RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
vonnis
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
zaaknummer: C/02/444851 KG ZA 26-70
Vonnis in kort geding van 13 april 2026
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
gedaagde in reconventie,
advocaat: mr. V.J.C. Pieters gevestigd te Goes,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. I.H.T.J. Anthonise-Gieling te Goes.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie;
- de brief d.d. 25 maart 2026 van mr. Pieters, met bijlagen;
- de mondelinge behandeling op 27 maart 2026;
- de pleitnota van mr. Pieters.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
Tijdens de zitting zijn verschenen de partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordigster namens de Raad om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.
Voor deze zitting heeft de rechter met na te noemen minderjarigen op 26 maart 2026 gesproken over het verzoek. De kinderrechter heeft op de zitting van 27 maart 2026 samengevat wat de minderjarigen naar voren hebben gebracht en partijen zijn in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Partijen zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn de navolgende thans nog minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2012;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2014.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
De minderjarigen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.
Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 13 februari 2024 is, voor zover thans van belang, bepaald dat er in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de man en de minderjarigen met ingang van 19 februari 2024 een zorgregeling geldt, inhoudende dat de minderjarigen eens in de veertien dagen van donderdagmiddag uit school tot maandagmiddag uit school bij de man zullen verblijven, alsmede de helft van de mei-, zomer- en kerstvakantie.
3. De vorderingen
De man vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
1. Te bepalen dat de minderjarige kinderen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2012 en [minderjarige 2] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2014 aan vader worden toevertrouwd in afwachting van de uitkomst van de op te starten bodemprocedure tot wijziging van het hoofdverblijf van beide minderjarige kinderen;
2. Te bepalen dat de Raad voor de Kinderbescherming vooruitlopend op de (uitkomst van de) nog op te starten bodemprocedure opdracht krijgt om te onderzoeken en te adviseren
wat de in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gewenste hoofdverblijfplaats is en wat de voor hen gewenste zorgregeling met de andere ouder is of althans een beslissing die de rechtbank juist acht.
De vrouw voert verweer tegen de vordering onder 1 van de man in conventie en concludeert tot afwijzing hiervan.
In reconventie vordert de vrouw bij vonnis, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad,
I. Te bepalen dat geen wijzigingen worden aangebracht in inschrijving, school, huisarts of andere belangrijke voorzieningen totdat nader onderzoek heeft plaatsgevonden;
II. Zo nodig een bijzondere curator te benoemen;
III. Te bepalen dat de feestdagen/vakantie regeling uit het ouderschapsplan per direct weer uitgevoerd zal worden;
IV. Althans een beslissing te nemen die de voorzieningenrechter in het belang van de minderjarigen juist acht;
V. Kosten rechtens.
4. De beoordeling
Spoedeisend belang
Op grond van artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van partijen bij hun vorderingen vast nu gebleken is dat er reeds geruime tijd geen contact is tussen de vrouw en de minderjarigen.
Processueel
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Gelet op het karakter van de procedure in kort geding is geen plaats voor een diepgaand onderzoek naar de situatie van partijen. Een dergelijk onderzoek kan eventueel in de latere bodemprocedure plaatsvinden.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Alvorens te beslissen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders te beproeven.
Ingevolge artikel 1:253a lid 2 BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Op grond van lid 2 van dit artikel kan deze regeling omvatten:
een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken;
de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;
de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank heeft op 26 maart 2026 met beide minderjarigen gesproken. Zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 1] hebben duidelijk aangegeven dat zij wel contact willen met moeder, maar er ook mee te zitten hoe dat contact dan weer moet opstarten. Ze willen onder andere geen discussie of ruzie over het feit dat ze beiden naar papa zijn gegaan. Beide geven ook aan dat het contact daarom eerst begeleid moet worden en dat er dan kan worden opgebouwd naar een normale regeling.
Met de ouders overweegt de rechtbank dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al sinds het uiteengaan van partijen (zo’n 10 jaar geleden) klem zitten tussen ouders. Ondanks de ondertoezichtstelling en de in dat kader betrokken hulpverlening gedurende vijf jaar, en de betrokken hulpverlening daarna in vrijwillig kader, maken de ouders het voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot op heden niet mogelijk om onbelast contact te hebben met beide ouders. Het is de verantwoordelijkheid van beide ouders om een spreekwoordelijke brug te slaan tussen de gezinssituatie van de vader en van de moeder, hetgeen hen tot op heden niet lukt. Dit strookt niet met het feit dat kinderen van nature loyaal zijn aan beide ouders. Het is voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van essentieel belang dat beide ouders er tegelijkertijd voor hen kunnen zijn. De minderjarigen hebben een vader en een moeder nodig om te ontdekken “wie ben ik” en “waar kom ik vandaan”. De keuze van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de opvoedomgeving van vader, acht de rechtbank dan ook niet in hun belang.
Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van ernstige tekortkomingen in de opvoedomgevingen van de ouders, op grond waarvan het wenselijk en in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zou zijn om het contact met de andere ouder te ontzeggen. De rechtbank kan de keuze van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dan ook niet anders dan plaatsen in het licht van het loyaliteitsconflict waarin zij al jarenlang verkeren. Bovendien heeft de Raad toegelicht dat de minderjarigen in deze situatie hun gedrag en uitlatingen zullen afstemmen op datgene waarvan zij denken dat de ouder (in dit geval de vader) wil horen/zien. Dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun moeder op dit moment zo stellig afwijzen, kan daarom – zo begrijpt de rechtbank – niet gezien worden als een authentieke wens van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , maar is gebaseerd op het feit dat zij zich genoodzaakt zien een keuze te maken om overeind te blijven binnen de voortdurende reeds jarenlange strijd tussen de ouders en het loyaliteitsconflict wat zij daardoor ervaren. Ondanks het feit dat reeds ten tijde van de ondertoezichtstelling door de hulpverlening is opgemerkt dat de minderjarigen het nodig hebben dat de ouders keuzes maken en knopen doorhakken, zijn het nu toch [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geweest die de keuze hebben (moeten) maken. Dat vader de minderjarigen indirect heeft bevestigd in de keuze die zij hebben gemaakt, acht de kinderrechter dan ook zeer kwalijk.
De rechtbank acht het noodzakelijk en in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de situatie zo snel mogelijk normaliseert. De minderjarigen moeten gaan ervaren dat zij contact kunnen hebben met beide ouders, zonder dat zij daarmee de andere ouder afwijzen.
Alles afwegende acht de rechtbank het dan ook in het belang van de minderjarigen dat zij zo snel mogelijk weer contact hebben met de moeder, zodat hun “keuze” niet langer wordt bevestigd en de angst om de moeder weer een eerste keer te zien, niet onnodig groot wordt. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank het volgende:
Binnen 2 weken na de datum van dit vonnis gaan beide minderjarigen met moeder de hond uitlaten gedurende 1 uur. Dit zal plaatsvinden op een vrijdagmiddag direct na school. Mocht [minderjarige 2] of [minderjarige 1] eerder uit zijn dan geldt dat degene die het laatste uit is, zijn broer ophaalt en dan fietsen ze gezamenlijk naar moeder. Beide minderjarigen fietsen daarna (gezamenlijk, maar zonder ouder) terug naar vader.
Vervolgens zal er die vrijdag daarna wederom een contactmoment zijn van 1 uur waarbij moeder en de jongens gezamenlijk de hond uitlaten.
Daarna zal er gedurende twee weken een contactmoment zijn op vrijdag na school, beide jongens fietsen zelfstandig uit school naar moeder, tot na het avondeten. Mocht [minderjarige 2] of [minderjarige 1] eerder uit zijn dan geldt dat degene die het laatste uit is, zijn broer ophaalt en dan fietsen ze gezamenlijk naar moeder. Beide minderjarigen fietsen daarna (gezamenlijk, maar zonder ouder) terug naar vader.
Daarna zal er twee weken een contactmoment zijn van vrijdag na school, beide jongens fietsen zelfstandig uit school naar moeder, tot zondag na het avondeten. Mocht [minderjarige 2] of [minderjarige 1] eerder uit zijn dan geldt dat degene die het laatste uit is, zijn broer ophaalt en dan fietsen ze gezamenlijk naar moeder. Beide minderjarigen fietsen daarna (gezamenlijk, maar zonder ouder) terug naar vader.
Daarna, aldus na het verloop van 7 weken zal er een voorlopige zorgregeling gelden, waarbij er tussen de vrouw en de minderjarigen contact is eens in de veertien dagen van donderdagmiddag uit school tot maandagmiddag uit school, alsmede de helft van de mei-, zomer- en kerstvakantie.
De rechtbank is verder van oordeel dat het gedurende deze voorlopige opbouwregeling van belang is dat beide ouders zich aan de afspraken houden zoals deze zijn gemaakt en vastgelegd in het borgingsplan van het Leger des Heils van 4 juni 2024, waarbij de rechtbank het daarnaast en deels overlappend noodzakelijk vindt dat de ouders zich houden aan het volgende:
Er wordt zo snel mogelijk via de gemeente een kindbehartiger voor de minderjarigen ingezet, zodat zij beide hun verhaal kwijt kunnen.
Beide ouders zoeken zo snel mogelijk een vorm van professionele opvoedondersteuning, zodat zij gesprekken kunnen voeren en inzicht krijgen over de keuzes die zij maken in de opvoeding van de minderjarigen.
Moeder zal niet anders dan op initiatief van de minderjarigen spreken over de keuze van de minderjarigen om naar vader te gaan. Als (een van) de minderjarigen het er toch over wil hebben, zal moeder niet boos worden, maar enkel interesse tonen en hen actief geruststellen dat zij alles kunnen zeggen, zonder dat zij hun keuze zal veroordelen.
