RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445766 / JE RK 26-391
Datum uitspraak: 13 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING, gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2012 te [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2021 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende, althans laatstelijk verblijvende, te [plaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende op een geheim adres,
advocaat mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 maart 2026;
de brief van mr. Van Kerkhof van 30 maart 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- Mr. Van Kerkhof namens de vader;
- twee vertegenwoordigers van de GI. .
De moeder en de vader zijn niet verschenen.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. Echter heeft zij ervoor gekozen om haar mening over het verzoek niet kenbaar te maken.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Bij beschikking van 17 april 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 17 april 2025 tot 17 april 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en om de beslissing daarnaast uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI legt – kort samengevat – aan haar verzoek ten grondslag dat zij onlangs heeft moeten besluiten om de omgang tussen de moeder en de kinderen stop te zetten omdat de moeder zich niet hield aan de voorwaarden voor omgang. Zo belastte de moeder de kinderen met negatieve verhalen over de vader en vond er in het bijzijn van de kinderen softdrugsgebruik plaats. Tegelijkertijd kreeg [minderjarige 1] in toenemende mate last van stress-gerelateerde fysieke klachten. Na het besluit van de GI om de omgang tijdelijk stop te zetten bleek [minderjarige 1] opgelucht.
Bij [minderjarige 2] is sprak van een achterstand in haar spraak- en taalontwikkeling. Er bestaat het vermoeden dat zij TOS heeft.
Vanwege dreigementen vanuit de moeder en vanuit haar netwerk ten opzichte van de vader vonden er met het Zorg- en Veiligheidshuis, Sterk Huis en de politie diverse overleggen plaats en zijn er veiligheidsmaatregelen genomen. Onlangs, eind februari 2026, heeft de GI vernomen dat de moeder uit [zorgorganisatie 1] is geplaatst vanwege verbaal en fysiek geweld richting medebewoners en begeleiders. De moeder ontkent dit.
Ter zitting geeft de GI aan dat de moeder inmiddels ook niet meer verblijft aan het BRP-adres dat door de GI bij het verzoek werd aangedragen en waar de rechtbank de moeder vervolgens heeft opgeroepen. De moeder zou momenteel niet meer beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats en zou verblijven bij haar familie of bij haar vriend.
Volgens de GI weet zijzelf de moeder nog wel telefonisch en /of per mail te bereiken.
De hulpverlening rondom het contactherstel tussen de kinderen en de moeder, alsook de ondersteuning bij de oudercommunicatie, zou recent starten bij [zorgaanbieder] .
Echter is aan deze hulp voortijdig een einde gekomen. De GI zet momenteek in op hulp vanuit [zorgorganisatie 2] . [minderjarige 1] gaat starten met PMT om meer zelfbewustzijn en zelfvertrouwen op te kunnen bouwen. Voor het inzetten van traumatherapie ervaart zij nog te veel spanningen. Volgens de GI geeft de moeder aan dat zij bezig is met traumatherapie bij de GGZ.
De vader is van mening dat nog steeds aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling wordt voldaan. Met het verzoek stemt de vader in.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter neemt hierbij in aanmerking dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door het huiselijke geweld dat zij hebben meegemaakt een belast verleden kennen. Daarbij zijn zij door de moeder, die kampt met forse persoonlijke problematiek, meermaals in onveilige situaties gebracht. Ook heeft de moeder de kinderen belast met negatieve uitlatingen over de vader en heeft zij de kinderen in een omgeving gebracht waar er sprake is van softdrugsgebruik. De GI zag zich hierdoor genoodzaakt om de omgang tussen de moeder en de kinderen tijdelijk stop te zetten.
Hierbij komt dat de ouders nog steeds niet in staat zijn om met elkaar over de kinderen te communiceren en om met elkaar samen te werken. [minderjarige 1] is van dit alles te veel stress gaan ervaren ten gevolge waarvan zij weer fysieke klachten is gaan ervaren. Bij [minderjarige 2] is ernog steeds sprake van een achterstand in haar spraak- en taalontwikkeling.
Daarmee wordt de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig bedreigd.
Niet wordt verwacht dat de ouders al in staat zijn om deze ontwikkelingsbedreiging met vrijwillige hulpverlening te doen afnemen. De ondertoezichtstelling is dan ook nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Als hulpverleningsdoelen binnen de ondertoezichtstelling worden aangemerkt:.
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen actief deelnemen aan onderwijs;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen opkomen voor zichzelf, zijn zich bewust van eigen grenzen en kunnen deze aangeven;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben onbelast contact met beide ouders;
- [minderjarige 1] draag verantwoordelijkheid passend bij haar leeftijd.
Ter zitting is gebleken dat de rechtbank de oproeping naar de moeder voor de zitting heeft gestuurd naar het BRP-adres waar zij op dat moment al niet meer zou verblijven. Het was aan haar om zich uit te schrijven van dit adres en om haar nieuwe verblijfplaats te laten registreren dan wel om deze door te geven aan de GI.
De rechtbank ziet hierin aanleiding om de ondertoezichtstelling voor een kortere duur te verlengen en om het verzoek voor het overige tot de na te melden zitting aan te houden.
De GI en mr. Van Kerkhof hebben zich ter zitting met deze nadere datum en dit nadere tijdstip akkoord verklaard. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij uiterlijk twee weken vóór na te melden zittingsdatum schriftelijk verslag zal uitbrengen over het verloop van de maatregel en de hulpverlening, zoals over de (eerste bevindingen) van [zorgorganisatie 2] . Verder dient de GI haar standpunt te geven ten aanzien van het resterend deel van het verzoek. Mocht de GI een nader adres van de moeder kunnen achterhalen dan wordt deze verzocht om dit door te geven aan de rechtbank opdat de moeder op de juiste wijze kan worden opgeroepen.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 17 april 2026 tot 17 juni 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek aan tot de mondelinge behandeling van [datum] 2026 te [uur], bij kinderrechter mr. Maandag van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, [locatie] ;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor de nadere mondelinge behandeling voor de GI, de vader en zijn advocaat en voor de moeder;
verzoekt de griffier de moeder op te roepen aan het door de GI (na afloop van de zitting) aangedragen e-mail adres van de moeder;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026 door mr. Bogaert, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 17 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.