ECLI:NL:RBZWB:2026:4112

ECLI:NL:RBZWB:2026:4112

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 14-04-2026
Datum publicatie 15-05-2026
Zaaknummer C/02/438363 FA RK 25-3965
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Ontbinding geregistreerd partnerschap. Grotendeels overeenstemming, behalve over zorgregeling. Geen contact tussen de man en dochter van 16. Raadsonderzoek.

Uitspraak

2. De feiten

Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:

- zij zijn op [datum] 2009 in de gemeente [plaats 2] een geregistreerd partnerschap aangegaan zonder het maken van partnerschapsvoorwaarden;

- uit hun partnerschap zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:

1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2010 (hierna: [minderjarige 1] ),

2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2014 (hierna: [minderjarige 2] ),

- zij hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over een ouderschapsplan;

- zij hebben de Nederlandse nationaliteit;

- hun partnerschap is duurzaam ontwricht.

Bij beschikking van 5 augustus 2025 heeft deze rechtbank in het kader van een procedure voorlopige voorzieningen onder meer bepaald dat:

de man en de kinderen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eenmaal per twee weken van vrijdag 18.00 uur tot zondag 19.00 uur; en

de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van de datum van die beschikking wordt vastgesteld op € 70,= per maand per kind.

3. De verzoeken

De vrouw verzoekt, samengevat:

- ontbinding van het geregistreerd partnerschap;

- bepaling dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf zullen hebben bij haar;

- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling);

- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 77,= per maand per kind;

- bepaling dat zij de huurster van de gezamenlijke woning zal zijn;

- vervangende toestemming, in plaats van de man, voor drie vakanties.

De man verzoekt, samengevat:

- ontbinding van het geregistreerd partnerschap;

- vaststelling van een zorgregeling.

4. De beoordeling

Ontbinding geregistreerd partnerschap

Uit artikel 828 Rv volgt dat de bepalingen over de rechtspleging in scheidingszaken van overeenkomstige toepassing zijn op een ontbinding van een geregistreerd partnerschap.

Op grond van artikel 815 lid 2 Rv moet een verzoekschrift tot ontbinding van een geregistreerd partnerschap een ouderschapsplan bevatten. In dit ouderschapsplan staan afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot ontbinding van een geregistreerd partnerschap. Als het ouderschapsplan ontbreekt heeft de rechtbank de bevoegdheid een geregistreerd partner in het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden ingediend (lid 6).

Partijen hebben geen door beide partijen ondertekend ouderschapsplan ingediend. De rechtbank zal daarom eerst moeten toetsen of zij partijen kan ontvangen in hun verzoeken tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Uit de stukken en tijdens de zitting is gebleken dat partijen meerdere pogingen hebben ondernomen om een ouderschapsplan op te stellen. Daarin zijn zij ook ver gevorderd. De verdeling van de zorg in de carnavalsvakantie en de herfstvakantie is echter een struikelblok gebleken. Partijen zijn daar ook na meerdere pogingen van de advocaten, niet uitgekomen. Bij die stand van zaken is voor de rechtbank voldoende duidelijk dat van partijen niet gevergd kan worden een ouderschapsplan in te dienen. De rechtbank zal partijen ontvangen in hun verzoeken om de ontbinding van hun geregistreerd partnerschap.

Partijen zijn het erover eens dat hun partnerschap duurzaam is ontwricht. Omdat aan de wettelijke vereisten voor toewijzing van de verzoeken is voldaan, zal de rechtbank de ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen partijen uitspreken.

Huurrecht

De vrouw verzoekt te bepalen dat zij de huurster van de (voormalige) gezamenlijke woning aan de [adres] in [plaats 1] zal zijn. De man heeft daartegen geen verweer gevoerd. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen.

Hoofdverblijf

De man voert geen verweer tegen het verzoek van de vrouw om te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf zullen hebben bij haar. De rechtbank zal dat verzoek daarom als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen, omdat ook niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich daartegen verzet.