Vader zal op geen enkele wijze met de minderjarigen spreken over de thuissituatie bij moeder. Als de minderjarigen zich bij vader melden met klachten, dan zal hij de minderjarigen aanmoedigen om daarover met moeder of de kindbehartiger te spreken en/of met hun begeleiders op school.
Wanneer de minderjarigen wederom weglopen bij een van de ouders, is het aan de ouder waar de minderjarigen zich dan toe wenden om hen terug te brengen naar de ouder waar zij dan op grond van de vastgestelde zorgregeling dienen te zijn. Hierbij is het wederom belangrijk dat de ouders de minderjarigen geruststellen dat het goed en veilig is bij de andere ouder te verblijven. De minderjarigen mogen geenszins het gevoel hebben te mogen dan wel moeten kiezen waar zij verblijven.
De rechtbank zal verder bepalen dat dit vonnis niet door ouders met de jongens wordt besproken, maar door de begeleiders van de jongens op school. Voor [minderjarige 2] is dat de contactmeester waarmee hij af en toe individuele gesprekjes heeft en voor [minderjarige 1] is dat – voor zover de rechtbank nu kan beoordelen - de caseholder van het Zat-dossier. Dit dient zo snel mogelijk na afgifte van het onderhavig vonnis door beide ouders met school afgestemd te worden, zodat er binnen twee weken na de datum van dit vonnis gestart kan worden met voornoemde voorlopige zorgregeling.
De rechtbank wijst beide ouders erop dat de rechtbank met dit vonnis de spreekwoordelijke brug probeert te slaan tussen beide ouders, zodat het voor de minderjarigen niet alleen in het heden, maar ook in de toekomst, mogelijk wordt om onbelast en vrij contact te hebben met beide ouders. De rechtbank verwacht dan ook van beide ouders dat zij hun verantwoordelijkheid daarin nemen, en onverkort uitvoering zullen geven aan het bepaalde in onderhavig vonnis.
De rechtbank zal geen raadsonderzoek gelasten om te onderzoeken welke zorgregeling in de verdere toekomst het meest in het belang van de minderjarigen is. Mede gelet op het tijdens de zitting gegeven advies van de Raad is de rechtbank van oordeel dat reeds zeer uitvoerig onderzoek is gedaan, waarbij dezelfde problematiek tussen de ouders aan de orde was. De rechtbank acht een nieuw onderzoek naar de zorgregeling dan ook niet van meerwaarde nu niet de verwachting is dat hier thans andere conclusies uit zullen volgen ten aanzien van het hoofdverblijf dan wel de zorgregeling. Bovendien verwacht de rechtbank van beide ouders dat zij verantwoordelijkheid gaan nemen, en zich niet meer verschuilen achter de regie van een GI of casusregisseur of achter een advies van de Raad. Het zijn de ouders in dit geval die het verschil voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen maken.
Voorts zal de rechtbank geen bijzondere curator benoemen. Zoals ook in het advies van de Raad naar voren is gekomen is de rechtbank van oordeel dat gezien het loyaliteitsconflict waarin de minderjarigen zich bevinden en in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, de regie niet bij de minderjarigen dient te worden gelegd. De vraag is in hoeverre de minderjarigen daadwerkelijk kunnen aangeven wat zij willen, nu zij zo klem zitten tussen beide ouders. De rechtbank wil de minderjarigen voorts niet in een positie zetten waarbij het, gevoelsmatig, aan hen is om te kiezen tussen de ouders. Temeer nu dit nadrukkelijk niet in hun belang wordt geacht. De minderjarigen moeten door de ouders in staat worden gesteld door de ouders om met hen allebei een goed contact te hebben.
De rechtbank zal in afwachting van het verloop van voornoemde voorlopige zorgregeling geen andere wijzigingen brengen in het hoofdverblijf van de minderjarigen. In de bodemzaak kan het verloop daarvan worden besproken en verdere keuzes worden gemaakt die in het belang zijn van de minderjarigen. De rechtbank acht het nu in het belang van de minderjarigen, dat zij het signaal krijgen dat zij van beide ouders mogen houden, met beide ouders onbelast en vrij contact moeten kunnen hebben en dat beide ouders daar ook allebei achter staan. Eventuele zakelijke of financiële belangen zijn daaraan ondergeschikt, en kunnen dan ook geen reden zijn om anders te beslissingen. Afspraken over zakelijke en/of financiële zaken dienen ouders buiten het zicht van de minderjarigen op te lossen, eventueel met behulp van hun advocaten, zoals door de advocaat van moeder reeds is voorgesteld ter zitting.
Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
bepaalt dat de vrouw en de minderjarigen voorlopig gerechtigd zijn tot contact met elkaar conform hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.11;
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde in conventie en in reconventie af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Voorn, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. Oude Weernink, griffier.