RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
vonnis
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaakgegevens: C/02/445166 / KG ZA 26-83
Datum uitspraak: 15 april 2026
Vonnis in kort geding tot het verkrijgen van vervangende toestemming voor een vakantie
in de zaak van
[de vrouw]
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
advocaat: mr. T.M. Coppes te Aerdenhout,
tegen
[de man]
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers te Eindhoven,
over de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2019 in [geboorteplaats] (Texas, Verenigde Staten van Amerika), hierna te noemen: [minderjarige 1] ; [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2021 in [geboorteplaats] (Texas, Verenigde Staten van Amerika), hierna te noemen: [minderjarige 2] ,hierna gezamenlijk ook te noemen: de minderjarigen.
Als informant wordt in deze procedure aangemerkt:
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Etten-Leur.
1. Het verdere verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 1 april 2026 en alle daarin vermelde stukken;
de op 2 april 2026 ontvangen nadere informatie van de vrouw;
de brief van mr. van der Vegt-Boshouwers van 3 april 2026;
de brieven van mr. Coppes van 3 april 2026.
2. De feiten
De voorzieningenrechter verwijst voor de relevante feiten naar het in deze procedure op 1 april 2026 gewezen tussenvonnis.
3. De vorderingen
Ter beoordeling liggen thans de navolgende vorderingen nog voor:
De vrouw vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. om aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarigen in de meivakantie van 2026, van zaterdag 18 april 2026 tot dinsdag 5 mei 2026, voor een familiebezoek naar de Verenigde Staten af te reizen;
II. te bepalen dat de vervangende toestemming van de rechtbank strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de man;
III. te bepalen dat de man de paspoorten en de verblijfsvergunningen van de minderjarigen op de eerste dag na de uitspraak dat de vrouw weer in de woning komt voor de zorg voor de minderjarigen achterlaat op de woonkamertafel, zodat de vrouw deze voor het boeken van de tickets en de reis in haar bezit heeft,
IV. met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.
De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw in conventie en concludeert tot afwijzing van die vorderingen. Als voorwaardelijke eis in reconventie vordert de man, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vrouw de paspoorten van de minderjarigen binnen twee dagen na terugkeer in Nederland aan de man dient te retourneren, op straffe van een dwangsom van € 100,= per dag dat de vrouw weigert uitvoering te geven aan het vonnis.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang en onder verwijzing naar het tussenvonnis van 1 april 2026, nader ingegaan.
4. De nadere beoordeling in conventie en in reconventie
Nader verkregen informatie
Bij tussenvonnis van 1 april 2026 heeft de voorzieningenrechter de vordering in conventie van de vrouw met betrekking tot de zomervakantie afgewezen. Hoewel, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, de vordering ter verkrijging van vervangende toestemming voor de vakantie naar de Verenigde Staten in de meivakantie in beginsel voor toewijzing gereedligt, heeft de voorzieningenrechter het te vroeg geacht om meteen een eindvonnis te wijzen. De voorzieningenrechter heeft daarom de beslissing op de overige (voorwaardelijke) vorderingen (in conventie en in reconventie) aangehouden en de vrouw in de gelegenheid gesteld om binnen één week de reisgegevens, waaronder de retourtickets, het reisschema en het verblijfsadres in de Verenigde Staten, te overleggen voor de beoogde vakantie in de meivakantie en inzicht te geven in wanneer en hoe het contact tussen de man en de minderjarigen, al dan niet met tussenkomst van de GI of [zorgcoach] , zal worden gerealiseerd.
Bij berichten van 2 april 2026 en 3 april 2026 is namens de vrouw een toelichting gegeven op de door de voorzieningenrechter gevraagde reisinformatie en heeft de vrouw de retourtickets voor de vakantie overgelegd. De vrouw zal op 18 april 2026 om 7:00 uur met de minderjarigen vanuit Brussel, via Frankfurt, naar Dallas vliegen. De partner van de vrouw zal hen rond middernacht richting het vliegveld brengen. De vrouw zal met de minderjarigen verblijven op het adres van de grootouders moederszijde in [geboorteplaats] , Texas. Wegens zorgen over de privacy van de grootouders wenst de vrouw dat de adressen van de grootouders (zowel moederszijde als vaderszijde) niet in het vonnis worden opgenomen. De man is bekend met het adres van de grootouders moederszijde. Op 4 mei 2026 16:00 uur zal de vrouw met de minderjarigen vanuit Dallas, via Frankfurt, terugvliegen naar Brussel. Zij zullen op 5 mei 2026 om 12:45 uur aankomen in Brussel en met de trein terugkeren naar de echtelijke woning in [woonplaats] .
