beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/416847 / FA RK 23-5790
datum uitspraak: 14 april 2026
nadere beschikking betreffende wijziging verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en vaststelling informatieregeling
in de zaak van
[de man] ,
hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. N.P.C.C. Langenberg te Breda,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. L.E. Swart te Roosendaal,
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2012, hierna: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1. Het verdere procesverloop
In het dossier bevinden zich de volgende stukken:
- de in deze zaak gegeven beschikking van 27 maart 2024 en alle daarin genoemde stukken;
- het op 10 juni 2025 van de gemeente Altena ontvangen UHA-rapport;
- het F5-formulier van mr. Langenberg van 21 oktober 2025, diens e-mailberichten van 20 november 2025 en 17 december 2025 en diens F9-formulier van 13 januari 2026;
- de F9-formulieren van mr. Swart van 10 november 2026 met bijlagen en van 10 en 30 december 2025;
- de brief van de Raad van 28 november 2025.
De verzoeken zijn mondeling behandeld op de zitting van 1 april 2026. Bij die zitting zijn verschenen de advocaat van de man en de vrouw met mr. B.P.A. van Beers, de advocaat van de vrouw waarnemende. De man zelf is in persoon niet verschenen. Ook was er een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.
De rechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft op 30 maart 2026 een gesprek gevoerd met de rechter. Tijdens de zitting heeft de rechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De nadere beoordeling
Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank de provisionele voorzieningen van partijen afgewezen.
Daarnaast heeft de rechtbank in deze hoofdzaak de ouders en [minderjarige] voor deelname aan een (jeugd)hulptraject verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost.
De rechtbank heeft de beslissing op de verzoeken met betrekking tot de zorgregeling aangehouden.
De man verzocht inleidend, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om een contactregeling vast te stellen, in die zin dat de rechtbank bepaalt dat de man recht heeft op omgang met [minderjarige] gedurende één weekend per 14 dagen van vrijdagmiddag tot en met zondagavond, alsmede tijdens de helft van de feestdagen en de helft van de schoolvakanties, althans een regeling vast te stellen door de rechtbank nader te bepalen.
De vrouw verzocht inleidend, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de man tot het vaststellen van een omgangsregeling af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen.
Bij wijze van zelfstandig verzoek verzocht de vrouw:
I. op te schorten de omgangsregeling door partijen vastgelegd in het ouderschapsplan totdat het behandeltraject van [minderjarige] is afgelopen en partijen in overleg met het CJG het vervolg hebben bepaald;
II. te bepalen dat partijen met het CJG na afloop van het behandeltraject zullen overleggen over een vervolgtraject voor [minderjarige] en over een eventuele contactregeling;
III. partijen door te verwijzen naar het Uniform Hulpaanbod;
IV. althans zodanige regelingen ter zake van bovenstaande verzoeken welke de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;
V. kosten rechtens.
Uit de brief van de Raad van 28 november 2025 blijkt dat het ingezette UHA-traject tot onvoldoende resultaat heeft geleid. Bij [minderjarige] is momenteel geen enkele ruimte en wens voor contact met de man. Contactherstel op korte termijn acht de Raad niet haalbaar. In het gesprek met de Raad gaf de man aan de situatie fysiek en mentaal niet meer aan te kunnen. De man sprak bij de Raad de hoop uit in de toekomst ooit weer contact te kunnen hebben met [minderjarige] . Uit de gesprekken met de ouders is de Raad gebleken dat zij totaal geen vertrouwen hebben in elkaar. Er bestaat geen enkele communicatie tussen hen beiden.
De Raad is van mening dat het langdurig ontbreken van contact gevolgen kan hebben voor [minderjarige] beeldvorming over haar vader en voor haar identiteitsontwikkeling.
De Raad dringt er daarom bij de vrouw op aan dat zij in elk geval het bestaan van de vader bij [minderjarige] levende houdt en dat, als [minderjarige] vragen heeft over haar vader, de vrouw daarover daadwerkelijk met haar in gesprek gaat. De Raad geeft de rechtbank in zijn brief daarnaast in overweging om een informatieregeling te bepalen, waarbij de vrouw de man éénmaal per drie maanden informeert over het wel en wee van [minderjarige] .
