RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445856 / JE RK 26-401
Datum uitspraak: 14 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT ,
locatie Tilburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A. Avontuur uit Oosterhout,
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna: de Raad, de kinderrechter over het verzoek geadviseerd.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift van de GI van 5 maart 2026 met bijlagen, ontvangen op 5 maart 2026;
het stelbericht van mr. Avontuur van 16 maart 2026;
het op 2 april 2026 ontvangen verweerschrift namens de moeder met bijlagen;
de op 2 april 2026 ontvangen (aanvullende) reacties van de vader met bijlagen;
de op 7 april 2026 ontvangen brief van mr. Avontuur met bijlage.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder via een Teamsverbinding, bijgestaan door haar advocaat in de zittingszaal;
de vader;
twee vertegenwoordigers van de GI;
een vertegenwoordiger van de Raad.
2. De feiten
[minderjarige] woont bij de moeder.
Bij beschikking van 23 april 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 23 april 2025 tot 23 april 2026.
Bij beschikking van deze rechtbank van 7 mei 2025 is bepaald dat de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar éénmaal per week op zaterdag of zondag van 8:30 uur tot 19:00 uur, waarbij de vrouw [minderjarige] naar de man brengt en de man [minderjarige] terugbrengt naar de vrouw, waarbij onder regie van de GI gekeken gaat worden naar een uitbreiding van de zorg- en contactregeling en eventuele hulp bij de overdrachtsmomenten.
Bij (spoed)beschikking van deze rechtbank van 20 juni 2025, opgevolgd door de beschikking van 30 juni 2025, is de bij beschikking van 7 mei 2025 vastgestelde zorgregeling definitief gewijzigd en is bepaald dat de GI de regie heeft over de zorgregeling.
Bij beschikking van 3 april 2026 heeft de rechtbank het gezamenlijk gezag over [minderjarige] beëindigd en bepaald dat het gezag over [minderjarige] voortaan aan de moeder alleen toekomt. Het verzoek van de moeder om de vader de omgang met [minderjarige] te ontzeggen is aangehouden.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
Namens de GI wordt in het verzoekschrift aan het verzoek ten grondslag gelegd dat de gestelde doelen nog niet zijn behaald. Gelet hierop is er nog steeds sprake van een ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] . De ouders kunnen en mogen momenteel niet in contact treden met elkaar om belangrijke beslissingen te nemen over [minderjarige] vanwege het contact- en locatieverbod in de lopende de strafzaak van de vader. Er is contact tussen [minderjarige] en zijn vader door middel van begeleide omgang. De omgang op zichzelf verloopt relatief goed, maar het lukt nu niet de begeleide omgang uit te breiden. De GI heeft er onvoldoende vertrouwen in dat de ouders de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] kunnen wegnemen in een vrijwillig kader.
Ter zitting heeft de GI daaraan toegevoegd dat de situatie inmiddels is gewijzigd doordat de moeder bij beschikking van 3 april 2026 alleen is belast met het gezag. Echter, dit maakt niet dat in het kader van de ondertoezichtstelling de omgang tussen de vader en [minderjarige] niet langer een doel is. De GI is er van op de hoogte dat er een verzoek door de moeder is ingediend om de vader de omgang met [minderjarige] te ontzeggen, maar zolang hier nog geen beslissing over is genomen blijft de vader recht houden op omgang met [minderjarige] . Daarnaast loopt er nog een hulpverleningstraject voor [minderjarige] bij [communicatiecentrum] en daarin is ook nog de regie van de GI gewenst.
Voorts stelt de GI dat de vader uitbreiding van de omgang wenst, maar dat uitbreiding pas mogelijk is als de vader inzicht verschaft over zijn behandeltraject bij [zorgorganisatie] en het verloop van het reclasseringstoezicht. De GI heeft al op meerdere manieren geprobeerd toestemming van de vader te verkrijgen om bij [zorgorganisatie] en de reclassering informatie op te vragen, maar tot op heden heeft de vader hier geen toestemming voor gegeven. Aan de nabespreking van de omgang onttrekt de vader zich ook.
De GI kan zich er ook in vinden als de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van zes maanden wordt verlengd, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
Door en namens de moeder is bij brief van 2 april 2026 reeds gereageerd op het verzoek van de GI. De moeder stelt dat de beslissingen op de verzoeken van de moeder tot eenhoofdig gezag en ontzegging van de omgang van belang zijn voor de beoordeling van het onderhavige verzoek. De moeder verzoekt de ondertoezichtstelling met zes maanden te verlengen en het resterende deel van het verzoek aan te houden in afwachting van de uitspraak inzake het verzoek van de moeder om de vader de omgang met [minderjarige] te ontzeggen. Omdat nog niet duidelijk is wanneer het verzoek ontzegging omgang zal worden behandeld, is een verlenging van de ondertoezichtstelling voor zes maanden aangewezen. Vanwege het contactverbod tussen de ouders kunnen de ouders immers geen onderling contact hebben, zodat de GI als intermediair nodig blijft.
De moeder vindt het opvallend dat er door de GI geen doel is gesteld dat vader aan zijn persoonlijke problematiek moet werken en daar ook inzicht in moet geven. Ten aanzien van de moeder is immers ook als doel opgenomen dat zij haar verleden moet verwerken. De vader weigert informatie te verstrekken over zijn behandeltraject bij [zorgorganisatie] en het verloop van het reclasseringstoezicht. De moeder vindt het wenselijk dat in dit opzicht een doel wordt geformuleerd ten aanzien van de vader.