Regeling zorg- en opvoedingstaken

Op dit moment geldt tussen partijen de hiervoor onder 2.2 weergegeven weekendregeling zoals die bij beschikking van 5 augustus 2025 is bepaald. Voorafgaand aan de zitting verzochten beide partijen de vastlegging van die regeling als definitieve zorgregeling. Het debat tussen partijen beperkte zich tot de vakantieregeling, meer in het bijzonder de verdeling van de carnavalsvakantie en de herfstvakantie.

Tijdens de zitting heeft de rechtbank aan partijen voorgehouden dat [minderjarige 1] in het kindgesprek heeft verteld dat zij op dit moment nauwelijks contact heeft met de man. Zij heeft hem sinds oktober 2025 niet meer gezien. [minderjarige 1] heeft ook gezegd geen behoefte te hebben aan contact met de man.

De rechtbank heeft tijdens de zitting vastgesteld dat partijen aan de omstandigheid dat de man en [minderjarige 1] op dit moment geen contact hebben, geen consequenties verbinden met betrekking tot hun verzoeken.

Vervolgens heeft de man naar voren gebracht dat hij veel zorgen heeft over [minderjarige 1] . Hij heeft recent een melding van de politie ontvangen over een escalatie tussen de vrouw en [minderjarige 1] , waarna [minderjarige 1] een week bij een vriendin heeft verbleven. Ook school heeft zorgen geuit over de (thuis)situatie van [minderjarige 1] . De vrouw stelt de man daarvan niet op de hoogte, terwijl de man al overal buiten staat. [minderjarige 1] wil geen contact met hem en hij mag de vrouw niet bellen, maar haar alleen via e-mail benaderen. De man heeft het gevoel dat hij met de rug tegen de muur staat. Hij wil [minderjarige 1] niet onder druk zetten en biedt haar daarom de ruimte die ze nodig heeft. Tegelijkertijd is hij erg bezorgd. Vanwege zijn zorgen over [minderjarige 1] verzoekt de man de beslissing op de verzoeken met betrekking tot de zorgregeling aan te houden en de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) te vragen onderzoek te doen naar welke regeling in het belang is van de kinderen.

De vrouw heeft in reactie op het betoog van de man aangevoerd dat zij met de politie en het [zorgaanbieder] heeft gesproken naar aanleiding van het voorval waar de man op doelt. Toen is besloten dat het beter was dat [minderjarige 1] een tijdje niet thuis zou wonen. [minderjarige 1] wilde niet dat de vrouw de man daarvan op de hoogte zou stellen, omdat er in het verleden veel tussen hen is voorgevallen. De vrouw wil inderdaad niet dat de man haar appt of belt, want daar komt gedoe van. Voor haar is contact via e-mail voldoende. Hoewel zij open staat voor hulp, heeft zij op dit moment geen hulp nodig. De vrouw verzet zich tegen het door de man verzochte raadsonderzoek. Zij vreest dat daarmee de focus komt te liggen op oudercommunicatie en op (de thuissituatie van) de vrouw, omdat er geen contact is tussen [minderjarige 1] en de man. Daarmee zou echter voorbij worden gegaan aan de kern van de problematiek, namelijk de relatie tussen [minderjarige 1] en de man. Als er een raadsonderzoek komt, moet het een feitenonderzoek zijn, niet een contextueel onderzoek. Er moet dan ook psychodiagnostisch onderzoek van [minderjarige 1] plaatsvinden, aldus de vrouw.