Via het voormeld F5-formulier heeft de man zijn verzoek over de zorgregeling ingetrokken.
Bij brief van haar advocaat van 10 november 2025 heeft de vrouw haar onder II. en III. genoemde verzoeken ingetrokken. De vrouw wijzigt haar onder I. genoemde verzoek. Wat dat verzoek betreft verzoekt de vrouw inmiddels om de door partijen in het ouderschapsplan vastgelegde zorgregeling op te schorten totdat [minderjarige] zelf te kennen geeft weer contact met de man te willen hebben op een door haar te bepalen wijze.
Bij e-mailbericht van zijn advocaat van 20 november 2025 heeft de man laten weten dat hij instemt met het gewijzigde verzoek van de vrouw over de zorgregeling.
De vrouw verklaart bereid te zijn om de man één keer per drie maanden van informatie te voorzien over [minderjarige] maar pas nadat de man aan haar een WhatsAppbericht heeft gestuurd waarin hij vraagt om informatie. De vrouw is van mening dat van de man verwacht mag worden dat hij enig initiatief neemt, omdat hij zich tot dusver veelal afzijdig heeft gehouden. Zo heeft de man bijvoorbeeld nooit zelf informatie opgevraagd bij school.
Nadat de vrouw (één keer per drie maanden) een verzoek van de man heeft ontvangen om informatie, zal de vrouw dan in overleg met [minderjarige] per WhatsAppbericht informatie over [minderjarige] aan de man verstrekken. De vrouw vindt het van belang [minderjarige] hierbij te betrekken, met name waar het medische zaken betreft. Naar de mening van de vrouw heeft [minderjarige] vanwege haar leeftijd ook een stem in wat er over haar gecommuniceerd wordt. De vrouw is niet bereid om informatie te verstrekken die de man elders kan verkrijgen, zoals informatie van school omdat de man die informatie als gezagdragende ouder zelf bij de school kan opvragen. De communicatie dient wat de vrouw betreft te geschieden per WhatsApp om discussies tussen partijen te voorkomen of berichten wel of niet zijn verstuurd, ontvangen en/of gelezen.
De man is van mening dat uit de wet voortvloeit dat de vrouw hem op de hoogte dient te houden ovre het wel en wee van [minderjarige] , meer specifiek dat de vrouw hem informatie zal verstrekken over school, medische zaken, hobby’s, vriendjes en vriendinnetjes en dat zij hem daarbij ook foto’s van [minderjarige] verstrekt. Naar de mening van de man heeft de vrouw wat dat betreft een informatieplicht; het initiatief dient dan ook van haar uit te gaan. Het moet niet zo zijn dat de man hier om moet vragen, zoals de vrouw stelt. Daarbij is namens de man opgemerkt dat het feit dat hij niet langer aandringt op contact met [minderjarige] , uitdrukkelijk niet wil zeggen dat hij niet geïnteresseerd zou zijn in het wel en wee van [minderjarige] . De man respecteert de wens van [minderjarige] om momenteel geen contact met hem te willen hebben. De man gaat ermee akkoord dat de vrouw hem eenmaal per drie maanden (in plaats van de eerder verzochte eenmaal per maand) van informatie over [minderjarige] zal gaan voorzien. Daarbij gaat de voorkeur van de man ernaar uit dat zij hem zal informeren via zijn e-mail adres: “ [e-mail adres] ”.
De Raad kan zich vinden in het gewijzigde verzoek van de vrouw om de contactregeling uit het ouderschapsplan op te schorten totdat [minderjarige] zelf aangeeft weer contact met de man te willen hebben, op een door [minderjarige] te bepalen wijze. Daarbij handhaaft de Raad het in zijn brief opgenomen advies om een informatieregeling vast te stellen. De Raad merkt daarbij op dat de vrouw aan de man niet alle details kenbaar hoeft te maken, zoals over medische zaken. Zo kan de vrouw het laten bij meer algemene informatie, zoals dat bij welke zorgverlener [minderjarige] onder behandeling zou zijn en welke stappen zij daarin maakt.
De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag, zoals over de zorgregeling en over de informatieregeling, op verzoek van de ouders aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.
In deze zaak zijn de artikelen 1:253a en 1:377e BW van toepassing. In artikel 1:377e BW staat dat de rechtbank op verzoek van de ouders een bestaande zorgregeling kan veranderen als de omstandigheden zijn veranderd of als de rechtbank die regeling heeft vastgesteld op grond van onjuiste of onvolledige gegevens.
Met alle betrokkenen stelt de rechtbank vast dat er bij [minderjarige] op dit moment geen enkele ruimte bestaat voor omgang tussen de man en [minderjarige] . De man kan zich inmiddels ook vinden in het hierover door de vrouw gedane gewijzigde verzoek om de door partijen in het ouderschapsplan vastgelegde zorgregeling op te schorten totdat [minderjarige] zelf te kennen geeft weer contact met de man te willen hebben op een door haar te bepalen wijze. De rechtbank zal dit gewijzigde verzoek van de vrouw dan ook toewijzen, nu zij de door haar verzochte regeling in het belang van de minderjarige [minderjarige] wenselijk acht.
Over de informatieregeling zijn partijen deels verdeeld gebleven. Zo verzoekt de man te bepalen dat de vrouw hem eenmaal per kwartaal over belangrijke zaken over [minderjarige] (per e-mail) zal informeren. De vrouw is het eens met het verzoek van de man om hem eenmaal per drie maanden van informatie te gaan voorzien maar pas nadat de man aan haar een WhatsAppbericht heeft gestuurd waarin hij vraagt om informatie. De rechtbank begrijpt dat dit verzoek van de vrouw is ingegeven omdat de man zich in de afgelopen jaren in het leven van [minderjarige] te veel afzijdig heeft gehouden en zij daarin teleurgesteld is.
De rechtbank oordeelt enerzijds dat van de man als mede gezagsdragende ouder ook verwacht mag worden dat hij zich bij het leven van [minderjarige] zoveel als mogelijk betrokken opstelt. Anderzijds vloeit uit de wet voort dat de vrouw de man op de hoogte zal moeten houden van belangrijke zaken over [minderjarige] omdat zij de dagelijks verzorgende ouder van [minderjarige] is. Dit geldt eens temeer nu de man geheel verstoken is van contact met [minderjarige] . De rechtbank zal daarom bepalen dat de vrouw de man eenmaal per kwartaal over belangrijke zaken over [minderjarige] dient te informeren, behoudens over schoolse zaken omdat de man deze zelf bij school zal kunnen opvragen. Van de vrouw wordt verwacht dat zij deze informatie elke eerste zondag van de maand aan de man zal verstrekken, ingaande per 1 mei 2026. Ook wordt van de vrouw verwacht dat zij bij de te verstrekken informatie telkens een goed lijkende foto van [minderjarige] zal meesturen, mits [minderjarige] zich daartegen niet al te zeer verzet. De rechtbank zal tevens bepalen dat de informatieverstrekking – als meer gebruikelijk – dient te geschieden per e-mail. De vrouw geeft weliswaar aan dat je dan kunt zien of een bericht is verstuurd, ontvangen en/of gelezen, maar die functie kun je ook uitschakelen.
De overige door partijen gedane verzoeken zijn alle ingetrokken en zullen daarom worden afgewezen.
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.
3. De beslissing
De rechtbank
bepaalt – onder de wijziging van het tussen partijen op 14 april 2022 gesloten ouderschapsplan – dat de daarin opgenomen zorgregeling wordt opgeschort, totdat de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 201,2 zelf te kennen geeft weer contact met de man te willen hebben op een door haar te bepalen wijze;
bepaalt dat de vrouw de man vanaf 1 mei 2026 eenmaal per kwartaal schriftelijk per e-mail informeert over belangrijke gebeurtenissen rondom genoemde minderjarige, waarbij informatie wordt gegeven over haar gezondheid, doktersbezoeken, medische behandelingen, medicijngebruik, hobby’s en activiteiten, waarbij met goedvinden van [minderjarige] telkens ook een goed lijkende foto van haar wordt verstrekt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bogaert, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026 in aanwezigheid van Van Dongen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.