De vrouw zal de man direct na landing in Dallas per sms op de hoogte stellen van de aankomst. Ook zal de vrouw de man na landing in Brussel en bij aankomst in de woning in [woonplaats] per sms daarvan op de hoogte stellen. Daarnaast stelt de vrouw voor dat de minderjarigen op 19 april (de dag na aankomst) en op 4 mei (de dag van vertrek) om 17.00 uur Nederlandse tijd zijnde 10.00 uur in Texas contact hebben met de man. Dit komt overeen met hetzelfde aantal keren dat de minderjarigen contact hebben gehad met de vrouw toen zij met de man in de Verenigde Staten waren. Ook zorgen deze geplande contactmomenten voor consistentie en biedt dit de minderjarigen tegelijkertijd ononderbroken tijd met de familie moederszijde. Wanneer de minderjarigen bij de vrouw aangeven dat zij extra contact willen met de man, dan zal de vrouw dit faciliteren. De vrouw is van mening dat tussenkomst van de GI of [zorgcoach] bij dit contact niet noodzakelijk is.
Bij bericht van 3 april 2026 is namens de man gereageerd op het bericht van de vrouw van 2 april 2026. De man persisteert in zijn verweer. De zorgen van de man zijn door het bericht van de vrouw niet weggenomen. De man vindt het noodzakelijk dat de GI betrokken wordt bij de communicatie, althans daarop toezicht zal kunnen houden. Ook vindt de man de door de vrouw voorgestelde contactmomenten onvoldoende. De man verzoekt om, bij het verlenen van vervangende toestemming aan de vrouw, te bepalen dat de vrouw haar aankomst op locatie aan de man bevestigt, dat de minderjarigen op de eerste of tweede dag na aankomst zelf even contact kunnen hebben met de man en dat er in ieder geval 2 keer per week contact wordt gefaciliteerd met de minderjarigen, waarbij duidelijkheid moet bestaan over de duur van het contact. De man vindt het, ter voorkoming van discussie, van belang dat uit het vonnis blijkt wat het verblijfsadres is van de minderjarigen. De man zal gedurende de vakantie in de echtelijke woning verblijven en bij terugkomst van de vrouw zal het reguliere zorgschema worden hervat.
Vervangende toestemming meivakantie
De voorzieningenrechter stelt vast dat de vrouw middels haar berichten inzicht heeft gegeven in haar voorgestelde reis. De vrouw heeft de retourtickets voor de reis overgelegd, inzicht gegeven in haar reisschema en het verblijfadres in de Verenigde Staten. De vrouw heeft eveneens een voorstel gedaan voor de contactmomenten tussen de man en de minderjarigen en inzicht gegeven in hoe dit contact zal worden gefaciliteerd. Hiermee heeft de vrouw, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, voldoende inzichtelijk gemaakt hoe de aankomende vakantie eruit zal komen te zien. De voorzieningenrechter zal daarom, onder verwijzing naar hetgeen daaromtrent is overwogen in het tussenvonnis van 1 april 2026, de vervangende toestemming voor de vakantie van de vrouw met de minderjarigen naar de Verenigde Staten in de meivakantie van 18 april 2026 en tot 5 mei 2026 verlenen, waarbij de vrouw en de minderjarigen zullen verblijven op het adres van de grootouders moederszijde Aangezien de vrouw onweersproken heeft gesteld dat de man op de hoogte is van dit adres, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen belang is bij het vermelden van het adres in dit vonnis.
Ten aanzien van het contact tussen de man en de minderjarigen tijdens de meivakantie merkt de voorzieningenrechter ten overvloede het volgende op. De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen het over de frequentie en de duur van het contact niet eens lijken te zijn. Partijen hebben echter geen vorderingen ingesteld over hoe het contact zou moeten verlopen in het geval er toestemming zou worden verleend. Desondanks vindt de voorzieningenrechter het wel belangrijk dat er voldoende contact is tussen de man en de minderjarigen en overweegt hiertoe als volgt. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de minderjarigen, zoals door de vrouw toegezegd, ook naast de door de vrouw voorgestelde momenten door de vrouw in de gelegenheid worden gesteld om contact op te nemen met de man wanneer zij daar behoefte aan hebben. Het contact tussen de man en de minderjarigen kan weliswaar rechtstreeks plaatsvinden, maar de voorzieningenrechter vindt het om te voorkomen dat het contact tussen partijen tijdens de meivakantie tot problemen leidt in het contact tussen de man en de minderjarigen – anders dan de vrouw stelt – wel belangrijk dat ook de GI wordt geïnformeerd over het onderlinge contact tussen partijen. De GI dient immers in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling zicht te kunnen houden op het welbevinden van de minderjarigen. Vanuit de GI zal bovendien, blijkens de toelichting tijdens de mondelinge behandeling, door middel van de inzet van [zorgcoach] worden gestart met een traject dat zich richt op het verbeteren van de oudercommunicatie.