Voor de rechtbank staat vast dat de communicatie tussen partijen uiterst moeizaam is. De rechtbank vraagt zich af of partijen goed voor ogen hebben welke weerslag dat heeft op [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hoewel [minderjarige 1] ook zelf zegt geen behoefte te hebben aan contact met haar vader, is voor de rechtbank in het kindgesprek of tijdens de zitting niet duidelijk geworden wat maakt dat [minderjarige 1] ieder contact met de man afhoudt. [minderjarige 1] zelf houdt het op “botsende persoonlijkheden”. Tijdens de zitting heeft de vrouw gezegd dat er een en ander is voorgevallen, maar waarom dat zou moeten leiden tot de afwezigheid van ieder contact tussen [minderjarige 1] en de man heeft zij niet toegelicht. Dat vindt de rechtbank problematisch, juist omdat [minderjarige 1] in het kindgesprek ook heeft gezegd dat zij teleurgesteld was dat de man haar niet had uitgenodigd voor het Kerstdiner en de uitvaart van haar overgrootmoeder. De rechtbank leidt daaruit af dat [minderjarige 1] kennelijk enige vorm van betrokkenheid van haar vader mist. Daarbij komt dat tussen partijen vaststaat dat het niet goed gaat met [minderjarige 1] , zoals blijkt uit het door de politie gemelde incident en de door school geuite zorgen, zoals de man tijdens de zitting naar voren heeft gebracht en de vrouw heeft bevestigd, maar waar de rechtbank verder geen inzicht in heeft.

De rechtbank maakt zich, net als partijen, zorgen over [minderjarige 1] en acht zich op dit moment onvoldoende voorgelicht om een weloverwogen beslissing te nemen over de zorgregeling. Het is niet in het belang van [minderjarige 1] om de door de vrouw verzochte zorgregeling, waar de man inmiddels niet meer achter staat, toe te wijzen in de wetenschap dat [minderjarige 1] daar geen uitvoering aan zal geven. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om, zoals de man tijdens de zitting heeft verzocht, de Raad, locatie Breda, te verzoeken een onderzoek te verrichten en daarover een rapport en advies uit te brengen. De rechtbank acht een raadsonderzoek noodzakelijk om een vollediger beeld te krijgen van de (opvoed)situatie en de zorgen rondom [minderjarige 1] , zodat de rechtbank die informatie kan betrekken bij haar beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de man en [minderjarige 1] .

Hoewel partijen de hiervoor onder 2.2 weergegeven zorgregeling wat betreft [minderjarige 2] uitvoeren en zij tijdens de zitting geen (concrete) zorgen omtrent hem hebben geuit, zal de rechtbank het raadsonderzoek ook op hem betrekken. De zorgen rondom [minderjarige 1] kunnen ook hun weerslag hebben op [minderjarige 2] . Bovendien is gelet op de verzoeken van partijen, het uitgangspunt dat voor beide kinderen dezelfde zorgregeling geldt.

Het raadsonderzoek en het gemotiveerde raadsadvies moeten in ieder geval zien op de volgende concrete vragen van de rechtbank:

welke zorgregeling met de man (aard, duur en frequentie) is het meest in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ?

is voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en/of de ouders (nadere) hulpverlening noodzakelijk? Zo ja, welke hulpverlening?

De rechtbank wijst erop dat het de Raad vrij staat om het onderzoek ambtshalve uit te breiden met een beschermingsonderzoek.

De rechtbank zal in afwachting van het raadsonderzoek de (definitieve) beslissing op de verzoeken tot het vaststellen van een zorgregeling tot na te noemen datum (pro forma) aanhouden en de Raad verzoeken zijn rapport naar aanleiding van het uit te voeren raadsonderzoek uiterlijk twee weken daarvoor aan de rechtbank en partijen toe te sturen. In de tussentijd zal de hiervoor onder 2.2 weergegeven beslissing omtrent de voorlopige zorgregeling, waaraan partijen in ieder geval voor wat betref [minderjarige 2] uitvoering geven, blijven gelden.

Verder delen partijen vooralsnog het standpunt dat de vakanties bij helfte worden gedeeld. Zij zijn het voor een groot deel eens over de specifieke verdeling. De rechtbank ziet aanleiding om voor de vakanties en feestdagen waarover partijen het niet eens zijn, een voorlopige beslissing te geven.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat het verblijf van de kinderen in de carnavalsvakantie en in de herfstvakantie ieder jaar op dezelfde wijze over partijen moet worden verdeeld, in die zin dat de kinderen in de carnavalsvakantie altijd bij de man verblijven en in de herfstvakantie altijd bij de vrouw. Daartoe voert zij aan dat zij in de carnavalsvakantie geen vrij kan krijgen op haar werk. Verder stelt de vrouw voor dat de kinderen op de feestdagen bij partijen verblijven overeenkomstig het reguliere of vakantieschema (met uitzondering van de Kerstdagen), met dien verstande dat de kinderen de feestdagen die aansluiten op het weekend doorbrengen bij de ouder waar zij dat weekend zullen verblijven.

