2. De feiten
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad.
- uit hun relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022.
- Genoemd kind is door de man erkend.
- De vrouw is belast met het ouderlijk gezag over die minderjarige.
- De minderjarige heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw.
- De man, de vrouw en [minderjarige] hebben enkel de Bulgaarse nationaliteit.
- De man en [minderjarige] hebben al langere tijd, ten tijde van de zitting anderhalf jaar, geen contact met elkaar.
3. Het verzoek
De man verzoekt, samengevat:
- vaststelling van een omgangsregeling, in die zin dat de man en [minderjarige] contact hebben met elkaar om de week op zondagochtend vanaf 10.00 uur tot zondagavond 18.00 uur, waarbij de man [minderjarige] bij de vrouw thuis ophaalt en vervolgens terugbrengt, alsmede een verdeling van de vakanties en feestdagen, nader door partijen in onderling overleg te regelen.
De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht het verzoek van de man af te wijzen.
4. De beoordeling
Vanwege het feit dat zowel partijen als [minderjarige] de Bulgaarse nationaliteit hebben, draagt deze zaak een internationaal karakter. Daarom dient de rechtbank ambtshalve vast te stellen of de rechtbank internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, en zo ja, welk recht van toepassing is op het verzoek.
Op grond van artikel 7 lid 1 van de EU-Verordening 2019/1111 van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (hierna: Brussel II-ter), is de Nederlandse rechter bevoegd het verzoek van de man te beoordelen, nu [minderjarige] op het moment van de indiening van het verzoek haar gewone verblijfplaats had in Nederland. Op grond van artikel 265 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda relatief bevoegd nu het verzoek een minderjarige betreft die woonplaats heeft in het arrondissement van deze rechtbank. De rechtbank zal hierbij Nederlands recht toepassen.
Ingevolge artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek(BW) heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechtbank ontzegt het recht op omgang ingevolge lid 3 van voornoemd artikel slechts indien
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind,
de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang,
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken,
indien de omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Volgens de man is een omgangsregeling belangrijk voor [minderjarige] om zich te kunnen hechten en wennen aan de man. Zij dient vanaf een jonge leeftijd een sterke band met haar vader op te bouwen. De omgang dient te worden opgebouwd, gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] en het feit dat er maandenlang een omgang heeft plaatsgevonden. De man zal zich aan de afspraken moeten houden om ook het vertrouwen van de vrouw terug te krijgen. De man is ervan overtuigd dat partijen samen en in het belang van hun dochter aan het verbeteren van de onderlinge communicatie dienen te werken. Er zijn geen contra-indicaties voor het opstarten van de omgang en er is ook geen sprake van een van de ontzeggingsgronden zoals genoemd in voornoemd artikel.
Omgang tussen de man en [minderjarige] acht de vrouw schadelijk voor haar ontwikkeling. De relatie van partijen werd gekenmerkt door ernstige en structurele geweldsincidenten. Er is sprake van een patroon van huiselijk geweld. [minderjarige] is geboren in een context van onveiligheid en spanning. Na de geboorte van [minderjarige] heeft de man geen invulling gegeven aan zijn rol als ouder en geen betekenisvolle band met de minderjarige opgebouwd. Het verzoek van de man miskent de voorgeschiedenis. Het opleggen van een omgangsregeling vormt een bron van spanning en angst voor de vrouw, maar heeft ook direct weerslag op de minderjarige. [minderjarige] heeft behoefte aan rust, stabiliteit en een veilige hechtingsomgeving. Het verzoek van de man moet worden afgewezen omdat omgang ernstig nadeel voor de geestelijke en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] oplevert. De man is ook niet in staat om op verantwoorde wijze invulling te geven aan de omgang. Omgang is daarom in strijd met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] .
Eerst ter zitting zijn er over en weer tussen partijen ernstige beschuldigingen en verwijten geuit. Van deze beschuldigingen en verwijten is geen melding gemaakt in de processtukken, noch zijn ze onderbouwd met (een begin van) bewijs. De rechtbank heeft partijen tijdens de zitting ook voorgehouden dat het dossier uitblinkt in onduidelijkheden en gebrek aan onderbouwing. Voorts staan de visies van partijen over gebeurtenissen lijnrecht tegenover elkaar. Duidelijk is dat de communicatie tussen partijen ernstig onder de maat is. Ter zitting is aan partijen meegegeven dat een kind recht heeft op contact met beide ouders, mits dit veilig is en partijen in staat zijn goede afspraken hierover te maken. Om onbelast contact met beide ouders te kunnen realiseren zullen partijen bereid moeten zijn om met hulpverlening te werken aan gezamenlijk ouderschap en het verbeteren van hun communicatie op ouderniveau. Beide partijen hebben echter te kennen gegeven liever niets met de andere partij te maken te hebben. Vast staat ook dat zij in het verleden niets geprobeerd hebben om met hulpverlening in het vrijwillig kader hun gezamenlijk ouderschap vorm te geven en te werken aan hun onderlinge communicatie. Er is nog nooit hulpverlening betrokken geweest bij partijen. Er is in 2022 door de politie een melding gedaan bij Veilig Thuis, maar Veilig Thuis heeft niets van partijen mogen vernemen. Verder zijn er geen signalen dat het met [minderjarige] niet goed zou gaan. Niet in geschil is dat zij een achterstand heeft in de spraak-taal ontwikkeling, maar daarvoor is reeds hulpverlening ingezet. Er is daarom ook geen grond om een onderzoek te gelasten door de Raad. Het is de verantwoordelijkheid van ouders om met hulpverlening te werken aan hun gezamenlijk ouderschap. Indien één van partijen zich zorgen maakt over de veiligheid of de huidige situatie waarin [minderjarige] verkeert, dan is het aan partijen om daarvan melding te maken bij Veilig Thuis en/of het Centrum voor Jeugd en Gezin bij de gemeente. Die kunnen dan onderzoek doen en hulpverlening inzetten en zij kunnen ook, als daartoe aanleiding bestaat, een verzoek tot onderzoek doen bij de Raad. Op dit moment is er echter teveel onduidelijk. Gelet hierop en de zeer jonge leeftijd van [minderjarige] in combinatie met de lange periode van geen contact tussen haar en de man, acht de rechtbank het niet in haar belang om het verzoek van de man in zijn huidige vorm toe te wijzen. Andere manieren om een vorm van contact te bewerkstelligen zijn tijdens de zitting niet gelukt. Hulpverlening in het vrijwillig kader accepteren partijen op dit moment niet, dus rest de rechtbank niets anders dan het verzoek van de man af te wijzen.
Gelet op de relatie van partijen zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5 De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek van de man af;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, en, in tegenwoordigheid van
mr. Mandemakers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.