2. De feiten
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad en hebben samengewoond;
- uit hun relatie zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2020 (hierna: [minderjarige 1] ),
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2022 (hierna: [minderjarige 2] );
- genoemde kinderen zijn door de man erkend;
- er is geen rechterlijke uitspraak van kracht ter zake het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
- er is geen rechterlijke uitspraak van kracht op grond waarvan de man een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen moet voldoen;
- partijen en hun kinderen hebben de Poolse nationaliteit.
3. Het verzoek
De vrouw verzoekt nu, na wijziging van haar verzoek ter zitting, samengevat:
bepaling dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf zullen hebben bij haar;
vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen van € 200,= per maand per kind met ingang van 1 september 2025.
4. De beoordeling
IPR
Partijen en hun kinderen hebben de Poolse nationaliteit. De zaak heeft daarmee een internationaal karakter. Dit betekent dat de rechtbank eerst moet beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om te beslissen op de verzoeken en, zo ja, welk recht daarop van toepassing is.
Op grond van artikel 7 Brussel II-ter is de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van de verzoeken met betrekking tot het hoofdverblijf en de zorgregeling, omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Op basis van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 past de rechtbank op voormelde verzoeken Nederlands recht toe.
Gelet op de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , is op grond van artikel 3 sub b van de Alimentatieverordening de Nederlandse rechter ook bevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen. Op die verzoeken is Nederlands recht van toepassing. Dat volgt uit artikel 3 Alimentatieprotocol.
Gezag
Voordat de rechtbank ingaat op het verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen, acht zij het van belang om de geldende gezagsverhouding tussen partijen en hun kinderen duidelijk te hebben.
In het verzoekschrift heeft de vrouw gesteld dat partijen gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over hun kinderen. Tijdens de zitting heeft de rechtbank partijen er op gewezen dat uit de door de vrouw overgelegde uittreksels uit het gezagsregister daarvan niet is gebleken. De vrouw heeft in reactie daarop naar voren gebracht dat zij in de veronderstelling was dat het gezamenlijk gezag was verkregen op het moment dat de man de kinderen heeft erkend. Omdat beide partijen de wens hadden om gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te worden belast, hebben zij tijdens de zitting afgesproken daartoe alsnog de benodigde stappen te zetten.
Bij het hiervoor onder 1.3 genoemde F9-formulier heeft de vrouw opnieuw uittreksels uit het gezagsregister overgelegd. Daaruit blijkt dat partijen met ingang van 11 maart 2026 gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitoefenen. De rechtbank zal van die situatie uitgaan bij de beoordeling van de verzoeken die zien op het bepalen van het hoofdverblijf van de kinderen en de zorgregeling.
Hoofdverblijf
De man heeft er tijdens de zitting mee ingestemd dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf zullen hebben bij de vrouw. De rechtbank zal het daartoe strekkende verzoek van de vrouw daarom als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen, omdat ook niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich daartegen verzet.
Zorgregeling en kinderalimentatie
Tijdens de zitting hebben partijen hun standpunten ten aanzien van de zorgregeling en de kinderalimentatie nader toegelicht. Vervolgens is de zitting onderbroken om partijen in de gelegenheid te stellen om in onderling overleg afspraken te maken. Na hervatting van de zitting, hebben partijen te kennen gegeven dat het gelukt is om overeenstemming te bereiken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de kinderalimentatie.
Partijen hebben wat betreft de zorgregeling afgesproken dat, in overeenstemming met het verzoek van de vrouw, de kinderen een keer per twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man verblijven. De man is in staat om uitvoering te geven aan deze regeling en heeft daarover al afspraken gemaakt met zijn werkgever.
Verder hebben partijen afspraken gemaakt over de verdeling van de vakanties en feestdagen. Tijdens iedere zomervakantie verblijven de kinderen de eerste twee weken van die vakantie bij de man. Als de man in de genoemde weken geen verlof kan krijgen op zijn werk, zal de man dat vóór 1 mei van het betreffende jaar aan de vrouw laten weten en zullen partijen in overleg een andere afspraak maken. In de overige vakanties en op feestdagen zullen partijen de zorg voor de kinderen in goed onderling overleg verdelen. Voor de Kerstdagen en oud en nieuw geldt een vaste regeling. De kinderen zullen ieder jaar op Kerstavond en eerste Kerstdag bij de vrouw zijn en op tweede Kerstdag bij de man. De jaarwisseling brengen de kinderen altijd door bij de man. De rest van de Kerstvakantie verdelen de ouders in onderling overleg.
De rechtbank zal de afgesproken zorgregeling op verzoek van partijen in deze beschikking opnemen, omdat niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich daartegen verzet.
Over de kinderalimentatie hebben partijen afgesproken dat de man met ingang van 1 september 2025 een onderhoudsbijdrage zal betalen van € 200,= per maand per kind. Bij de vaststelling van de hoogte van dat bedrag hebben partijen rekening gehouden met de onderhoudsverplichting van de man jegens een ander kind uit een eerdere relatie. De bijdrage zal voor het eerst worden geïndexeerd per 1 januari 2027. De man zal de bijdrage maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw voldoen, de eerste maal vóór 1 april 2026.
Gelet op de gemaakte afspraken is de man over de periode van 1 september 2025 tot en met maart 2026 aan de vrouw een bedrag verschuldigd aan achterstallige kinderalimentatie van in totaal € 2.800,=. Partijen hebben afgesproken dat de man deze achterstand zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval vóór 1 augustus 2026 volledig zal hebben voldaan.
De vrouw heeft tijdens de zitting haar verzoek tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage aangepast overeenkomstig de gemaakte afspraak. De afspraak van partijen komt de rechtbank niet ongegrond voor, zodat de rechtbank in overeenstemming daarmee zal beslissen.
Proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De rechtbank
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de minderjarigen
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2020,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2022;
hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en genoemde minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:
- eenmaal per twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur;
- ieder jaar tijdens de eerste twee weken van de zomervakantie, tenzij dit niet mogelijk blijkt vanwege het werk van de man. De man zal dit dan vóór 1 mei van het betreffende jaar aan de vrouw laten weten en partijen zullen in overleg met elkaar een andere afspraak maken;
- tijdens een deel van de overige vakanties, nader in onderling overleg door partijen te regelen;
- ieder jaar met kerst op tweede Kerstdag en iedere jaarwisseling, waarbij de rest van de kerstvakantie in onderling overleg wordt verdeeld;
- tijdens een deel van de overige feestdagen, door partijen in onderling overleg nader te regelen;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van 1 september 2025 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 200,= (tweehonderd euro) per maand per kind, met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 4.12 en 4.13;
compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Jong, en in tegenwoordigheid van
mr. Maas-Klink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.