De man ziet graag dat de kinderen jaarlijks om en om in de carnavalsvakantie en herfstvakantie bij partijen verblijven, dus het ene jaar in de carnavalsvakantie bij de man en in de herfstvakantie bij de vrouw en het volgende jaar andersom. Ook voor de feestdagen heeft hij een specifieke verdeling voorgesteld die jaarlijks wordt omgedraaid.

De rechtbank zal voor de verdeling van de carnavals- en herfstvakantie voorlopig – in afwachting van het rapport van de Raad – aansluiten bij de door de man voorgestane regeling. Die regeling komt de rechtbank evenwichtig voor en stelt de kinderen, of op dit moment in ieder geval [minderjarige 2] , in staat om de seizoensgebonden vakanties met ieder van de ouders door te brengen. Aan de door de vrouw ingenomen stelling dat zij geen vrij kan krijgen in de carnavalsvakantie gaat de rechtbank voorbij. Die stelling heeft zij in het licht van de betwisting van de man onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal daarom voorlopig – totdat definitief is beslist of door partijen anders is overeengekomen – bepalen dat de kinderen, of op dit moment in ieder geval [minderjarige 2] , in de even jaren in de carnavalsvakantie bij de man zullen verblijven en in de herfstvakantie bij de vrouw. In de oneven jaren verblijven de kinderen in de carnavalsvakantie bij de vrouw en in de herfstvakantie bij de man.

Voor de feestdagen zal de rechtbank vanwege de eenvoud voorlopig – totdat definitief is beslist of door partijen anders is overeengekomen – aansluiten bij het voorstel van de vrouw. Dat betekent dat de kinderen, of op dit moment in ieder geval [minderjarige 2] , de feestdagen die aansluiten op het weekend doorbrengen bij de ouder bij wie zij dat weekend volgens de reguliere of vakantieregeling zullen verblijven.

Kinderalimentatie

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen met ingang van de datum van inschrijving van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap een bedrag van € 77,= per maand per kind bij vooruitbetaling aan de vrouw zal voldoen.

De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] behoefte hebben aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat deze de financiële draagkracht heeft die te voldoen. Zij heeft daartoe een alimentatieberekening en de financiële gegevens van partijen overgelegd. Daaruit blijkt een behoefte van de kinderen van € 1.399,= per maand (in 2025) op basis van een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 5.420,= per maand (in 2024). De vrouw becijfert de draagkracht van de man op € 358,=, op basis van zijn netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 2.602,= (uitgaande van een jaarinkomen van € 38.275,= minus pensioenpremie van € 2.128,=). Haar eigen draagkracht becijfert de vrouw op € 747,=, op basis van haar NBI van € 3.396,= (uitgaande van een jaarinkomen van € 32.348,= vermeerderd met het kindgebonden budget van € 8.834,=). Rekening houdend met een zorgkorting van 25% komt de door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] volgens de berekening van de vrouw op een bedrag van € 77,= per maand per kind.

De man heeft aangevoerd dat voor de kinderalimentatie moet worden aangesloten bij de beschikking van 5 augustus 2025 waarin een (voorlopige) kinderbijdrage van € 70,= is bepaald. Tijdens de zitting heeft de man zich ten aanzien van het verzoek van de vrouw gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw als op de wet gegrond toewijzen.

