RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444998 / JE RK 26-254
Datum uitspraak: 15 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
bijgestaan door mr. J.C. Hissink, advocaat in Tilburg,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
mr. N.A. Boelhouwer,
advocaat in Tilburg,
hierna te noemen: de gezinsadvocaat.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de kinderrechter over het verzoek geadviseerd.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 februari 2026;
het verslag van de gezinsadvocaat, van de GI ontvangen op 2 maart 2026;
het gewijzigde verzoekschrift, ontvangen op 24 maart 2026;
de schriftelijke reactie van de moeder op het verzoekschrift, met bijlagen, van de advocaat ontvangen op 27 maart 2026.
De zitting heeft, met gesloten deuren, plaatsgevonden op 1 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de vader;
de gezinsadvocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
[minderjarige] is in de gelegenheid gesteld haar mening over het verzoek van de GI te geven. [minderjarige] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de moeder. Bij beschikking van 12 juli 2024 is de bij beschikking van 15 november 2022 bepaalde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd in die zin dat onder meer een co-ouderschapsregeling is vastgesteld.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 september 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 14 september 2025 tot 14 september 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt -na wijziging van het verzoek- de door de kinderrechter op 12 juli 2024 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken op grond van artikel 1:265g lid 1 BW te wijzigen in die zin dat voor [minderjarige] een regeling geldt waarbij zij tenminste een weekend per twee weken van vrijdag na school tot maandag voor school bij de moeder zal zijn, met een uitbreiding van vrijdag na school tot en met woensdag voor school, zo lang dit volgens de GI in het belang van [minderjarige] is, dan wel een regeling door de rechtbank te bepalen, alsmede de te geven beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten en het advies van de Raad
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] en haar [broer minderjarige] woonden tot voor kort om de week bij hun vader en moeder, volgens een co-ouderschapsregeling. Vanaf april 2025 is De Gezinsadvocaat betrokken bij het gezin, met als doel de onrust omtrent regelzaken met betrekking tot de kinderen weg te nemen, aangezien de communicatie en samenwerking tussen de ouders al langdurig ernstig verstoord is. Tijdens het proces bij De Gezinsadvocaat is gezien dat de vader op een constructieve manier overleg voert, zich aan afspraken houdt en openstaat voor advies en hulp. De moeder daarentegen heeft moeite om tot overleg te komen, negeert de gemaakte afspraken en staat minder open voor advies. De moeder belast [minderjarige] met de onrust en strijd tussen haar en de vader. Daarnaast gaat zij niet respectvol om met de privacy van [minderjarige] ; ze controleert haar telefoon en spullen en confronteert haar daarmee. Er gebeuren belastende dingen, zoals een incident waarbij de moeder boos bij de vader aan de deur is verschenen. Dit zorgt voor onrust en emotionele belasting van [minderjarige] .
De zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] blijven bestaan. Zij bevindt zich in een diepgaand loyaliteitsconflict. De GI is van mening dat de huidige co-ouderschapsregeling te belastend is voor [minderjarige] , vanwege de spanningen tussen de ouders en de emotionele druk die zij ervaart tijdens haar verblijf bij de moeder. Daarom verzoekt de GI om de bestaande regeling tijdelijk op te schorten en in plaats daarvan een minimale zorgregeling vast te stellen van één weekend per twee weken bij de moeder. [minderjarige] heeft zelf aangegeven van vrijdag na school tot woensdag voor school bij haar moeder te willen zijn. Ze heeft hier goed over nagedacht, maar de GI ziet ook dat deze wens mogelijk wordt beïnvloed door loyaliteit aan haar moeder en de angst voor haar reactie als ze haar eigen voorkeur uitspreekt. De GI is bereid om de door [minderjarige] gewenste regeling te volgen, maar vindt het belangrijk dat er ruimte blijft om terug te gaan naar de minimale regeling van één weekend per twee weken. Dit moet kunnen als blijkt dat de moeder [minderjarige] opnieuw emotioneel belast of als de situatie voor [minderjarige] onveilig of schadelijk wordt. Daarom is het noodzakelijk dat de GI de mogelijkheid behoudt om de zorgregeling aan te passen als dat in het belang van [minderjarige] is. Op dit moment geldt al de regeling zoals [minderjarige] die heeft bedacht en verblijft zij om de twee weken van vrijdag na school tot woensdag voor school bij haar moeder. [minderjarige] heeft aangegeven dat deze regeling haar meer rust geeft.
Door en namens de moeder is verzocht om het verzoek af te wijzen. De moeder vindt het verdrietig en moeilijk om te horen dat tot deze keuze is gekomen. Ze wil echter, in het belang van [minderjarige] , meewerken aan de huidige regeling. De moeder vindt het belangrijk dat [minderjarige] de keuze maakt wanneer ze waar verblijft. Wel ziet de moeder de huidige regeling als een tijdelijke oplossing. Ze voert daartoe aan dat er veel onrust in haar buurt is, hetgeen een negatieve invloed heeft gehad op de situatie. Dit wordt nu actief aangepakt. Zodra die problemen zijn opgelost, verwacht de moeder dat de oorspronkelijke co-ouderschapsregeling weer kan worden hervat. De moeder is van mening dat in het verslag van De Gezinsadvocaat een onjuist en onvolledig beeld wordt geschetst van haar. Ook is er naar haar mening nog onvoldoende onderzoek gedaan naar wat op langere termijn het beste is voor [minderjarige] . Wat op dit moment in het belang van [minderjarige] is, vindt zij zelf ook belangrijk, maar dit moet niet leiden tot een definitieve beslissing of vastlegging, zeker niet van de minimale regeling van één weekend per twee weken. Voor de moeder is het belangrijk dat [minderjarige] contact blijft houden met beide ouders. Ze is ervan overtuigd dat de rust terugkeert zodra ze is verhuisd. Dat staat los van haar rol als ouder. Zij kan [minderjarige] als moeder ook stabiliteit, structuur en betrokkenheid bieden. Daarom verzoekt de moeder om het verzoek van de GI zoals dat nu voorligt af te wijzen.
Door de vader is aangegeven dat hij instemt met wijziging van de regeling. Sinds de wijziging is het voor [minderjarige] rustiger geworden. De vader benadrukt dat het niet alleen om de burenruzie gaat; er speelt veel meer tussen de ouders. De communicatie is al sinds de scheiding in 2013 fors verstoord. Voor de vader is het niet nodig om de regeling te beperken tot één weekend per twee weken. Hij vindt dat de huidige regeling, waarbij [minderjarige] van vrijdag tot woensdag bij haar moeder is, vastgelegd kan worden. Volgens hem moet dit nu definitief vastgelegd worden, zodat er duidelijkheid en vastigheid komt. Hij geeft aan dat hij de ruimte heeft om de zorg voor [minderjarige] op zich te nemen.
De gezinsadvocaat heeft, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De afgelopen maanden heeft de gezinsadvocaat met [minderjarige] besproken wat zij zou willen in de zorgregeling, omdat duidelijk was dat zij ergens mee zat. De door de GI verzochte regeling sluit aan bij [minderjarige] wens en is in haar belang. Volgens de gezinsadvocaat moet deze regeling worden vastgelegd en niet gezien worden als een tijdelijke oplossing. Mocht de situatie in de toekomst veranderen en [minderjarige] meer tijd bij haar moeder willen doorbrengen, dan kan dat in overleg met de ouders opnieuw worden bekeken. Daarnaast licht de gezinsadvocaat toe dat zij aan de GI geadviseerd heeft om, naast dit verzoek, ook een verzoek tot verlening van een machtiging uithuisplaatsing in te dienen. Omdat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder is vastgesteld, maar zij nu onder toezicht staat en grotendeels bij haar vader verblijft, is een dergelijk verzoek nodig.
De Raad adviseert, samengevat, als volgt. Tijdens de zitting is gebleken dat er veel strijd is tussen de ouders, maar ook dat er positieve ontwikkelingen zijn. Sinds de wijziging van de zorgregeling gaat het beter tussen de moeder en [minderjarige] . De huidige regeling verloopt goed en iedereen kan zich erin vinden. Hoewel het niet de voorkeur van de moeder heeft, vindt zij het belangrijk dat [minderjarige] gelukkig is en sluit zij zich daarom bij de regeling aan. De ouders kunnen echter niet goed samenwerken en de Raad twijfelt sterk of dit in de toekomst nog zal veranderen. Daarom adviseert de Raad om een duidelijke uitspraak te doen over de zorgregeling en deze vast te leggen. De ouders moeten stoppen met de ander verwijten maken en zich richten op het zo goed mogelijk zorgen voor de kinderen wanneer zij bij hen zijn, met de verwachting dat de andere ouder dat ook doet.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Ingevolge artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter gedurende de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedtaken wijzigen of vaststellen indien dat in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
De kinderrechter kan de hiervoor genoemde regeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Inhoudelijke beoordeling
Naar het oordeel van de kinderrechter is sprake van een relevante wijziging van omstandigheden, zodat de GI in het verzoek kan worden ontvangen.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting blijkt dat er in de afgelopen maanden zorgen zijn geweest over de situatie van [minderjarige] bij de moeder. De gezinsadvocaat is betrokken geraakt en heeft regelmatig contact met [minderjarige] gehad en heeft haar regelmatig gesproken omdat duidelijk was dat [minderjarige] ergens mee zat. In deze gesprekken is naar voren gekomen dat [minderjarige] meer rust, begrip en minder belasting ervaart bij haar vader. De gezinsadvocaat heeft naar aanleiding hiervan met [minderjarige] besproken wat zij zou willen in de zorgregeling. Uiteindelijk is de zorgregeling, conform de wens van [minderjarige] , aangepast. Sinds februari 2026 verblijft [minderjarige] om de week van vrijdag na school tot woensdag voor school bij haar moeder. De andere dagen verblijft zij bij haar vader.
De ouders verschillen van mening over de duur van deze regeling. De moeder steunt de gewijzigde regeling, maar ziet het als een tijdelijke regeling. De vader is daarentegen van mening dat de gewijzigde regeling als definitieve regeling moet worden vastgesteld. De moeder heeft aangevoerd dat de wens van [minderjarige] om meer bij de vader te verblijven is ingegeven door de onrust in de buurt. Deze situatie wordt actief aangepakt en als de moeder verhuisd is zal er veel meer rust zijn voor [minderjarige] bij haar thuis en kan de co-ouderschapsregeling worden hervat, aldus de moeder. De kinderrechter overweegt dienaangaande dat de door de moeder benoemde onrust in de buurt zeker niet zal hebben bijgedragen aan het welbevinden van [minderjarige] , maar dat uit het verslag van de gezinsadvocaat anders blijkt. In dit verslag wordt aangegeven dat [minderjarige] heel veel last heeft van de spanning tussen de ouders. Alle regelzaken leveren stress en conflicten tussen de ouders op. Uit gesprekken met de ouders, [minderjarige] en uit de mailcontacten is het de gezinsadvocaat gebleken dat het voor de moeder niet mogelijk is om constructief met de vader te communiceren. [minderjarige] heeft aangegeven dat ze zou willen dat haar ouders ooit normaal zouden gaan doen en dat met name de moeder alleen maar boos kan worden op de vader. [minderjarige] heeft geuit dat ze veel hinder van de situatie heeft. Uit het verslag blijkt voorts dat de vader wel en de moeder niet in staat is om constructief te overleggen en zich aan de gemaakte afspraken te houden. Voorts blijkt uit het verslag dat de vader is te sturen en dat hij openstaat voor aanwijzingen en hulpverlening terwijl de moeder daarvoor niet, althans verminderd openstaat. Door de gezinsadvocaat wordt verder gezien dat de vader in staat is om in het belang van de kinderen over zijn eigen belang heen te stappen en dat dit de moeder niet tot nauwelijks lukt.
Hoewel de moeder zich op het standpunt heeft gesteld dat het verslag onjuist en onvolledig is, kan wel vastgesteld worden dat de ouders al jarenlang in een forse ouderstrijd verwikkeld zijn, dat hun onderlinge relatie enorm is verstoord en dat er geen mogelijkheid is om als ouders constructief samen te werken in het belang van de kinderen. [minderjarige] is hierdoor in een heel lastige positie terechtgekomen en is klem komen te zitten tussen de ouders. Het is knap van haar dat zij zich tijdens de gesprekken met de gezinsadvocaat heeft uitgesproken en dat zij uiteindelijk heeft bedacht op welke wijze de situatie minder belastend voor haar zal zijn.
De kinderrechter begrijpt dat dit alles ook voor de moeder moeilijk is en dat het de moeder verdriet doet. Het is dan ook te prijzen dat zij heeft ingestemd om de regeling conform de wens van [minderjarige] aan te passen. Bij de beoordeling van het verzoek staat het belang van [minderjarige] voorop. Voor haar ontwikkeling is het belangrijk dat zij zo min mogelijk belast wordt met de ouderstrijd en dat er rust in de situatie komt.
De kinderrechter betreurt dat het na zoveel jaren nog niet is gelukt om de samenwerking tussen de ouders te verbeteren. Omdat eerdere hulpverlening niet tot verbetering heeft geleid, is ook niet te verwachten dat dit op korte termijn zal veranderen. Naar het oordeel van de kinderrechter is het dan ook in het belang van [minderjarige] dat er een duidelijke en definitieve regeling komt. De sinds februari 2026 geldende regeling waarbij [minderjarige] één keer in de twee weken van vrijdag na school tot en met woensdag voor school bij de moeder verblijft zal daarom zonder voorbehouden en/of voorwaarden vastgesteld worden, waardoor (eventuele) onzekerheid en/of onduidelijkheid wordt uitgesloten. Mocht er in de toekomst iets veranderen, dan kan een nieuw verzoek worden ingediend. De bij beschikking van 12 juli 2024 vastgestelde vakantieregeling blijft ongewijzigd.
Ten overvloede merkt de kinderrechter het volgende op. Aangezien het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder is bepaald en [minderjarige] onder toezicht van de GI is gesteld, is er op grond van artikel 1:265b BW een machtiging tot uithuisplaatsing bij de andere ouder met gezag nodig zolang de ondertoezichtstelling loopt en het hoofdverblijf niet bij de vader is bepaald.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
wijzigt de bij beschikking van 12 juli 2024 bepaalde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en bepaalt dat [minderjarige] één keer in de twee weken van vrijdag na school tot en met woensdag voor school bij de moeder verblijft;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verstaat dat ten aanzien van de vakanties de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders geldt, zoals deze is vastgelegd in de beschikking van 12 juli 2024;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026 doormr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. van Krieken als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.