beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummers: C/02/435543 / FA RK 25-2562
C/02/444396 / FA RK 26-430
datum uitspraak: 15 april 2026
(tussen)beschikking gelasten DNA-onderzoek
in de zaak van
mr. Y.I.B. Grosfeld, advocaat in Breda, in haar functie als bijzondere curator over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige] ,
verzoeker inzake FA RK 26-430
belanghebbende inzake FA RK 25-2562
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 1] , Verenigde Staten,
advocaat: mr. M.T. Wernsen in Voorburg,
verzoeker inzake 25-2562
belanghebbende inzake 26-430
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. P.P.M. Hendrikx-Heeren in Breda,
verweerster inzake 25-2562
belanghebbende inzake 26-430
Inzake FA RK 25-2562 en FA RK 26-430:
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1. Het procesverloop
Inzake FA RK 25-2562:
In het dossier zitten de volgende stukken:
- de beschikking van 22 oktober 2025;
- de brief van de bijzondere curator van 13 november 2025;
- het F9-formulier van mr. Wernsen van 27 januari 2026;
Inzake FA RK 26-430:
het verzoek van de bijzondere curator van 13 november 2025;
het F9-formulier van mr. Hendrikx-Heeren van 27 januari 2026;
het F9-formulier met brief van mr. Wernsen van 28 januari 2026;
het F9-formulier van mr. Wernsen van 23 maart 2026.
2. De (verdere) beoordeling
Inzake FA RK 25-2562 en FA RK:
De rechtbank verwijst naar voormelde beschikking van 22 oktober 2025. Daarbij is de bijzondere curator in de gelegenheid gesteld zich uit te laten of zij het gelasten van een DNA-onderzoek in het belang van [minderjarige] acht.
Uit het verslag van de bijzondere curator van 13 november 2025 blijkt dat de bijzondere curator het in het belang van [minderjarige] acht dat een DNA-onderzoek plaatsvindt zodat bekend wordt of de man de biologische vader van [minderjarige] is, zodat er voor haar duidelijkheid omtrent haar afstamming ontstaat.
Bij brief van 28 januari 2026 heeft mr. Wernsen de rechtbank namens de man bericht dat hij instemt met het laten uitvoeren van een DNA-onderzoek. De man is van mening dat als uit het DNA-onderzoek blijkt dat de man niet de biologische vader van [minderjarige] is, de kosten van dit DNA-onderzoek door de vrouw alleen moeten worden gedragen. De man verzoekt de rechtbank bij tussenbeschikking een DNA-onderzoek te gelasten en de zaak aan te houden in afwachting van het resultaat van het DNA-onderzoek.
Uit het F9-formulier van van mr. Hendrikx-Heeren van 27 januari 2026 blijkt dat de vrouw instemt met het advies en het verzoek van de bijzondere curator tot het gelasten van een DNA-onderzoek.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken overweegt de rechtbank als volgt. Voor alle partijen, en in de eerste plaats voor [minderjarige] , acht de rechtbank het van belang dat er nu duidelijkheid komt over de vraag of de man al dan niet de biologische vader van [minderjarige] is. De rechtbank zal daarom, zoals is verzocht, een DNA-onderzoek gelasten om antwoord te geven op die vraag. De rechtbank zal [B.V.] te [plaats] als deskundige benoemen om dit DNA-onderzoek te verrichten. De man en de vrouw moeten voor het maken van een afspraak voor dit onderzoek zelf telefonisch contact opnemen met deze deskundige. Hiervoor moeten zij, binnen één maand na de datum van deze beschikking, telefonisch contact opnemen via het telefoonnummer [telefoonnummer] .
Aangezien het voor de beslissing omtrent de kosten van het DNA-onderzoek van belang is om te weten of de man de biologische vader van [minderjarige] is of niet, zal de rechtbank de beslissing op dat verzoek, in afwachting van het resultaat van voormeld DNA-onderzoek, pro forma aanhouden voor de duur van drie maanden, tot hierna te noemen datum. Na ontvangst van voormeld rapport zullen partijen (via hun advocaten) in de gelegenheid worden gesteld om schriftelijk hierop te reageren en het door hen gewenste verdere procesverloop van deze zaak kenbaar te maken.
Betaling voorschot
De kosten van het DNA-onderzoek worden voorlopig geschat op € 755,- (inclusief BTW). Op grond van artikel 195 Rv dient de verzoekende partij de kosten van een deskundigenonderzoek in beginsel voorlopig voor zijn rekening te nemen en kan het bedrag waarop de deskundige aanspraak heeft enkel voorlopig ten laste van ’s Rijks kas worden gebracht indien aan verzoeker een toevoeging is verleend, of hij als onvermogend moet worden beschouwd.
De rechtbank zal de man belasten met de betaling van het voorschot van het deskundigenonderzoek. De rechtbank overweegt dat de beslissing ten aanzien van het voorschot nog niets behoeft te zeggen over de uiteindelijke beslissing over de definitieve kosten van het deskundigenonderzoek. De definitieve kosten van voormeld DNA-onderzoek en de verdeling tussen partijen zal de rechtbank op een later moment vaststellen, mede aan de hand van de uitkomst van het DNA-onderzoek en aan de hand van de alsdan bekende feiten en omstandigheden.
De verdere behandeling van de zaak zal in afwachting van het rapport van de deskundige worden aangehouden. Daarbij behoudt de rechtbank zich iedere verdere beslissing voor.
De rechtbank benadrukt ten slotte dat partijen op grond van het bepaalde in artikel 198, derde lid Rv verplicht zijn om mee te werken aan het deskundigenonderzoek. Wordt aan deze verplichting niet voldaan, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. Dit betekent dat de rechtbank ook zonder uitslag van het DNA-onderzoek kan beslissen op de aan de rechtbank voorliggende verzoeken.
3. De beslissing
De rechtbank:
Inzake 26-430:
gelast een DNA-onderzoek met betrekking tot de vraag of de heer [de man] (de man) de biologische vader is van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ;
benoemt [B.V.] te [plaats] ( [postcode] ), aan de [adres] , als deskundige ter beantwoording van voormelde vraag;
bepaalt het voorschot op € 755,- (zevenhonderd en vijfenvijftig euro) (inclusief BTW);
bepaalt dat de man het voorschot dient te voldoen;
bepaalt dat het voorschot voor de kosten van het deskundigenonderzoek en -rapport, welke kosten vooralsnog zijn begroot op een totaalbedrag van € 755,-, in afwachting van een definitieve beslissing over de betaling en verdeling van deze kosten, door de man wordt gedragen, waarbij de man een factuur zal ontvangen van het LDCR met betaalinstructies;
bepaalt dat de deskundige met het onderzoek pas zal aanvangen nadat de griffier van de rechtbank [B.V.] heeft bevestigd dat voormeld voorschot door het LDCR is ontvangen;
bepaalt dat de benoemde deskundige zijn werkzaamheden zal aanvangen en – zo mogelijk – binnen drie maanden daarna schriftelijk aan de rechtbank zal rapporteren;
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal toezenden;
houdt iedere verdere beslissing aan tot dinsdag 7 juli 2026 PRO FORMA, zulks in afwachting van het rapport van de deskundige;
Inzake FA RK 25-2562
beschouwt de procedure als beëindigd.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026 in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.