2. De feiten
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen zijn geregistreerd partners geweest van [datum 1] 2020 tot [datum 2] 2022;
- voorafgaand aan hun geregistreerd partnerschap zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2018,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2019.
- Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over die minderjarigen;
- De minderjarigen staan ingeschreven op het adres van de vrouw.
Ingevolge voormeld ouderschapsplan is de man in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd tot het hebben van contact met de minderjarigen drie aaneengesloten weekenden van vrijdagmiddag tot zondagavond alsmede een verdeling van de vakanties en feestdagen.
[minderjarige 1] heeft een ontwikkelingsachterstand en ontvangt vanaf medio maart 2026 ambulante zorg/begeleiding in de thuissituatie van de vrouw.
3. Het verzoek
De man verzoekt, samengevat:
- Wijzing van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en verzoekt de navolgende regeling voor [minderjarige 1] vast te stellen:
o [minderjarige 1] is in de even weken bij de man en in de oneven weken bij de vrouw;
o De wisseling van [minderjarige 1] vindt plaats op zondag, gelijktijdig met de wissel van [minderjarige 2] ;
o [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn zoveel mogelijk bij elkaar en [minderjarige 1] is één oneven weekend bij de vrouw alleen en dan is [minderjarige 2] dat weekend alleen bij de man;
o Vakantieperiodes worden drie weken voor elke vakantie met betrekking tot de weekenden van [minderjarige 2] afgesproken.
4. De beoordeling
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Op het onderhavige geschil zijn de artikelen 1:253a juncto 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing. Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake een zorgregeling wijzigen indien de omstandigheden nadien zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De rechtbank dient ingevolge artikel 1:253a BW een zodanige beslissing te nemen als haar in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt. Alvorens te beslissen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 Burgerlijk Wetboek BW, een vergelijk tussen beide ouders te beproeven.
Volgens de man heeft [zorgorganisatie 1] geconstateerd dat er zorgen zijn om de verzorging van [minderjarige 1] ; dat moeder dit niet meer aankan. Dit maakt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. [minderjarige 1] heeft te maken met een ontwikkelingsachterstand, zowel cognitief als sociaal-emotioneel. Het ouderschapsplan is niet meer in overeenstemming met de huidige situatie. [minderjarige 1] verbleef doordeweeks 5 dagen op een gespecialiseerde dagopvang. Ook na schooltijd wordt zorg ingekocht. In verband met de financiering vanuit de gemeente is het doordeweekse verblijf van [minderjarige 1] per 5 december 2025 beëindigd en wordt weer teruggegrepen naar de eerdere contactregeling. Dit is niet in het belang van [minderjarige 1] . Samen met [zorgorganisatie 1] zijn er afspraken gemaakt die beter aansluiten bij de huidige situatie. Partijen hebben deze afspraken neergelegd in een ouderschapsplan (bijlage ‘Pogingen [zorgorganisatie 1] ’, productie 6). De tekst van het ouderschapsplan is op verzoek van de man tekstueel aangepast door zijn advocaat. De vrouw is het nu toch niet eens met de gemaakte afspraken. Het is voor de man onduidelijk waarom zij het niet meer eens is met de afspraken. De man maakt zich, gelet op de beperkte draagkracht van de vrouw, grote zorgen om [minderjarige 1] als hij opeens weer een groot deel van de tijd bij de vrouw is. Dit heeft ook te maken met de kindeigenproblematiek van [minderjarige 1] . Het is meerdere malen gebleken dat de vrouw de zorg voor [minderjarige 1] teveel is geworden en dat zij hem naar de [zorgaanbieder] bracht of naar de man. De man vindt het in het belang van [minderjarige 1] dat hij zelf een groter aandeel in de zorg op zich kan nemen zodat de vrouw niet overbelast raakt en stelt de wijziging zoals verzocht voor, zoals ook met de hulpverlening is besproken. De man heeft ook zorgen over de opvoedcapaciteiten van de vrouw ten aanzien van [minderjarige 1] en zou het in het belang van [minderjarige 1] vinden dat er een beschermingsonderzoek wordt verricht door de Raad. Het is voor de man van belang om te weten in hoeverre de vrouw in staat is de zorg voor [minderjarige 1] op zich te nemen. Met een ondertoezichtstelling kan de man instemmen. Volgens de man is zorgelijk dat vanaf januari 2026 een duidelijke terugval in gedrag zichtbaar is. Dit wordt ook gemeld in het ontwikkelperspectiefplan van februari 2026 (productie 7). Deze terugval in gedrag van [minderjarige 1] is opgetreden vanaf het moment dat de oude zorgregeling weer is gaan lopen.
Volgens de vrouw is de situatie rondom [minderjarige 1] de afgelopen periode veranderd vanwege zijn ontwikkelingsproblematiek en het traject bij de [zorgaanbieder] . Dat betekent echter niet dat de door de man voorgestelde regeling in het belang van [minderjarige 1] is. Het ouderschapsplan bevat een gedetailleerde regeling, bedoeld om discussies tussen partijen te voorkomen. [minderjarige 1] heeft een aanzienlijke ontwikkelingsachterstand. Zijn ontwikkelingsleeftijd ligt rond 3 à 4 jaar. Daarom heeft [minderjarige 1] geruime tijd verbleven bij de [zorgaanbieder] , waar hij intensief is geobserveerd en behandeld. Sinds 8 december 2025 is de behandeling beëindigd en is [minderjarige 1] naar huis gekomen en heeft hij conform het huidige ouderschapsplan contact met de man. De [zorgaanbieder] heeft met klem geadviseerd om hulpverlening in te schakelen, maar de man heeft dit geweigerd. Pas na het indienen van een kort geding dagvaarding in het kader van vervangende toestemming gaf hij akkoord. Partijen kunnen niet met elkaar communiceren en de vrouw wenst richting een Parallel Solo Ouderschap (PSO) te gaan. Op 16 maart 2026 is ambulante behandeling voor [minderjarige 1] opgestart, één keer per week gedurende drie uur. [zorgorganisatie 2] zal starten op dinsdag en donderdag na school. Verder is nog steeds onduidelijk naar welke school [minderjarige 1] zal gaan, aangezien er momenteel geen passende plek is binnen de groepen. [minderjarige 1] mag voorlopig nog naar De [zorgaanbieder] komen, vijf dagen per week van 9.00 uur tot 12.00 uur. [zorgorganisatie 1] en De [zorgaanbieder] zijn actief op zoek naar passend onderwijs voor [minderjarige 1] . De vrouw herkent zich niet in de zorgen die de man zou hebben over haar opvoedkwaliteiten. De man heeft dit verder ook niet onderbouwd. Productie 5 van de man weerspreekt de stelling van de man, het gezin is namelijk voldoende zelfredzaam. Verder is van belang dat de ambulante begeleiding van [zorgorganisatie 3] niet direct kon starten. De man weigerde aanvankelijk de benodigde toestemming te verlenen. Pas na het opstarten van een kort geding heeft de man toestemming gegeven. De hulpverlening voor [minderjarige 1] heeft hierdoor vertraging opgelopen. De man werkt verder fulltime (40 uur per week). Indien een week-op-week-af-regeling wordt vastgesteld, betekent dit dat de dagelijkse opvang en begeleiding van [minderjarige 1] in belangrijke mate zou worden verzorgd door de partner van de man. Er moet rekening worden gehouden met de specifieke zorgbehoefte van [minderjarige 1] . De vrouw is overdag beschikbaar en kan de begeleiding rondom school, hulpverlening en structuur direct vormgeven. Daarnaast slapen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de man op 1 slaapkamer, wat de vrouw niet wenselijk acht. Nu er nog veel onduidelijk is voor wat betreft ontwikkeling, hulpverlening en de school van [minderjarige 1] , is stabiliteit in de dagelijkse zorg voor hem van essentieel belang. Een week-op-week-af regeling zou betekenen dat [minderjarige 1] iedere week moet schakelen tussen twee huishoudens en routines. Dit acht de vrouw niet in zijn belang. De man houdt zich daarnaast slechts selectief aan het ouderschapsplan. Een onderzoek door de Raad acht de vrouw niet noodzakelijk, nu er reeds hulpverlening bij het gezin betrokken is ( [zorgorganisatie 1] , [zorgorganisatie 3] en de [zorgaanbieder] ). De situatie wordt reeds professioneel begeleid en de opvoedsituatie bij de vrouw is veilig en stabiel. Een raadsonderzoek of ondertoezichtstelling zou onnodig onrust creëren bij [minderjarige 1] . Het huidige ouderschapsplan dient uitgangspunt te blijven, duidelijke regelingen zodat er zo min mogelijk ruis op de lijn is tussen partijen.
