RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447024 / JE RK 26-636
Datum uitspraak: 13 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2024 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2020 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 13 april 2026.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun ouders.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd met ingang van 1 augustus 2025 tot 1 augustus 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van [geboortedag 1] 2026 een deeltijdmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verleend in een voorziening voor pleegzorg voor een deel van de weekenden en een deel van de vakanties met ingang van [geboortedag 1] 2026 tot het einde van de ondertoezichtstelling.
3. Het verzoek
De GI verzoekt een brede (spoed)machtiging te verlenen om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin, dan wel een gezinsgerichte voorziening of in een accommodatie jeugdhulp voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
Aansluitend verzoekt de GI een brede machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen in een pleeggezin dan wel een gezinsgerichte voorziening of in een accommodatie jeugdhulp voor de duur van de ondertoezichtstelling.
4. De beoordeling
Op grond van artikel 1:265b, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op grond van artikel 800, derde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking over een uithuisplaatsing van een minderjarige aanstonds worden afgegeven, te weten zonder daaraan voorafgaand horen van partijen, indien de mondelinge behandeling van het verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de jeugdige.
Uit het schriftelijk gedane verzoek en de overgelegde stukken blijkt onder meer het volgende. Op zaterdag 11 april 2026 heeft er een escalatie plaatsgevonden in de woning van de ouders. Die avond hadden de ouders veel gedronken en had de vader cocaïne gesnoven, terwijl [minderjarige 1] boven lag te slapen. [minderjarige 2] was dat weekend logeren bij oma moederszijde (mz). De moeder heeft die avond aangegeven verliefd te zijn geworden op een andere man. Zij is vervolgens met die andere man uit de woning vertrokken. De vader heeft vervolgens met spullen in de woning gegooid, terwijl [minderjarige 1] nog boven lag te slapen. De volgende dag heeft hij [minderjarige 1] naar oma vaderszijde (vz) gebracht. Hierna is de vader naar de woning van de andere man gegaan, waar hij geprobeerd heeft om de deur in te trappen. Hierop is de vader door de politie opgepakt en heeft hij tot zondagavond 12 april 2026 vastgezeten. De politie is daarna met de vader naar zijn woning gegaan. Hier trof de politie een sterk vervuilde woning aan waarbij er bierflesjes in de woning te vinden waren en pijnmedicatie in handbereik van de kinderen lag. Oma (vz) heeft [minderjarige 1] vervolgens naar oma (mz) gebracht. Oma (mz) heeft op 13 april 2026 om 9:00 uur aangegeven dat zij niet langer de zorg kan dragen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Tegen het advies van de GI in zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door vader, oma (vz) en een oom bij oma (mz) opgehaald. Oma (vz) heeft echter geen beschikbare ruimte voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in haar woning. Daarnaast is sprake van een ingewikkelde verstandhouding tussen de vader en oma (vz) en houdt oma (vz) de verslaving van de vader in stand door hem geld te geven. De moeder heeft in de ochtend van 13 april 2026 de GI gebeld met de mededeling dat zij nu bij haar nieuwe vriend verblijft en dat de GI op zoek moest gaan naar een veilige plek voor de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij vindt het niet veilig om de kinderen alleen bij de vader te laten. De vader heeft de GI in de ochtend van 13 april 2026 ook gebeld. Hij heeft aangegeven momenteel emotioneel niet stabiel genoeg te zijn om voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te zorgen. In het netwerk van de ouders is er geen geschikte plek voor de opvang voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aanwezig.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis worden geplaatst. Een plaatsing in het netwerk is daarbij niet mogelijk gebleken.
Omdat de ouders op dit moment niet beschikbaar zijn voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hen gelet op de aangetroffen thuissituatie en hun middelengebruik geen veilige en stabiele opvoedsituatie kunnen bieden, is de kinderrechter daarnaast van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen voor de duur van twee weken. Verdere beslissingen op de (resterende) verzoeken zal de kinderrechter pas nemen nadat die zitting heeft plaatsgevonden
De kinderrechter verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
De GI, de moeder en de vader worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de zitting. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg dan wel een gezinsgerichte voorziening of in een accommodatie jeugdhulpaanbieder met ingang van 13 april 2026 tot 27 april 2026;
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad
houdt de behandeling van de verzoeken voor het overige aan;
roept de GI, de vader en de moeder op voor de zitting van mr. Van de Kraats op 23 april 2026 om 11:15 uur in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, aan Stationslaan 10 in Breda;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting.
Deze beschikking is gegeven door mr. Maandag, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026, in aanwezigheid van de griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.