RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446164 / JE RK 26-463
Datum uitspraak: 14 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
advocaat mr. J.J. Bronsveld uit Bergen op Zoom.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 maart 2026;
de instemmende verklaring van de onafhankelijke gedragswetenschapper van 21 maart 2026;
de ter zitting overgelegde schriftelijke verklaring van de moeder.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 april 2026. Tijdens deze zitting is ook het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en [kind] behandeld (zaaknummer: C/02/446071 / JE RK 26-444). Daarbij waren aanwezig:
[minderjarige] , met mr. W.J. Jurgers, waarnemend advocaat voor mr. J.J. Bronsveld;
de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 oktober 2025 een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 17 april 2026.
[minderjarige] verblijft bij [zorginstelling] .
3. Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden.
4. De standpunten
Namens de GI wordt in het verzoekschrift aangevoerd dat [minderjarige] op 9 juli 2025 gesloten is geplaatst bij [zorginstelling] . In de afgelopen periode is er binnen [zorginstelling] met [minderjarige] gewerkt aan het leren herkennen en aangeven van haar grenzen, het leren om gezonde keuzes te maken, het leren omgaan met oplopende spanning en boosheid en aandacht voor identiteitsontwikkeling en zelfbeeld. Er is te zien dat [minderjarige] stappen zet in de afgelopen periode, maar er blijven ook nog risico’s bestaan. [minderjarige] heeft geleerd om op haar eigen gedrag te reflecteren, al lukt het haar niet dit altijd toe te passen in de praktijk. Wel is [minderjarige] gemotiveerd om aan zichzelf te werken.
[minderjarige] heeft een liefdevolle, stabiele en rustige omgeving nodig waar zij zich verder kan gaan ontwikkelen. Uit de gedeelde verklarende analyse (GVA) van maart 2026 zijn meerdere adviezen gekomen. Omdat een volledige thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder op dit moment risicovol is omdat nog niet is gewerkt aan de band tussen [minderjarige] en de moeder, wordt een vervolgplaatsing in een pleeggezin of gezinshuis geadviseerd. Daarnaast wordt geadviseerd om Attachment Bases Family Therapy (ABFT) voor [minderjarige] en de moeder in te zetten, evenals een JIM (een vertrouwenspersoon) voor [minderjarige] en [kind] . Op termijn kan ook psychomotorische Therapie (PMT) of muziektherapie worden ingezet om [minderjarige] ondersteuning te bieden in het verder ontdekken van haar gevoelsleven en identiteitsontwikkeling. Verder wordt geadviseerd om [minderjarige] deel te laten nemen aan enkele consulten bij een kinderpsychiater om ADHD te bevestigen dan wel uit te sluiten.
De GI heeft [minderjarige] aangemeld bij [zorgorganisatie 1] , hier is tot nu toe geen passende plek uit gekomen. [minderjarige] zelf wil liever op een groep verblijven, omdat zij vindt dat een groep beter bij haar past. De GI vindt dit een risico omdat wordt gezien dat op de groepen in de regio veel onrust is tussen jongeren onderling en er wordt ook middelengebruik gezien.
De GI vindt het van belang dat [minderjarige] zich verder kan ontwikkelen binnen de veilige setting van de gesloten jeugdzorg, zodat de GI in de tussentijd op zoek kan gaan naar een passende vervolgplek. Vanuit de vervolgplek kan ook worden gewerkt aan de relatie tussen de moeder en [minderjarige] .
Ter zitting zijn twee jeugdbeschermers van Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg, verschenen. Zij hebben de zaak onlangs overgenomen van de locatie Etten-Leur, omdat de samenwerking tussen de ouders en de jeugdbeschermer van die locatie niet goed was. De recent aangestelde jeugdbeschermers willen de uitvoering van de ondertoezichtstelling anders insteken en zich richten op de samenwerking. De insteek van de GI is dat een gesloten plaatsing zo kort mogelijk moet duren. Inmiddels heeft de GI [minderjarige] aangemeld bij [zorgorganisatie 2] voor een open vervolgplek. [minderjarige] wil zelf niet naar een gezinshuis of pleeggezin, maar mogelijk is hier wel eerder een plek beschikbaar voor [minderjarige] . De GI verzoekt de machtiging gesloten jeugdhulp te verlenen voor de duur drie maanden. De GI wil voorkomen dat [minderjarige] op een crisisgroep wordt geplaatst. Wanneer [minderjarige] eerder op een open groep kan worden geplaatst, zal de GI hier zeker toe overgaan.
Door de moeder is ter zitting een verklaring voorgelezen en deze verklaring heeft zij vervolgens op schrift aan de kinderrechter overgelegd. De moeder geeft in haar verklaring aan dat zij vandaag voor de zevende keer in één jaar tijd bij de rechtbank moet verschijnen. Elke keer heeft de moeder de hoop dat er nu echt iets gaat veranderen. Afspraken worden structureel niet nagekomen en besluiten worden niet uitgevoerd. Inmiddels verblijft [minderjarige] al negen maanden binnen de gesloten jeugdhulp, echter nog steeds zonder plan, zonder behandeling, zonder diagnose en zonder perspectief. Wat de moeder vooral schrijnend vindt is dat niemand zich verantwoordelijk voelt. De hulpverlening die inmiddels is gestart, heeft de moeder zelf opgestart. Zij heeft het afgelopen jaar regie en daadkracht vanuit de GI gemist, maar vooral verantwoordelijkheid. Het kan volgens de moeder niet zo zijn dat een meisje van dertien jaar al negen maanden gesloten is geplaatst en dat er weer een verlenging wordt verzocht omdat er geen alternatief beschikbaar is. Dit alternatief is niet beschikbaar omdat hier door de GI niet op is ingezet. Toch stemt de moeder in met de verzochte machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] . Dit omdat [minderjarige] het afgelopen jaar op dertien verschillende plekken heeft verbleven en zij bij [zorginstelling] , hoe wrang ook, relatief rust ervaart.
De vader stemt niet in met het verzoek van de GI. [minderjarige] hoort niet thuis binnen de gesloten jeugdhulp. De vader kan dat weten aangezien hij zelf zes jaar binnen de gesloten jeugdhulp heeft gewerkt. Volgens de vader is de GI incompetent. De vader is van mening dat de reden voor de gesloten plaatsing van [minderjarige] de verstoorde communicatie tussen de ouders is. Hier wordt echter in het kader van de ondertoezichtstelling niet aan gewerkt. De vader stelt dat [minderjarige] het slachtoffer is en hij het lijdend voorwerp.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.
[minderjarige] verblijft sinds 9 juli 2025 met een machtiging gesloten jeugdhulp bij [zorginstelling] . Voor deze gesloten plaatsing zijn er verschillende vormen van hulpverlening ingezet, maar deze hulpverlening is ontoereikend gebleken om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. [minderjarige] bleef wegloopgedrag vertonen en zich onttrekken aan het gezag. Gedurende haar verblijf bij [zorginstelling] is intensief gewerkt aan verschillende behandeldoelen, zoals het leren herkennen en aangeven van grenzen, het maken van gezonde keuzes, het omgaan met spanning en boosheid en het versterken van haar identiteitsontwikkeling. Hoewel [minderjarige] hierin stappen heeft gezet, blijkt dat zij deze vaardigheden nog onvoldoende zelfstandig en bestendig kan toepassen buiten een sterk gestructureerde en begrensde omgeving. Om [minderjarige] deze vaardigheden verder eigen te laten maken is een voortzetting van de gesloten plaatsing bij [zorginstelling] nog noodzakelijk.
Daarnaast blijkt uit de GVA van maart 2026 dat een volledige thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder op dit moment nog risicovol is, omdat nog niet is gewerkt aan de band tussen [minderjarige] en de moeder. Ook [minderjarige] ziet in dat zij niet per direct kan terugkeren bij de moeder. Tot de betrokkenheid van de nieuwe jeugdbeschermers had er alleen nog een aanmelding bij [zorgorganisatie 1] plaatsgevonden. De nieuwe betrokken jeugdzorgwerkers hebben [minderjarige] inmiddels aangemeld bij [zorgorganisatie 2] voor een open plaatsing, niet zijnde een gezinshuis of pleeggezin, omdat [minderjarige] hiervoor niet open staat. [minderjarige] wil graag als vervolgplaatsing op een open groep worden geplaatst in de omgeving van haar ouders. Zij heeft in het verleden slechte ervaringen opgedaan met een plaatsing in een gezinshuis. [minderjarige] wil heel graag dat de open plaatsing goed gaat om te voorkomen dat zij opnieuw gesloten wordt geplaatst. Doordat er nog geen geschikte vervolgplek voor [minderjarige] is gevonden, maar ook omdat de positieve ontwikkeling van [minderjarige] nog kwetsbaar en onvoldoende geborgd is, is een voortzetting van het verblijf binnen de gesloten jeugdhulp nog noodzakelijk. Bij [zorginstelling] wordt [minderjarige] de door haar benodigde structuur, begrenzing en veiligheid geboden om verder te kunnen werken aan haar doelen.
De kinderrechter is van oordeel dat een gesloten plaatsing niet langer moet duren dan noodzakelijk. Voor nu ziet de kinderrechter de noodzaak nog, maar merkt hierbij wel op dat [minderjarige] al negen maanden binnen de gesloten jeugdhulp verblijft. Ondanks eerdere toezeggingen dat het verblijf binnen de gesloten jeugdhulp niet langer zal duren dan noodzakelijk, wordt thans ook door de nieuwe jeugdbeschermers aangegeven dat door het eerder gevoerde beleid vertraging is opgelopen. Hier is [minderjarige] de dupe van. De kinderrechter zal de machtiging gesloten jeugdhulp verlenen voor de duur zoals verzocht, namelijk drie maanden, maar maakt hierbij wel de opmerking dat binnen die drie maanden een passende vervolgplek voor [minderjarige] moet worden gevonden. Daarbij gaat de kinderrechter er vanuit dat de plaatsing bij [zorginstelling] wordt beëindigd als voor het einde van de hierna te verlenen machtiging een geschikte vervolgplek wordt gevonden, zoals toegezegd door de GI ter zitting.
De kinderrechter machtigt de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 17 april 2026 tot 17 juli 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Diepen als griffier, en op schrift gesteld op 28 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.