Vervangende toestemming vakanties

De vrouw verzoekt vervangende toestemming, in plaats van de toestemming van de man, te verlenen voor de navolgende vakanties;

van 13 t/m 17 mei 2026 voor een verblijf in België, op [camping 1] ;

van 10 t/m 19 juli 2026 voor een verblijf op [camping 2] en voor een verblijf 19 t/m 27 juli 2026 op [camping 3] ;

van 17 t/m 25 oktober 2026 voor een verblijf in Zweden, in [plaats 3] , in het huis van de ouders van de vrouw.

De man heeft zich in zijn verweerschrift van 25 februari 2026 op het standpunt gesteld dat de verzochte toestemming voor de eerste twee vakanties kan worden toegewezen, mits de vrouw beide kinderen meeneemt. Hij verzet zich tegen het verlenen van de toestemming voor de vakantie naar Zweden. Tijdens de zitting heeft de man bevestigd dat hij geen bezwaar heeft tegen een verblijf van de vrouw en de kinderen in Zweden als zodanig. Zijn verzet houdt verband met de timing van die vakantie. De man stelt zich op het standpunt dat de kinderen, of op dit moment in ieder geval [minderjarige 2] , de komende herfstvakantie bij hem doorbrengen. Als de rechtbank bepaalt dat de kinderen de komende herfstvakantie bij de vrouw zijn, is de man akkoord met hun verblijf in Zweden, mits de vrouw beide kinderen meeneemt.

De rechtbank stelt vast dat de vrouw tijdens de zitting heeft bevestigd dat zij beide kinderen in de drie genoemde vakanties mee zal nemen. Er bestaat geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Verder heeft de rechtbank hiervoor onder 4.21 voorlopig bepaald dat de kinderen in de even jaren de herfstvakantie bij de vrouw doorbrengen. Dat betekent dat de kinderen de komende herfstvakantie bij de vrouw verblijven. Omdat de man tijdens de zitting heeft gezegd dat hij onder die omstandigheden kan instemmen met de verzoeken, zal de rechtbank, voor de duidelijkheid, overeenkomstig beslissen.

5. De beslissing

De rechtbank

spreekt uit de ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen partijen, op [datum] 2009 in de gemeente [plaats 2] geregistreerd;

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw vanaf de dag dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand de huurster zal zijn van de gezamenlijke woning, gelegen aan de [adres] in [plaats 1] ;

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de minderjarigen

1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2010 en

2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2014

hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw;

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van de dag dat de beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen aan de vrouw bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 77,= (zevenenzeventig euro) per maand per kind;

bepaalt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tijdens de vakanties voorlopig – totdat definitief is beslist of door partijen anders is overeengekomen – dat genoemde minderjarigen in de even jaren de carnavalsvakantie bij de man verblijven en de herfstvakantie bij de vrouw en in de oneven jaren andersom;

bepaalt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tijdens de feestdagen voorlopig – totdat definitief is beslist of door partijen anders is overeengekomen – dat genoemde minderjarigen de feestdagen die aansluiten op het weekend, doorbrengen bij de ouder bij wie zij dat weekend volgens de reguliere of vakantieregeling zullen verblijven;

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming locatie Breda een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven onder 4.15 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport uiterlijk twee weken vóór de hiervoor genoemde pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van partijen;

verleent de vrouw toestemming – ter vervanging van de toestemming van de man – om met beide genoemde minderjarigen:

- van 13 tot en met 17 mei 2026 te verblijven in België, op [camping 1] ;

- van 10 tot en met 19 juli 2026 te verblijven op [camping 2] en van 19 tot en met 27 juli 2026 te verblijven op [camping 3] ;

- van 17 tot en met 25 oktober 2026 te verblijven in Zweden, in [plaats 3] , in het huis van de ouders van de vrouw;

houdt de (definitieve) beslissing op de verzoeken van partijen over de verdeling van de zorg- en opvoedtaken, met inbegrip van een definitieve verdeling van de vakanties en de feestdagen, aan tot 12 januari 2027 (pro forma).

Deze beschikking is gegeven door mr. de Jong, en, in tegenwoordigheid van mr. Maas-Klink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Maas-Klink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand