2. De feiten
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- zij hebben een affectieve relatie met elkaar gehad;
- uit hun relatie is het volgende nog minderjarige kind geboren:
[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020;
- [minderjarige] is door de man erkend. De vrouw is belast met het ouderlijk gezag over haar;
- bij beschikking van deze rechtbank van 1 november 2023 is bepaald dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar eenmaal per twee weken van vrijdag 19:00 uur (of zaterdag 10:00 uur indien de vader het op vrijdag niet haalt) tot zondag 17:00 uur en tijdens de genoemde vakanties en feestdagen. Daarnaast is bepaald dat de man met ingang van 1 november 2022 een kinderalimentatie dient te voldoen van € 300,= per maand.
3. De verzoeken
De man verzoekt, samengevat:
bepaling dat partijen voortaan gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige] zijn belast;
wijziging van de omgangsregeling c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van 1 november 2024 nader vast te stellen op € 50,= per maand.
De vrouw verzoekt zelfstandig, samengevat, te bepalen dat de man foto’s van [minderjarige] op
sociale media moet verwijderen en deze niet meer mag plaatsen, op straffe van een
dwangsom van € 100,= per dag voor iedere dag dat de man dit verbod overtreedt.
4. De beoordeling
Gezamenlijk gezag
De man verzoekt te bepalen dat hij en de vrouw voortaan samen belast zijn met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Ter onderbouwing hiervan stelt de man dat partijen een jaar geleden al hadden afgesproken dat zij het gezamenlijk gezag zouden regelen. Inmiddels is de verstandhouding verslechterd en wenst de vrouw hier niet meer aan mee te werken. De man is vanaf de geboorte actief betrokken bij [minderjarige] , onderhoudt contact met school, woont oudergesprekken bij en draagt de zorg tijdens de omgangsweekenden. Dat de communicatie tussen ouders soms moeizaam verloopt, vormt op zichzelf geen grond om gezamenlijk gezag te weigeren. Het ontbreken van inspraak en overleg bij beslissingen die moeten worden genomen, vergroot de ongerustheid bij de man. Vader wenst in overleg beslissingen te nemen, zeker over medische zorg en begeleiding. De instanties informeren hem nu niet, omdat hij geen gezag heeft. Dat zorgt voor frustratie. Hij wil niet alleen geïnformeerd worden over besluiten die al zijn genomen, maar hij wenst een gelijkwaardige positie als ouder. De eenmalige escalatie op 22 augustus 2025 tijdens de overdracht van [minderjarige] is geen reden om het gezamenlijk gezag te weigeren.
De vrouw voert hiertegen verweer. Het belang van [minderjarige] lijkt bij het verzoek van de man niet op de voorgrond te staan. Volgens haar was het geen eenmalig incident in augustus 2025, maar er is sprake van een patroon waarin de man grenzen niet accepteert. De man heeft van dit incident een melding bij Veilig Thuis gemaakt, waarbij hij Veilig Thuis onjuist heeft voorgelicht. De man heeft zijn zorgen bovendien nooit met de vrouw besproken. Dit heeft het vertrouwen en het gevoel van veiligheid van de vrouw beschadigd, nu het lijkt alsof de man bezig is met het verzamelen van bewijs tegen de vrouw. De man is ook veelvuldig met [minderjarige] naar de huisarts(enpost) geweest, zonder overleg met de vrouw. Dit, terwijl de man de vrouw verwijt dat zij hem niet voldoende informeert. De vrouw informeert de man echter wel. Hij is ook mee geweest naar ouderavonden en de intake bij [revalidatiecentrum] . Gezamenlijk gezag brengt het risico met zich dat [minderjarige] klem of verloren zal raken. Er is het een en ander met [minderjarige] aan de hand, waarvoor zij behandeling nodig heeft. Dat dient prioriteit te hebben en niet te worden vertraagd door de man. De vrouw vreest dat de man zich niet meer aan de afspraken zal houden.
De vertegenwoordiger van de Raad heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij zorgen heeft over de communicatie tussen de ouders. Hoewel de ouders heel ver zijn gekomen, doordat zij een concept ouderschapsplan hebben opgesteld, blijft sprake van wantrouwen over en weer. Daar moet aan gewerkt worden en partijen moeten leren over wanneer ze elkaar moeten informeren. Gelet hierop is de Raad van mening dat partijen eerst aan de basis moeten gaan werken. Op dit moment brengt gezamenlijk gezag het risico mee dat de ouders het ergens niet over eens zijn, maar dit is niet in het belang van [minderjarige] .
Op grond van artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Uit het tweede lid van voornoemd artikel volgt dat indien dit verzoek ertoe strekt de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten en de andere ouder met dit gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank stelt voorop dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt is. Uit de door de vrouw als productie 9 overgelegde brief, met als bijlage een concept ouderschapsplan, blijkt dat partijen het er ook over eens waren dat zij voortaan gezamenlijk het gezag over [minderjarige] zouden gaan uitoefenen. Dat is nog niet gerealiseerd. Na een overdracht van [minderjarige] na een omgangsmoment tussen de man en [minderjarige] in augustus 2025 en de melding van de man bij Veilig Thuis, is de onderlinge communicatie verslechterd en het vertrouwen over en weer geschaad. De man heeft tijdens de zitting toegelicht waarom hij een melding heeft gemaakt bij Veilig Thuis. Veilig Thuis heeft besloten geen onderzoek te gaan doen. Dat neemt echter niet weg dat het vertrouwen van de vrouw daardoor is beschadigd. Net als de Raad heeft de rechtbank zorgen over de onderlinge communicatie/verhouding tussen partijen. Enkel een slechte communicatie tussen de ouders is echter onvoldoende om af te wijken van het wettelijk uitgangspunt van gezamenlijk gezag. Partijen dienen hun communicatie te verbeteren en het vertrouwen in elkaar te herwinnen. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat zij zijn verwezen naar [jeugdorganisatie] voor ouderschapsbemiddeling. Dat is de aangewezen manier om aan de communicatie en het vertrouwen te werken. De rechtbank acht het van belang dat voor de start van het ouderschapsbemiddelingstraject duidelijkheid wordt gegeven over het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag. Duidelijkheid zorgt ervoor dat het gezag geen onderwerp van discussie meer tussen partijen hoeft te zijn. Dat betekent dat het verzoek niet zal worden aangehouden, ondanks dat de Raad dit heeft geadviseerd. De rechtbank acht het van belang dat partijen met een gelijkwaardige positie starten aan het hulpverleningstraject: als ouder met gezag. De focus kan daardoor worden gelegd op de samenwerking tussen partijen als de ouders van [minderjarige] en hoe zij in haar belang met elkaar gaan communiceren. Daar komt bij dat niet is gebleken dat de man zijn toestemming aan gezagsbeslissingen niet zal verlenen of dat in het verleden het geval is geweest. Er is een intakegesprek geweest voor behandeling van [minderjarige] bij [revalidatiecentrum] en zij staat op de wachtlijst voor behandeling bij [zorginstelling] . De man heeft ter zitting aangegeven dat hij hier ook achter staat. Ook is ter zitting gebleken dat [minderjarige] logopedie volgt, waarbij niet is gebleken dat de man daar niet achter staat. Gelet op al het voorgaande wordt het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag toegewezen, nu niet is gebleken dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Nu voortaan sprake is van gezamenlijk gezag, wordt gesproken over een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken/zorgregeling en niet van een omgangsregeling.
De man verzoekt de beschikking van 1 november 2023 te wijzigen in die zin dat een zorgregeling wordt vastgelegd waarbij hij en [minderjarige] éénmaal per twee weken van vrijdagmiddag uit school tot en met zondagavond 17:00 uur contact met elkaar hebben en waarbij de vakanties en feestdagen als volgt worden verdeeld:
voorjaarsvakantie: bij de man van vrijdagmiddag uit school tot en met de zondag een week later om 17:00 uur;
meivakantie: gedurende de tweede week bij de man van vrijdagavond 16:00 uur tot en met de zondag een week later om 17:00 uur;
zomervakantie: in de oneven jaren de eerste drie weken bij de man (van de eerste vakantiedag op donderdag of vrijdag tot en met de derde zondag om 17:00 uur) en in de even jaren de laatste drie weken bij de man (lopend van de derde zaterdag 10:00 uur tot en met de laatste zondag om 17:00 uur);
herfstvakantie: bij de man van vrijdagmiddag uit school tot en met de zondag een week later om 17:00 uur;
kerstvakantie: in de oneven jaren bij de man van Tweede Kerstdag 10:00 uur tot en met de laatste zondag van de kerstvakantie om 17:00 uur en in de even jaren van vrijdagmiddag uit school tot en met de ochtend van Tweede Kerstdag om 10:00 uur;
feestdagen: als een feestdag direct voorafgaat aan/volgt op een weekend dat [minderjarige] bij de man is, verblijft zij ook op die feestdag bij de man;
in het weekend van Vaderdag en de verjaardag van de man is [minderjarige] bij de man;
in het weekend van Moederdag en de verjaardag van de vrouw is [minderjarige] bij de vrouw;
studiedagen voorafgaand aan/aansluitend op een weekend of vakantie bij de man, is [minderjarige] ook op die studiedag bij de man;
waarbij de man [minderjarige] ophaalt van school of bij de vrouw en de vrouw [minderjarige] ophaalt. Ter onderbouwing van zijn verzoek stelt de man dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. Hij is al geruime tijd arbeidsongeschikt en in staat meer zorg voor [minderjarige] op zich te nemen. De man voegt daar aan toe dat de verzochte reguliere zorgregeling al enige tijd wordt uitgevoerd. Hij is ook in staat om met [minderjarige] naar afspraken te gaan, waarna hij de vrouw zal informeren. Duidelijkheid en voorspelbaarheid is van groot belang voor [minderjarige] . Omdat de man verder weg woont, wenst hij graag in de vakanties meer voor [minderjarige] te zorgen. De afgelopen jaren was [minderjarige] ook drie weken in de zomervakantie bij de man. De man heeft niet gemerkt dat [minderjarige] daar last van heeft gehad. Ten aanzien van het halen en brengen merkt de man op dat hij ten tijde van het uiteengaan van partijen ervoor heeft gekozen om de echtelijke woning te verlaten, om de rust in huis te bewaren. Een passende/betaalbare woning was destijds niet beschikbaar. Hij is nu, onder andere om een stabiele en kindvriendelijke omgeving te kunnen bieden, gaan samenwonen met zijn partner. Het is onredelijk dat zijn huidige woonplaats hem blijvend wordt tegengeworpen. Bovendien wordt de benzine steeds duurder. Ook zou het voor [minderjarige] goed zijn als zij wordt opgehaald door de vrouw.
De vrouw voert hiertegen verweer. Ten aanzien van de door de man verzochte reguliere zorgregeling merkt de vrouw op dat [minderjarige] nu op vrijdag om 12:00 uur door de man wordt opgehaald. Volgens de vrouw moet dit 17:00 uur worden. Daarmee wordt de wisseling voor [minderjarige] makkelijker. Daarnaast moet [minderjarige] trajecten gaan volgen bij [revalidatiecentrum] en [zorginstelling] , waarvan de afspraken waarschijnlijk op vrijdagmiddag gepland gaan worden. De vrouw wenst met [minderjarige] naar deze afspraken te gaan.
Ten aanzien van de vakanties merkt de vrouw op dat die niet moeten worden gewijzigd, met uitzondering van de zomervakantie. Drie weken aaneengesloten vindt de vrouw te lang, gelet op de leeftijd en ontwikkeling van [minderjarige] . Zij stelt voor dat [minderjarige] eerst twee weken bij ieder van de ouders verblijft en daarna nog één week. De reguliere zorgregeling moet volgens de vrouw worden hervat in het laatste weekend van de vakantie. Voor studiedagen geldt dat als zij grenzen aan het weekend van de man, hiermee het contact van de man kan worden uitgebreid. De vrouw wenst dat [minderjarige] tweede paasdag bij haar is. Ook tijdens Koningsdag kan [minderjarige] bij haar zijn, omdat er dan leuke activiteiten in haar woonplaats zijn waar klasgenootjes van [minderjarige] aan deelnemen.
Ten aanzien van het halen en brengen stelt de vrouw het volgende. Het minste wat de man kan doen nu hij ook een minimale kinderalimentatie betaalt, is het vervoer van [minderjarige] voor zijn rekening nemen. Omdat hij de huur niet betaalde van zijn woning in [geboorteplaats] , is hij uit die woning gezet. Dat hij er voor heeft gekozen in [woonplaats 1] te gaan wonen, komt voor zijn rekening en risico. Als de vrouw [minderjarige] moet ophalen, vindt zij 17:00 uur te laat.
De vertegenwoordiger van de Raad heeft aangegeven op deze specifieke geschilpunten van de zorgregeling eigenlijk geen advies te kunnen geven, nu voor beide voorstellen van ouders iets valt te zeggen. In het algemeen kan wel worden gesteld dat een verdeling van de zomervakantie in twee delen van drie weken door kleuters vaak als lang wordt ervaren. Als de verdeling zo blijft, kan dat worden opgelost door een videobelmoment af te spreken. Ook heeft een kind soms tijd nodig om te schakelen, zodat de reguliere zorgregeling kan worden hervat in het laatste weekend van een vakantie. Voor [minderjarige] is het vooral belangrijk dat er geen discussies meer zijn over de zorgregeling.
Op het onderhavige geschil zijn de artikelen 1:253a en 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing. Op grond van artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een zorgregeling wijzigen indien de omstandigheden nadien zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Het halen en brengen
De rechtbank overweegt allereerst dat de man is verhuisd naar [woonplaats 1] en op dit moment niet werkt, zodat sprake is van een wijziging van omstandigheden. De rechtbank zal eerst een oordeel geven over het halen en brengen, nu dat van invloed is op de eindtijd van de zorgregeling. Volgens het door de vrouw als productie 9 overgelegde concept ouderschapsplan hadden partijen afgesproken dat de man [minderjarige] zou halen en zou brengen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende aangevoerd waarom dat zou moeten worden veranderd. Dat de benzine duurder is geworden, maakt dat niet anders. De rechtbank zal dus beslissen dat de man [minderjarige] haalt en brengt (zowel bij de reguliere zorgregeling als bij de vakanties en feestdagen).
De reguliere zorgregeling
Met betrekking tot de reguliere zorgregeling overweegt de rechtbank dat partijen op dit moment uitvoering geven aan een regeling waarbij [minderjarige] één weekend per twee weken vanaf vrijdagmiddag uit school tot zondag 17:00 uur bij de man verblijft. De vrouw verweert zich tegen de aanvangstijd, gelet op de mogelijke afspraken van [minderjarige] bij [revalidatiecentrum] en [zorginstelling] .
De rechtbank ziet geen reden waarom de man niet met [minderjarige] naar die afspraken kan gaan als die op de vrijdagmiddag zijn gepland dat [minderjarige] bij de man is. De man heeft tijdens de zitting toegezegd de vrouw na afloop hierover te informeren over het verloop. Bovendien geven partijen sinds [minderjarige] naar school gaat al uitvoering aan deze regeling. Gelet hierop zal de rechtbank een reguliere zorgregeling bepalen waarbij de man en [minderjarige] éénmaal per twee weken van vrijdagmiddag uit school/12:00 uur tot zondag 17:00 uur contact met elkaar hebben.
Verdeling van de vakanties en feestdagen
Met betrekking tot de vakanties en feestdagen geldt dat de vrouw aangeeft dat zij wenst dat de beschikking van 1 november 2023 wordt gehandhaafd. Het verzoek van de man komt grotendeels overeen met die beschikking, maar is gedetailleerder. Op een aantal punten heeft de vrouw een specifiek verweer gevoerd. Tijdens de zitting hebben partijen over bepaalde dagen overeenstemming bereikt. De rechtbank zal in het dictum van deze beschikking een (gedetailleerde) verdeling van de vakanties en feestdagen bepalen. Ter toelichting op de in het dictum vastgestelde verdeling, waarover op sommige punten nog een discussie bestaat, overweegt de rechtbank het volgende:
de rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat de reguliere zorgregeling wordt hervat in het laatste weekend van de vakantie (dus niet alleen in de herfst-/voorjaarsvakantie zoals partijen zijn overeengekomen, maar bij alle vakanties);
de wisselmomenten tijdens vakanties van meer dan één week zijn op vrijdag halverwege de vakantie om 12:00 uur, met uitzondering van de kerstvakantie (dan is het wisselmoment op Tweede Kerstdag om 10:00 uur);
ter zitting zijn partijen overeengekomen dat de meivakantie zo wordt verdeeld dat [minderjarige] in de week dat Koningsdag valt, bij de vrouw verblijft en in de andere week bij de man;
tijdens de zomervakantie verblijft [minderjarige] drie aaneengesloten weken bij ieder van partijen. De rechtbank is van oordeel dat door de vrouw niet, althans onvoldoende, is onderbouwd op welke wijze [minderjarige] hier last van zou ondervinden. Het advies van de Raad om maximaal twee weken aaneengesloten te bepalen, is een algemeen advies voor kleuters, maar zoals de Raad ook aangaf is dit afhankelijk van het kind. Wel zal halverwege de drie weken een videobelmoment plaatsvinden met de andere ouder, in onderling overleg tussen partijen af te spreken;
als [minderjarige] het weekend van Pasen bij de man verblijft conform de reguliere zorgregeling, zal de overdracht van [minderjarige] op Eerste Paasdag om 17:00 uur plaatsvinden, zodat de vrouw Tweede Paasdag met [minderjarige] kan doorbrengen.
Verwijderen/verbod plaatsen foto’s sociale media
De vrouw verzoekt zelfstandig te bepalen dat de man foto’s van [minderjarige] op zijn sociale media moet verwijderen en deze niet meer mag plaatsen, op straffe van een dwangsom van € 100,= per dag voor iedere dag dat de man dit verbod overtreedt.
