2. Het verzoek
De man verzoekt, samengevat,
- een DNA-verwantschapsonderzoek te gelasten;
bij wege van voorwaardelijke verzoeken:
- vervangende toestemming voor de erkenning van [minderjarige] ;
- hem mede te belasten met het gezag over [minderjarige] ;
- vaststelling van een omgangsregeling op de door hem aangegeven wijze.
3. De beoordeling
Omdat deze procedure onder andere betrekking heeft op de afstamming van [minderjarige] moet hij op grond van artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden vertegenwoordigd door een bijzondere curator.
Mr. A. den Ridder-van der Meijden, advocaat, kantoorhoudende aan de Wilhelminalaan 5, 4941 GJ , Raamsdonksveer, is bereid als zodanig op te treden. De rechtbank zal haar in die hoedanigheid benoemen.
De bijzondere curator dient binnen zes weken na heden de rechtbank schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over het afstammingsverzoek in te nemen.
Dit brengt mee dat nu als volgt wordt beslist. Daarbij behoudt de rechtbank zich iedere verdere beslissing voor.
4. De beslissing
De rechtbank
benoemt tot bijzondere curator over [minderjarige] , geboren te [woonplaats] op [geboortedag] 2021,
mr. A. den Ridder-van der Meijden, advocaat te Raamsdonksveer;
verzoekt de bijzondere curator binnen zes weken na de datum van deze beschikking schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over het verzoek in te nemen;
houdt de verdere behandeling van het verzoek aan tot 26 mei 2026 PRO FORMA, in afwachting van het verslag van de bijzondere curator;
bepaalt dat de mondelinge behandeling van het verzoek, met gesloten deuren, zal plaatsvinden op [datum] 2026 om [tijdstip] door mr. Van de Kraats, in het gerechtsgebouw aan de Stationslaan 10 te Breda;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproep voor de mondelinge behandeling voor de man en zijn advocaat, de moeder, de bijzondere curator en de Raad voor de Kinderbescherming;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026 door mr. Van de Kraats, rechter, in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze tussenbeslissing staat geen hoger beroep open.