Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-015724-26
Vonnis van de meervoudige kamer van 15 mei 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1974 in [geboorteplaats] (België),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting in [locatie] ,
raadsman mr. P.A. Groenhuis, advocaat te Breda.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 mei 2026, waarbij de officier van justitie mr. L. van Hemert en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering en als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op
15 januari 2026 ongeveer 7000 gram cocaïne heeft uitgevoerd naar België, dan wel heeft vervoerd.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 6930 gram cocaïne heeft uitgevoerd, zoals primair is ten laste gelegd.
Het standpunt van de verdediging
Gelet op de bekennende verklaring van verdachte is door de verdediging geen bewijsverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
Aangezien verdachte ten aanzien van het onder 4.4 bewezen verklaarde feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Wanneer in de bewijsmiddelen hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer G249125024929 van de Koninklijke Marechaussee en Douane, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 204.
De rechtbank acht het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de ter zitting van 1 mei 2026 afgelegde bekennende verklaring van verdachte;
- het proces-verbaal van bevinding van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 15 januari 2026, p. 121-123;
- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van opperwachtmeesters der Koninklijke Marechaussee Brigade Recherche [verbalisant 3] en [verbalisant 4] van 16 januari 2026, p. 126-135;
- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee Brigade Recherche [verbalisant 3] van 16 januari 2026 met bijlage, p. 136-140;
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 15 januari 2026 te Breda opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht 6930 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De rechtbank heeft binnen de grenzen van de tenlastelegging het exacte gewicht van de cocaïne in de bewezenverklaring opgenomen. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt bij het bepalen van de straf rekening te houden met het feit dat verdachte volledig heeft meegewerkt aan het onderzoek en first offender is. De verdediging verzoekt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
Het oordeel van de rechtbank
Op verzoek van een derde heeft de in Duitsland wonende verdachte bijna zeven kilo cocaïne opgehaald in Amsterdam en die op 15 januari 2026 naar België vervoerd. Verdachte heeft bekend met de cocaïne in de kofferbak vanuit Amsterdam naar België te hebben gereden. Verdachte zou voor dit klusje € 2.000,00 krijgen.
Cocaïne is een stof die verslavend werkt en schadelijk is voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Daarnaast worden door de uitvoer van drugs de (internationale) handel in verdovende middelen en alle nadelige effecten daarvan in stand gehouden. Die handel veroorzaakt vaak overlast en zorgt ook voor andere vormen van criminaliteit, waaronder zelfs liquidaties. Verdachte is als koerier weliswaar geen ‘grote jongen’ in het geheel, maar wel een onmisbare schakel.
De rechtbank houdt bij de strafbepaling rekening met de oriëntatiepunten voor straftoemetingvan het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Het oriëntatiepunt voor het uitvoeren van zes tot zeven kilo harddrugs is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 40 tot 42 maanden. Ook voor iemand als verdachte, die voor de eerste keer met de Nederlandse justitie in aanraking komt.
De rechtbank ziet in de persoon en proceshouding van de verdachte echter wel aanleiding om een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen. Verdachte heeft vanaf het begin bekend de cocaïne te hebben uitgevoerd en hiervan spijt te hebben. Bij de politie vertelde hij echter nog dat de cocaïne voor hemzelf bestemd was en door hem doorverkocht zou worden. Op zitting heeft hij verklaard en uitgelegd dat hij slechts chauffeur was. Door financiële problemen is hij op het verzoek van een derde ingegaan. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan deze bijgestelde versie van verdachte. Nader onderzoek door de politie heeft geen aanwijzingen voor een grotere rol opgeleverd. De rechtbank gelooft verdachte dat dit een éénmalige misstap is geweest. Hoewel dit zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid niet wegneemt, houdt de rechtbank bij de strafoplegging dan ook rekening met zijn beperkte rol binnen het geheel. Daar staat tegenover dat koeriers een onmisbare schakel vormen in de logistiek van de georganiseerde drugshandel. Bovendien zullen de financiële problemen van hem en zijn vrouw niet voorbij zijn als verdachte op enig moment weer vrij komt. Ook om in de toekomst de verleiding te weerstaan van makkelijk snel, maar crimineel geld verdienen, vindt de rechtbank een voorwaardelijk deel op zijn plaats.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 42 maanden met aftrek van het voorarrest passend en geboden is, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het primair tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Faouzi, voorzitter, en mr. D.H. Hamburger en mr. R.J.H. de Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Bos, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 15 mei 2026.
Bijlage I: De gewijzigde tenlastelegging
hij op of omstreeks 15 januari 2026 te Breda, althans in Nederland, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 7000 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 10 lid 5 Opiumwet, art 2 ahf/ond A Opiumwet )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 15 januari 2026 te Breda, althans in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 7000 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet )