/ 444636 FA RK 26-566), verzocht om een onderzoek te doen ter beantwoording van de volgende vragen:

- In hoeverre komt een wijziging van de hoofdverblijfplaats, conform het verzoek van de man, tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?

- In hoeverre komt een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?

- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?

- Bestaat er, bij instandhouding van het gezamenlijk gezag van beide ouders, een onaanvaardbaar risico dat de minderjarigen klem of verloren zal raken tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van de minderjarigen te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?

- Is er hulpverlening noodzakelijk voor partijen en/of de kinderen, en zo ja, welke hulpverlening wordt passend geacht?

- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in de rapportage en het advies te vermelden?

De informatie vanuit de momenteel betrokken hulpverlening kan worden meegenomen in het onderzoek van de Raad.

De rapportage van de Raad dient te worden ingediend in de bodemprocedure, bekend onder zaaknummer C/02/444636 FA RK 26-566.

De rechtbank acht het verder van groot belang dat de kinderen de komende periode naar school blijven gaan, nu de zorgen om de schoolgang de reden is dat de man de verzoeken heeft ingediend. Op dit moment gaan de kinderen naar school. De vrouw geeft aan dat zij de kinderen de komende tijd naar school zal blijven brengen en hen zal ophalen. Ook is er inmiddels hulpverlening betrokken bij de vrouw vanuit [zorgorganisatie] . Tijdens de zitting is besproken dat het van belang is dat er een vangnet is, voor het geval het de vrouw niet lukt om de kinderen naar school te laten gaan. Zo is de mogelijkheid besproken dat de ouders van de man de vrouw ondersteunen in het brengen en halen van de kinderen.

Proceskosten

Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over een van hun kinderen gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij haar eigen kosten moet dragen.

6. De beslissing

De rechtbank

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Breda, om ten behoeve van en vooruitlopend op de bodemprocedure met zaaknummer C/02/444636 FA RK 26-566 een onderzoek te (doen) verrichten en vervolgens rapport en advies uit te brengen ter beantwoording van de onder rechtsoverweging 5.11 vermelde vragen, welk rapport dient te worden ingebracht in bovengenoemde bodemprocedure;

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. Van Oorschot, griffier.

verzonden op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Van Oorschot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand