[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de minister van Justitie en Veiligheid, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op het verzoek van 17 maart 2025 om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). Het Woo-verzoek ziet in hoofdlijnen op de volgende thema’s: organisatie, strategie, risicobeheersing, financiën, personeel (HR), beleid, (strafvorderlijke) procedures, incidenten, klachten, integriteit, tuchtrecht, vertrouwenspersonen, psychologische evaluaties/ondersteuning van officieren van justitie, institutionele fouten, zorgplicht en datalekken binnen het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant.
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Het beroep is kennelijk ongegrond. Hierna zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Niet in geschil is dat de beslistermijn voor het informatieverzoek is verstreken voordat eiser op 29 september 2025 beroep heeft ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen op het informatieverzoek voldoet aan de vereisten uit artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Dit brengt mee dat eiser rechtsgeldig beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank stelt vast dat de minister na het instellen van het beroep alsnog op
8 oktober 2025 een deelbesluit heeft genomen. Vervolgens heeft de minister op 4 december 2025 het tweede en laatste deelbesluit genomen op de aanvraag van eiser.
Nu de minister alsnog beslist heeft op de aanvraag van eiser, ziet het belang van eiser in dit beroep nog enkel op de beoordeling van de door hem in de brief van 8 december 2025 verzochte vaststelling van de bestuurlijke dwangsom. Uit artikel 8.2 van de Woo volgt dat de dwangsomregeling van afdeling 4.1.3.2 van de Awb niet van toepassing is op besluiten op grond van de Woo. De rechtbank kan daarom geen dwangsom vaststellen en de minister is geen dwangsom aan eiser verschuldigd. Het beroep van eiser is daarom ongegrond.
Eiser is met het bezwaarschrift van 18 oktober 2025 tegen het besluit van
8 oktober 2025 in bezwaar gekomen bij de minister. Tevens begrijpt de rechtbank uit de brief van eiser van 11 december 2025 dat eiser het niet eens is met het besluit van
4 december 2025. Aangezien de inhoudelijke standpunten nog onvoldoende tussen de minister en eiser zijn uitgekristalliseerd, ziet de rechtbank aanleiding het beroep voor zover gericht tegen de alsnog genomen besluiten van 8 oktober 2025 en 4 december 2025 te verwijzen naar de minister ter behandeling als (aanvullend) bezwaar.
Dit betekent dat de rechtbank het beroepschrift als (aanvullend) bezwaarschrift zal doorzenden aan de minister onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. Nu dit beroep reeds in het bezit is van de minister zal de rechtbank het beroepschrift niet opnieuw toezenden en volstaan met deze mededeling.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
4. Het beroep is kennelijk ongegrond. Omdat het besluit genomen is na het instellen van het beroep moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 15 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.