RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446541 / FA RK 26-1611
Datum uitspraak: 13 april 2026
Beschikking rechterlijke machtiging
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1941 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [woonplaats] ,
verblijvende in een accommodatie van [verblijfplaats] ,
advocaat mr. F.E.R.M. Verhagen uit Breda.
1. Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 27 maart 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 april 2026. Daarbij zijn gehoord:
betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
mevrouw [nicht van betrokkene] , nicht van betrokkene;
[verpleegkundige 1] , verpleegkundige;
[verpleegkundige 2] , verpleegkundige.
2. Het verzoek
Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van zes maanden.
3. De standpunten
Betrokkene brengt, samengevat, naar voren dat zij veel verdriet heeft en graag naar huis wil. Betrokkene kan onder meer nog zelf koken. Verder geeft zij aan dat de verpleging hier goed voor haar is en ze helemaal niet mag klagen.
De verpleegkundigen voeren, samengevat, aan dat het een stuk beter met betrokkene gaat. In de thuissituatie is er een groot risico op vallen, op de afdeling vergeet betrokkene regelmatig haar rollator. De echtgenoot van betrokkene kan haar niet meer oppakken als zij in de thuissituatie valt. De echtgenoot van betrokkene komt elke dag op bezoek. Voorts geven de verpleegkundigen aan dat er een bepaalde onrust bij betrokkene is, maar zij hierin goed te begeleiden en te sturen is. Enerzijds geeft betrokkene soms aan dat ze liever naar huis gaat, anderzijds is zij niet zoekende naar een deur. Ook probeert ze niet mee te lopen met bezoek richting de lift.
De nicht van betrokkene geeft aan dat betrokkene 24-uurs zorg nodig heeft en dit een fijne plek is waar zij kan verblijven en haar echtgenote kan langskomen.
De advocaat bepleit afwijzing van het verzoek omdat betrokkene geen verzet toont.
4. De beoordeling
De rechter kan op verzoek van het CIZ een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf in een geregistreerde accommodatie verlenen als bedoeld in artikel 24 lid 1 Wzd. De machtiging kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van de rechtbank van betrokkene als gevolg van haar psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap, dan wel als gevolg van een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of een combinatie daarvan leidt tot ernstig nadeel. Daarnaast zijn de opname en het verblijf noodzakelijk om het nadeel te voorkomen of af te wenden en zijn er geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten dementie. Deze psychogeriatrische aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit ernstig nadeel bestaat uit het risico op ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang.
Echter, niet gebleken is dat er sprake is van verzet, hetgeen bij de mondelinge behandeling wordt bevestigd door de verpleegkundigen. Fysiek verzet wordt door betrokkene niet vertoond en ook bij de mondelinge behandeling laat betrokkene niet iets van gelijke strekking blijken. Voorts heeft de rechtbank bij de mondelinge behandeling vastgesteld dat uit het gedrag van betrokkene niet blijkt dat zij verzet toont of dat zij weg wil. Betrokkene berust kennelijk in het gegeven dat zij de zorg krijgt die zij nodig heeft. Betrokkene gedijt goed op de afdeling; zij accepteert de zorg en komt tevreden over. Nu er geen sprake is van verzet, is een rechterlijke machtiging naar het oordeel van de rechtbank niet nodig.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
5. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026 door mr. Janssen, rechter, in aanwezigheid van Vermare, griffier en op schrift gesteld op 23 april 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.