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. De vraag is of een wijziging in de huidige zorgregeling, die nu een aantal maanden loopt, in het belang van [minderjarige 1] is. De rechtbank acht dat op dit moment niet het geval. Vast staat dat [minderjarige 1] een ontwikkelingsachterstand heeft en daardoor meer aandacht en zorg nodig heeft. Op basis van de processtukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht staat voor de rechtbank vast dat structuur erg belangrijk voor hem is en ook dat elke (minimale) verandering effect heeft op hem en zijn gedrag. Sinds december 2025 zijn er al behoorlijk wat wijzigingen opgetreden, zoals van vijf volle dagen per week naar de [zorgaanbieder] naar vijf ochtenden per week naar de [zorgaanbieder] . ’s Middags is hij dan bij de vrouw thuis. Sinds medio maart 2026 worden [zorgorganisatie 3] en [zorgorganisatie 2] ingeschakeld voor (ambulante) begeleiding. Dit zijn in korte tijd drie wijzigingen die in ieder geval invloed hebben op zijn gedrag. Dit blijkt ook uit de stukken dat er sinds januari 2026 wijzigingen in zijn gedrag zijn opgetreden. Naar het oordeel van de rechtbank dienen eerst de wijzigingen van voltijds school naar halve dagen school en de omstandigheid dat er zeer recent ambulante begeleiding in de thuissituatie wordt ingezet te landen bij [minderjarige 1] . Aan deze drie veranderingen moet hij wennen en daarvoor moet hem tijd en ruimte gegund worden. Daarnaast staat er nog een verandering op hem te wachten, aangezien de betrokken hulpverleningsinstanties druk doende zijn passend onderwijs te regelen voor hem. Dit zijn voor [minderjarige 1] grote veranderingen waar hij, gelet op zijn ontwikkelingsachterstand en daarmee samenhangende problematiek, meer tijd voor nodig heeft om aan te wennen. De rechtbank acht het nu van belang dat alle andere omstandigheden, zoals de zorgregeling, gelijk blijven. Dit neemt echter niet weg dat de rechtbank oog heeft voor het verzoek van de man om een zorgregeling te bewerkstelligen waarbij de zorg meer evenredig is verdeeld. De man wil betrokken worden bij de ambulante hulpverlening zoals deze bij de vrouw thuis wordt ingezet. Dit is echter op dit moment niet mogelijk omdat [minderjarige 1] doordeweeks niet bij de man verblijft. De vrouw heeft ter zitting aangeboden dat [minderjarige 1] op vrijdagmiddag om 12.00 uur uit school al naar de man kan gaan. De man kan dan met [zorgorganisatie 1] bewerkstelligen dat er ook bij de man thuis op vrijdagmiddag ambulante hulpverlening wordt ingezet. De Raad heeft ter zitting ook de mogelijkheid van maandagochtend naar voren gebracht, omdat dit aansluit op het verblijf van [minderjarige 1] in het weekend bij de man. Voorts is het van belang dat een vorm van gezamenlijk ouderschap en een meer evenredige zorgverdeling onderwerp van gesprek blijft tussen partijen en [zorgorganisatie 1] (als regievoerder). De rechtbank is met de Raad van oordeel dat een meer evenredige zorgverdeling in de toekomst, als er een meer stabiele situatie voor [minderjarige 1] is gecreëerd, mogelijk zou moeten zijn. Daarvoor is het wel nodig dat ouders hierover het gesprek aan kunnen gaan. Ter zitting is helaas gebleken dat de communicatie tussen partijen te wensen over laat. Hoewel ouders elkaar niet diskwalificeren, is er wel sprake van boosheid en verwijten. De rechtbank acht partijen op dit moment niet in staat zelf een vorm van ouderschap te kunnen realiseren, maar acht daarvoor [zorgorganisatie 1] de aangewezen instanties om ouders daarin te begeleiden. Volgens de advocaat van de vrouw wordt hierop ook nog altijd ingezet door [zorgorganisatie 1] , maar heeft het inregelen van alle zorg en passend onderwijs voor [minderjarige 1] nu prioriteit. De rechtbank benadrukt dat voornoemde onderwerpen (een vorm van ouderschap en een meer evenredige zorgverdeling) onder de aandacht dienen te blijven bij [zorgorganisatie 1] en indien de situatie meer gestabiliseerd is, daar prioriteit aan gegeven moet worden. Indien partijen er in het vrijwillig kader niet in slagen een vorm van ouderschap te bewerkstelligen of de zorgregeling blijvend onderwerp van gesprek te laten zijn, dan kan [zorgorganisatie 1] hiervan melding maken bij de Raad. De Raad kan dan bezien wat er verder nodig is voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en ouders om een opvoedsituatie te creëren waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich goed en onbelast kunnen ontwikkelen.
Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek van de man af.
Gelet op de relatie van partijen zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek van de man af;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. van de Kraats, en, in tegenwoordigheid van
mr. Mandemakers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.