Ter zitting is nog door en namens de moeder aangevoerd dat er een verschil is in wat de GI van de moeder verwacht en wat de GI van de vader verwacht. Het is belangrijk in het kader van de omgang dat de vader inzicht geeft in zijn behandeltraject. De reclassering kan ook een risico inschatting maken ten aanzien van de omgang en die informatie is in de ogen van de moeder vereist om een goede inschatting te kunnen maken voor de veiligheid van [minderjarige] tijdens de omgang met de vader. Zolang die informatie er niet is, moet de GI de conclusie trekken dat er geen goede afweging omtrent de veiligheid kan worden gemaakt en de omgang niet kan plaatsvinden. De vader heeft recht op omgang, maar het belang van [minderjarige] dient centraal te staan.
Door de vader is bij brief van 2 april 2026 schriftelijk gereageerd op het verzoek van de GI. De man begrijpt de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling en kan deze op zichzelf in het belang van zijn zoon achten. Zijn bezwaar richt zich op de wijze waarop de ondertoezichtstelling momenteel wordt uitgevoerd door de GI. De vader staat open voor een andere, meer passende invulling van de begeleiding, eventueel via een andere instantie. De vader verzoekt de rechtbank om de door hem overgelegde rapportages kritisch te beoordelen en te kijken naar een meer praktische en doelgerichte invulling van het traject, gericht op uitbreiding van de omgang.
Ter zitting heeft de vader aangegeven dat hij bereid is om inzicht te verlenen in zijn behandeltraject, maar bij [zorgorganisatie] vindt nog onderzoek plaats en de behandeling is nog niet gestart. Er zijn dan ook nog geen stukken beschikbaar. De vader waardeert dat de GI hulpverlening voor [minderjarige] wil inschakelen, maar had daar graag meer betrokken bij willen worden. Hij kan zich er in vinden als de GI nader onderzoekt wat nodig is voor [minderjarige] . Hij stemt in met het verzoek van de GI.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat de gestelde doelen nog niet zijn behaald. Bij beschikking van 3 april 2026 heeft de rechtbank de vrouw alleen belast met het gezag over [minderjarige] . Inmiddels is door de moeder in de gezag- en omgangsprocedure een verzoek ingediend om de man het recht op omgang met [minderjarige] te ontzeggen. Dit verzoek is aangehouden en het is nog niet bekend wanneer dit verzoek behandeld gaat worden. Zolang er nog geen beslissing ligt op dit verzoek tot ontzegging van de omgang, blijft omgang van [minderjarige] met de vader een doel in het kader van de ondertoezichtstelling. Het is nog altijd noodzakelijk om onder regie van de GI te blijven bekijken wat in het belang van [minderjarige] haalbaar is in het contact met zijn vader.
Ook zijn er nog altijd zorgen over de spraak- en taalontwikkelingsachterstand van [minderjarige] . Er bestaat nog altijd onduidelijkheid over de oorzaak van deze achterstand en hiervoor is verdere inzet van hulpverlening noodzakelijk. Ook hierin is regie door de GI nog noodzakelijk, zeker nu de ouders niet met elkaar mogen en kunnen communiceren.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. Wel ziet de kinderrechter aanleiding om zoals verzocht door de moeder de verlenging van de ondertoezichtstelling te beperken in duur tot zes maanden onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Naar verwachting ligt er binnen zes maanden ook een (voorlopige) beslissing op het verzoek van de moeder om de vader het recht op omgang met [minderjarige] te ontzeggen. De GI wordt verzocht voor de hierna in het dictum genoemde datum de kinderrechter (schriftelijk) te informeren over het verloop van de ondertoezichtstelling tot dan toe en de actuele stand van zaken. Daarbij dient de GI zich tevens uit te laten of het resterende deel van het verzoek nog wordt gehandhaafd.
Binnen de ondertoezichtstelling dient de GI te werken aan de volgende doelen:
- de ouders zorgen ervoor dat [minderjarige] weet waar hij aan toe is in het contact met zijn vader; wanneer er contact is, dan verloopt dit veilig, prettig en volgens vaste afspraken;
- de ouders zorgen ervoor dat bekend is waar de spraak- en taalontwikkelings-achterstand van [minderjarige] vandaan komt en wanneer dit niet duidelijk is, zal er een breed psychodiagnostisch onderzoek (PO) afgenomen worden bij [minderjarige] ;
- de vader laat zien dat hij aansluit bij de opvoedbehoeftes van [minderjarige] , zodat [minderjarige] opgroeit in een veilige en stabiele opvoedomgeving;
- de moeder heeft haar verleden een plek kunnen geven en ervaart minder last van psychische en lichamelijk spanning als het gaat om het verleden, de zorg- en contactregeling en het contact met de vader.
Ter zitting is nog besproken dat de vader inzicht moet geven in zijn behandeltraject bij [zorgorganisatie] en het verloop van het reclasseringstoezicht. De kinderrechter wijst de man er op dat hij die openheid moet geven. De kinderrechter wil de vader nog een kans geven om hiertoe over te gaan en zal dit vooralsnog niet opnemen als doel. Zolang de man hieraan zijn medewerking niet verleend, kan de omgang tussen hem en [minderjarige] ook niet worden uitgebreid. Er moet immers een zorgvuldige afweging gemaakt kunnen worden of uitbreiding van de omgang in het belang van [minderjarige] is en hiervoor is informatie vanuit de bij vader betrokken professionals noodzakelijk.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 23 april 2026 tot23 oktober 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt het resterende deel van het verzoek van de GI aan;
verzoekt de GI de kinderrechter uiterlijk 29 september 2026 te informeren zoals overwogen onder 5.4;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Diepen als griffier, en op schrift gesteld op 28 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.