Ter zitting is dit verzoek besproken. Partijen hebben toen onderling het volgende afgesproken. De man geeft de vrouw opnieuw toegang tot zijn Facebookpagina, zodat zij kan zien welke foto’s de man online plaatst. Partijen spreken daarbij af dat er geen foto’s worden geplaatst die (mogelijk) aanstootgevend zijn of waar [minderjarige] schaars gekleed op staat.
Gelet op deze afspraak heeft de vrouw haar verzoek ingetrokken. Dat betekent dat de grond van het verzoek niet meer kan worden onderzocht. Om die reden wordt het verzoek afgewezen. Partijen zijn wel gebonden aan bovenstaande onderlinge afspraak.
Kinderalimentatie
De man verzoekt wijziging van de eerder vastgestelde kinderalimentatie en te bepalen dat de man met ingang van 1 november 2024 een bijdrage van € 50,= per maand zal voldoen, telkens bij vooruitbetaling. De man voert als grond voor zijn verzoek aan dat sinds voormelde beschikking de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de vastgestelde bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Zijn financiële situatie is gewijzigd: hij ontvangt een Ziektewetuitkering en heeft minder draagkracht. Partijen hebben hier afspraken over gemaakt. De man betaalt inmiddels al € 50,= per maand.
De vrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. Wel merkt zij op dat de man het normaal lijkt te vinden dat hij niet werkt en zonder noodzaak een dermate schuldenpositie heeft opgebouwd dat hij geen kinderalimentatie kan betalen.
Door de vrouw is de wijziging van omstandigheden niet betwist en zij heeft geen verweer hiertegen gevoerd. Gelet hierop zal het verzoek van de man als onweersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.
Proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden
gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat partijen voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over de minderjarige
[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020;
en wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 1 november 2023 als volgt:
bepaalt dat de man en [minderjarige] in het kader van de reguliere zorgregeling gerechtigd
zijn tot het hebben van contact met elkaar één weekend per veertien dagen van
vrijdagmiddag uit school/12:00 uur tot zondag 17:00 uur, waarbij de man [minderjarige] zal ophalen
en thuisbrengen;
bepaalt dat de vakanties en feestdagen tussen de ouders en [minderjarige] als volgt worden
verdeeld:
vakanties
voorjaarsvakantie: vanaf vrijdagmiddag uit school verblijft [minderjarige] bij de man, waarbij in het laatste weekend de reguliere zorgregeling wordt hervat;
meivakantie: in de week waarin Koningsdag valt verblijft [minderjarige] bij de vrouw, in de andere week verblijft [minderjarige] bij de man, waarbij in het laatste weekend de reguliere zorgregeling wordt hervat;
zomervakantie: [minderjarige] verblijft in de oneven jaren de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw. In de even jaren verblijft [minderjarige] de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie weken bij de man. Halverwege de drie weken vindt er een videobelmoment plaatst met de andere ouder, vooraf in onderling overleg te bepalen. In het laatste weekend van de zomervakantie wordt de reguliere zorgregeling hervat;
herfstvakantie: vanaf vrijdagmiddag uit school verblijft [minderjarige] bij de man, waarbij in het laatste weekend de reguliere zorgregeling wordt hervat;
kerstvakantie: [minderjarige] verblijft in de oneven jaren vanaf Tweede Kerstdag 10:00 uur bij de man en in de even jaren vanaf vrijdagmiddag uit school/12:00 uur tot Tweede Kerstdag 10:00 uur, waarbij in het laatste weekend de reguliere zorgregeling wordt hervat;
feestdagen
als een feest- of studiedag direct voorafgaat aan of volgt op een weekend of vakantie dat [minderjarige] bij de man is, verblijft zij ook op die feest- of studiedag bij de man, met uitzondering van Tweede Paasdag (dan verblijft [minderjarige] vanaf Eerste Paasdag 17:00 uur bij de vrouw);
in het weekend van Vaderdag en het weekend waarin de verjaardag van de man valt, is [minderjarige] bij de man;
in het weekend van Moederdag en het weekend waarin de verjaardag van de vrouw valt, is [minderjarige] bij de vrouw;
bepaalt dat de eerder vastgestelde door de man te betalen bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 1 november 2024 nader wordt
vastgesteld op € 50,= (vijftig euro) per maand, voor de toekomt bij vooruitbetaling te
voldoen;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, en, in tegenwoordigheid van mr. Van Egeraat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.