Afgifte paspoorten en verblijfsvergunningen aan de vrouw
Nu aan de vrouw vervangende toestemming zal worden verleend om met de minderjarigen op vakantie naar de Verenigde Staten te gaan in de meivakantie, zal ook de vordering tot afgifte van de paspoorten en verblijfsvergunningen van de minderjarigen worden beoordeeld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat vast dat de vrouw ook bij deze vordering, in verband met de vordering ter verkrijging van vervangende toestemming voor de vakantie, een voldoende spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat tot een inhoudelijke beoordeling van deze vordering kan worden overgegaan. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat voor de reis als vanzelfsprekend voorafgaand aan en tijdens de vakantie dient te kunnen beschikken over de paspoorten en verblijfsvergunningen van de minderjarigen. De minderjarigen hebben immers voor de vakantie hun paspoort nodig. Daarom zal ook de vordering tot afgifte van de paspoorten en verblijfsvergunningen voorafgaand aan de reis worden toegewezen. De man dient de paspoorten en verblijfsvergunningen van de minderjarigen aan de vrouw beschikbaar te stellen ten behoeve van de vakantie al dan niet door deze achter te laten in de echtelijke woning op een voor de vrouw toegankelijke plek.
Voor zover de vordering van de vrouw ziet op de afgifte van de paspoorten en verblijfsvergunningen voorafgaand aan het boeken van de tickets voor de vakantie, zal dit worden afgewezen. Gebleken is immers dat de vrouw reeds vliegtickets heeft aangeschaft, waardoor de vrouw geen belang meer heeft bij dit deel van haar vordering.
Retourneren van de paspoorten aan de man
Aangezien de voorzieningenrechter aan de vrouw toestemming heeft verleend voor de reis naar de Verenigde Staten in de meivakantie, komt de voorzieningenrechter nu ook toe aan de beoordeling van de voorwaardelijke vordering in reconventie van de man. Ook hierbij dient de voorzieningenrechter allereerst te beoordelen of de man een voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn vordering in reconventie (artikel 254 Rv). Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat het spoedeisend belang ten aanzien van deze vordering ontbreekt. Niet gesteld, noch gebleken is dat de man direct na terugkomst van de vrouw met de minderjarigen opnieuw dient te kunnen beschikken over de paspoorten van de minderjarigen. Overigens is niet enkel het visum van de man, maar ook het visum van de vrouw aan het visum van de minderjarigen gerelateerd. De voorzieningenrechter zal de (voorwaardelijke) vordering van de man in reconventie daarom afwijzen.
Uitvoerbaar bij voorraad
De voorzieningenrechter zal de beslissing, gelet op de aard daarvan, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals over en weer door partijen is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing
Proceskostenveroordeling
De voorzieningenrechter ziet, in hetgeen partijen hierover hebben aangevoerd, geen aanleiding om de man als gedaagde partij te veroordelen in de kosten van dit geding en daarmee af te wijken van het uitgangspunt dat de proceskosten in zaken met een familierechtelijk karakter worden gecompenseerd. De voorzieningenrechter zal deze vordering van de vrouw daarom afwijzen en bepalen dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Het voorgaande leidt tot de volgende definitieve beslissing.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
In conventie:
verleent aan de vrouw – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man – vervangende toestemming om in de meivakantie van 2026, van zaterdag 18 april 2026 tot dinsdag 5 mei 2026, met [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2019 in [geboorteplaats] (Texas, Verenigde Staten van Amerika) en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2021 in [geboorteplaats] (Texas, Verenigde Staten van Amerika) op vakantie te gaan naar de Verenigde Staten voor een familiebezoek;
veroordeelt de man om de paspoorten en verblijfsvergunningen van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voor 18 april 2026 aan de vrouw beschikbaar te stellen ten behoeve van de vakantie, al dan niet door deze achter te laten in de echtelijke woning op een voor de vrouw toegankelijke plek;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;
In reconventie:
wijst de voorwaardelijke vordering in reconventie van de man af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Sumner, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. Palings, griffier.