2. De beoordeling
Bij voormelde beschikking is de echtscheiding uitgesproken tussen partijen en is een door de man aan de vrouw te betalen partnerbijdrage bepaald ter hoogte van € 7.686,= per maand. De behandeling van en de beslissing op de verzoeken betreffende de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling zijn aangehouden.
Aan de rechtbank ligt nog ter beoordeling voor het verzoek van de man (onder 2. in zijn verzoekschrift) tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Ook liggen nog de volgende verzoeken van de vrouw ter beoordeling voor:
II. te bepalen dat de man de door haar genoemde gegevens moet overleggen;
III. te bepalen dat de waarde van de in randnummers 11 en 12 van het verweerschrift van de vrouw genoemde onroerende zaken wordt bepaald conform productie 9;
V. afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.
Hoewel niet uitdrukkelijk in de petita verzocht, leidt de rechtbank uit de overgelegde formulieren verrekenen en verdelen en de in de processtukken ingenomen standpunten af dat partijen met hun verzoeken tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden tevens beogen dat de rechtbank een beslissing neemt over de verdeling van eenvoudige gemeenschappen en dat zij beslist op overige financiële verzoeken over en weer (betreffende aanslagen inkomstenbelasting, uitgekeerde verzekering, erfenis en schenkingen, advocaatkosten en uitgaven van de vrouw van de gemeenschappelijke bankrekening). Dit volgt ook uit de bespreking van de geschilpunten met partijen en hun advocaten ter zitting van 11 maart 2026 besproken.
Vermogensrechtelijke afwikkeling (verzoeken van de man onder 2. en van de vrouw onder III. en V.)
Partijen zijn gehuwd na het maken van huwelijkse voorwaarden. Deze huwelijkse voorwaarden houden, kort gezegd, in dat geen sprake is van enige gemeenschap van goederen. Verder zijn partijen een periodiek en een finaal verrekenbeding overeengekomen.
Uit de stukken en het besprokene op zitting leidt de rechtbank af dat partijen wensen dat in het kader van de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk van partijen beslissingen worden genomen over de volgende onderwerpen:
- ( de wijze van) verdeling van eenvoudige gemeenschappen;
- de (finale) verrekening van het huwelijksvermogen;
- overige financiële verzoeken.
Eenvoudige gemeenschappen
Eenvoudige gemeenschappen met partijen als deelgenoten
Partijen zijn het erover eens dat de volgende goederen kwalificeren als een eenvoudige gemeenschap waarvan zij samen de deelgenoten zijn:
- de onroerende zaak gelegen aan de [adres 1] en het daarbij horende perceel met loods;
- de inboedelgoederen;
- het saldo op de bankrekening op naam van partijen met rekeningnummer [rekeningnummer 1] ;
- het saldo op de bankrekening op naam van partijen met rekeningnummer [rekeningnummer 2] .
Partijen wensen tot verdeling van deze eenvoudige gemeenschappen te komen.
De onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres 1] en het daarbij horende perceel met loods
Ter zitting is gebleken dat tussen partijen vast staat dat niet alleen de woning aan de [adres 1] en het perceel waarop die woning zich bevindt tot deze eenvoudige gemeenschap behoort, maar ook het achter de woning gelegen perceel waarop een loods is geplaatst. Op het door de advocaat van de man ter zitting overgelegde kadastrale kaartje is het perceel waarop de woning zich bevindt, aangeduid met nummer [nummer 1] en het andere perceel is aangeduid als nummer [nummer 2] . Partijen zijn het erover eens dat deze percelen met de zich daarop bevindende woning en loods aan de man moeten worden toegedeeld en dat de vrouw gerechtigd is tot een vergoeding gelijk aan de helft van de waarde daarvan, door de man aan haar te voldoen uiterlijk bij de (notariële) overdracht van de onroerende zaken aan hem. Ter bepaling van die waarde zal [makelaar] de opdracht worden gegeven een taxatie uit te voeren van de woning en het perceel met de loods. De waarde die uit die taxatie volgt, is tussen partijen bindend.
De inboedelgoederen
Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat ieder van hen de inboedelgoederen houdt die hij of zij onder zich heeft. Partijen zijn het er verder over eens gebleken dat die verdeling resulteert in een overbedeling van de man, daarom zal hij een bedrag van € 2.500,= als vergoeding daarvoor aan de vrouw betalen.
Het saldo op de bankrekening met rekeningnummer eindigend op [nummer 3]
Partijen zijn het erover eens dat het saldo op deze bankrekening moet worden verdeeld op de ingangsdatum van de verplichting tot betaling van partneralimentatie, oftewel de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Het saldo dat op die datum op deze bankrekening staat, moet tussen partijen bij helfte worden verdeeld, waarna deze rekening door partijen zal worden opgeheven.
Het saldo op de bankrekening met rekeningnummer eindigend op [nummer 4]
Tussen partijen staat vast dat het saldo op deze rekening feitelijk al verdeeld is. De vrouw heeft de helft van het saldo al (voor de peildatum) overgemaakt naar haar privérekening. Het resterende bedrag op deze rekening komt toe aan de man, waarna de man de rekening op zijn naam voortzet of opheft.
Conclusie
Aangezien partijen tot overeenstemming zijn gekomen over de verdeling van voormelde eenvoudige gemeenschappen, is op grond van artikel 3:185 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voor de rechtbank geen taak meer weggelegd om de (wijze van) verdeling vast te stellen. De daartoe gedane verzoeken worden daarom afgewezen. De rechtbank wijst ook het deel van het verzoek van de vrouw onder III. af voor zover dat gaat over de manier waarop de waarde van de onroerende zaak aan de [adres 1] moet worden bepaald, omdat partijen hierover afspraken hebben gemaakt. Een en ander laat onverlet dat partijen gehouden zijn uitvoering te geven aan de door hen afgesproken wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschappen.
Eenvoudige gemeenschappen met meer deelgenoten dan alleen partijen (de “beleggingspanden”)
Partijen hebben ieder een aandeel van 25% in de volgende eenvoudige gemeenschappen:
- de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres 2] ;
- de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres 3] ;
- de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres 4] ;
- de onroerende zaak staande en gelegen aan het [adres 5] ;
- de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres 6] ;
- de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres 7] ;
hierna gezamenlijk aangeduid als “de beleggingspanden”.
De andere deelgenoten in de beleggingspanden zijn de broer van de man (25%) en zijn echtgenote (25%). Partijen vragen in hun processtukken (waaronder de formulieren verdelen en verrekenen) en op de zitting aan de rechtbank om de (wijze van) verdeling van de beleggingspanden vast te stellen. Wat de advocaten van partijen betreft, hoeft de omstandigheid dat de andere deelgenoten niet in deze procedure betrokken zijn, geen processuele belemmering te vormen. Uit de overgelegde stukken, waaronder een verklaring van de broer van de man en zijn echtgenote, volgt wat hen betreft dat alle deelgenoten ermee akkoord zijn dat de vrouw haar aandeel in deze beleggingspanden overdraagt aan de man, zodat de man daarna een aandeel van 50% in voormelde beleggingspanden zal bezitten. Ter zitting is de rechtbank gebleken dat de man echter een andere wijze van verdeling – of mogelijk geen verdeling – wenst, in het geval hij gehouden is om de vrouw een financiële vergoeding te betalen in verband met de overdracht van haar aandeel in de beleggingspanden aan hem. De man stelt zich namelijk op het standpunt dat de vrouw geen enkele financiële aanspraak kan ontlenen aan haar 25%-aandeel in de beleggingspanden.
De rechtbank overweegt dat zij in deze procedure niet kan beslissen over de (wijze van) verdeling van de beleggingspanden, omdat twee van de deelgenoten, namelijk de broer van de man en zijn echtgenote, geen partij (kunnen) zijn in deze procedure. Over de wijze van verdeling dienen de deelgenoten zelf afspraken te maken en als dat niet lukt, kan in een dagvaardingsprocedure een verdelingsverzoek aan de rechtbank worden voorgelegd. Partijen kunnen in deze procedure niet in hun verzoeken tot het vaststellen van de (wijze van) verdelen worden ontvangen.
De rechtbank zal bij de bespreking van de verzoeken betreffende de afwikkeling van het finaal verrekenbeding nader ingaan op de standpunten van partijen over hun aandelen in de beleggingspanden.
Te verrekenen vermogen
Tussen partijen staat vast dat zij nimmer uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding zoals in artikel 9 van hun huwelijkse voorwaarden opgenomen. Ter zitting hebben beide partijen verklaard dat in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden nu (uitsluitend) uitvoering moet worden gegeven aan het finaal verrekenbeding zoals volgt uit artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden. Dat beding luidt als volgt:
“ Afrekening bij het einde van het huwelijk
Artikel 10
1. Indien het huwelijk van partijen wordt ontbonden, daaronder begrepen scheiding van tafel en bed, zal tussen partijen caso quo hun rechtsverkrijgende(n), worden afgerekend, alsof in het huwelijk van partijen de wettelijke algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan, met dien verstande dat niet in de afrekening zullen worden betrokken de premies en koopsommen en de eventueel daarover vergoede dan wel verschuldigde rente als bedoeld in artikel 7.
Voorts worden niet in de afrekening betrokken:
a. al hetgeen een echtgenoot door erfopvolging, making of schenking heeft verkregen, hetgeen daarvoor door wederbelegging of anderszins in de plaats is gekomen en de vruchten daarvan alsmede de op die verkrijgingen drukkende schulden en de wegens die verkrijgingen geheven belastingen als successie-, schenkings- en overgangsrecht;
b. het gehele ondernemingsvermogen behorende tot een direct of indirect (mede) door of voor rekening van een echtgenoot uitgeoefende onderneming, daaronder mede begrepen tot deze onderneming behorende schulden en belastingen; indien een echtgenoot als aanmerkelijk belanghouder rechthebbende is op aandelen (of certificaten daarvan) of winstbewijzen of op directe of indirecte deelnemingen in (een) rechtsperso(o)n(en) (die verbonden zijn in een groep), waarin die echtgenoot werkzaam is, dan worden voor de werking van deze huwelijkse voorwaarden, die aandelen (of certificaten daarvan) of winstbewijzen of directe of indirecte deelnemingen, aangemerkt als ondernemingsvermogen als hiervoor bedoeld;
c. al hetgeen voor de onder b. genoemde onderneming caso quo genoemd ondernemingsvermogen in de plaats is getreden alsmede de vruchten daarvan;
d. al hetgeen is vermeld op de aan deze akte gehechte staat van aanbrengsten en al hetgeen daarvoor door wederbelegging of anderszins in de plaats is gekomen en de vruchten daarvan.”
De rechtbank stelt voorop dat met de afspraak in artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden de vermogensbestanddelen van partijen zullen worden verrekend overeenkomstig titel 8 van Boek 1 BW. Partijen zijn het er ter zitting over eens gebleken dat zowel bezittingen als schulden in de verrekening moeten worden betrokken.
In de huwelijkse voorwaarden is geen peildatum voor de samenstelling en omvang van het te verrekenen vermogen opgenomen. Partijen sluiten aan bij hetgeen volgens artikel 1:142 lid 1 aanhef en onder b BW als peildatum geldt, namelijk de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 18 november 2024.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat tot het te verrekenen vermogen aan de zijde van de vrouw behoren:
- het saldo op de bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 3] ter hoogte van € 488,97;
- een deel van het saldo op de bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 4] , namelijk het verschil tussen het saldo op de peildatum op die rekening ter hoogte van € 90.920,85 minus het bedrag dat afkomstig was van de gezamenlijk spaarrekening van partijen ter hoogte van € 34.000,=, oftewel € 56.920,85.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat tot het te verrekenen vermogen aan de zijde van de man in ieder geval de volgende posten behoren:
- het saldo op de bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 5] , ter hoogte van € 692,40;
- de schuld van de man in rekening-courant ter hoogte van € 24.488,=;
- de schuld van de man aan zijn broer ter hoogte van € 17.488,=;
- een auto van het merk Lexus (met kentekennummer [kenteken] ), waarbij ter zitting is gebleken dat enkel nog de waarde in geschil was tussen partijen. Partijen zijn overeengekomen dat het voertuig in de verrekening kan worden betrokken tegen een waarde van € 53.000,=.
Tussen partijen is in geschil of de volgende vermogensbestanddelen tot het te verrekenen vermogen behoren:
- het aandeel van de man (50%) in de eenvoudige gemeenschap die bestaat uit grond met daarop garageboxen;
- het aandeel van de man (50%) in de eenvoudige gemeenschappen, zijnde saldi op de bankrekeningen met de volgende rekeningnummers:
- [rekeningnummer 6] , ter hoogte van € 38.999,04;
- [rekeningnummer 7] , ter hoogte van € 147.006,89 ;
- [rekeningnummer 8] , ter hoogte van € 3.269,65;
- [rekeningnummer 9] , ter hoogte van € 82.547,=;
- [rekeningnummer 10] , ter hoogte van € 11.161,36;
- ieders aandeel in de “beleggingspanden” als bedoeld in rechtsoverweging 2.6.
Volgens de man behoren al deze vermogensbestanddelen niet tot het te verrekenen vermogen. Ten aanzien van het saldo op de bankrekening met rekeningnummer eindigend op [nummer 5] stelt hij zich op het standpunt dat dit ondernemingsvermogen betreft en gelet op artikel 10 lid 1 sub b om die reden niet tot het te verrekenen vermogen behoort. Deze bankrekening staat op naam van hem en zijn broer en het betreft een bankrekening die wordt gebruikt ten behoeve van het door hen geëxploiteerde autobedrijf. Het rekeningnummer staat vermeld op de facturen van het autobedrijf en de op de bankrekening ontvangen factuurbedragen komen de onderneming toe.
Ten aanzien van de overige vermogensbestanddelen stelt de man aan dat deze op grond van artikel 10 lid 1 sub b of sub c van de huwelijkse voorwaarden buiten het te verrekenen vermogen blijven, omdat het ondernemingsvermogen betreft of daarvoor in de plaats is gekomen of een vrucht daarvan is. Daartoe voert de man het volgende aan. De beleggingspanden zijn weliswaar formeel eigendom van partijen, de broer van de man en zijn echtgenote, maar deze zijn betaald door het autobedrijf en moeten daarom worden aangemerkt als ondernemingsvermogen. Ditzelfde geldt voor de grond met garageboxen; deze onroerende zaak is gekocht door het autobedrijf en in 2022 op naam van de man en de broer gezet. De beleggingspanden en de grond met garageboxen zijn louter om fiscale redenen naar privé overgeheveld en het is nooit de bedoeling geweest dat deze in de verrekening/afrekening bij het einde van het huwelijk van partijen zouden worden betrokken. Daarnaast is de aankoop van de garageboxen gefinancierd met de verhuuropbrengsten, dus er is ook met vruchten van het ondernemingsvermogen daarin geïnvesteerd. Dit valt dus onder artikel 10 lid 1 sub b en/of c van de huwelijkse voorwaarden. De man wijst er in dit verband op dat de huwelijkse voorwaarden juist beogen het autobedrijf te beschermen tegen het risico van “leeghalen” van het bedrijf door de vrouw in geval van echtscheiding. De vrouw kan dus in de onderlinge verhouding met de man in het kader van de financiële afwikkeling van hun huwelijk geen enkele financiële aanspraak ontlenen aan de beleggingspanden.
De bankrekeningen die de man samen met zijn broer heeft, werden en worden louter gebruikt in verband met de exploitatie van de beleggingspanden. De verhuuropbrengsten worden op deze bankrekeningen bijgeschreven. Omdat de beleggingspanden feitelijk tot het ondernemingsvermogen behoren, en de verhuuropbrengsten vruchten daarvan zijn, behoren de saldi van de bankrekeningen gelet op artikel 10 lid 1 sub c van de huwelijkse voorwaarden de saldi op die bankrekeningen niet tot het te verrekenen vermogen.
De vrouw heeft ter zitting aangegeven dat als de man met stukken kan laten zien dat de bankrekening met rekeningnummer eindigend op [nummer 5] een zakelijke rekening betreft die tot het ondernemingsvermogen behoort, deze buiten de verrekening kan blijven.
De vrouw betwist de stellingen van de man betreffende de overige in rechtsoverweging 2.14. genoemde vermogensbestanddelen. Zij betwist dat genoemde zaken tot het ondernemingsvermogen behoren, of daarvoor in de plaats zijn gekomen of vruchten daarvan zijn en daarom niet de verrekening zouden moeten worden betrokken. De beleggingspanden zijn aan de deelgenoten in privé geleverd. Ook uit het kadaster en box 3 van de aangifte inkomstenbelasting volgt dat de aandelen van partijen in deze gemeenschappen tot het privévermogen van partijen behoren. De man heeft niet aangetoond dat de aanschaf van de gemeenschappelijke onroerende zaken is gefinancierd met ondernemingsvermogen. Het moet ervoor worden gehouden dat de koopsommen zijn betaald met privévermogen, dat (mede) is gevormd uit uitgekeerd loon en/of uitgekeerd dividend. Volgens de vrouw is de door de man gegeven uitleg van de huwelijkse voorwaarden waaruit zou volgen dat zij bij de financiële afrekening in geval van scheiding geen enkele financiële aanspraak kan ontlenen aan de beleggingspanden of de vruchten ervan niet in overeenstemming met wat er in de huwelijkse voorwaarden staat en hebben partijen dat ook nooit zo afgesproken.
Omdat de beleggingspanden behoren tot het privévermogen van partijen, behoren de verhuuropbrengsten, waaruit het saldo op de bankrekeningen is gevormd, ook tot het privévermogen.
Wat betreft de grond met de garageboxen betwist de vrouw eveneens de stelling van de man. De grond is weliswaar ooit door het autobedrijf gekocht, maar uit de stukken volgt dat deze op zeker moment door het bedrijf aan de man en zijn broer in privé verkocht en geleverd, waardoor het aandeel van de man in deze onroerende zaak moet worden meegenomen in de verrekening. De bouw van de garageboxen is ook gefinancierd met privévermogen, namelijk met de verhuuropbrengsten van de beleggingspanden.
Het saldo op de bankrekening met nummer [rekeningnummer 6]
Bij F9-formulier van 24 maart 2025 is namens de man een brief van zijn accountant overgelegd, met als bijlagen een pagina uit de jaarrekening van 2024 van [autobedrijf] B.V. en een rekeningafschrift van de rekening met het rekeningnummer eindigend op [nummer 5] . In de overgelegde jaarrekening van 2024 waarop (een deel van) de toelichting op de balans te zien is, is deze bankrekening opgenomen als een zakelijke rekening. De rechtbank leidt hieruit af dat het saldo van deze bankrekening tot het ondernemingsvermogen behoort. Het saldo van die bankrekening zal op grond van artikel 10 lid 1 sub b van de huwelijkse voorwaarden niet worden betrokken in de verrekening.
De aandelen in de beleggingspanden
De rechtbank is van oordeel dat de man zijn stelling, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd. De beleggingspanden zijn aan de deelgenoten (in privé) geleverd. In formeel juridische zin is er geen sprake van dat de beleggingspanden tot het ondernemingsvermogen behoren. De man heeft evenmin aangetoond dat deze zaken (in economische zin) tot het ondernemingsvermogen behoren en ook niet dat de aanschaf ervan met (vruchten van) ondernemingsvermogen is gefinancierd. Overigens heeft de man ter zitting desgevraagd ook geen antwoord kunnen geven op de vraag waarom deze zaken (ook) op naam van de vrouw en de echtgenote van zijn broer zijn gezet als de bedoeling was om het ondernemingsvermogen weg te houden van de echtgenotes. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de aandelen (van beide partijen) in de beleggingspanden tot het te verrekenen vermogen behoren. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat om dezelfde reden het standpunt van de man dat de vrouw geen enkele financiële aanspraak kan ontlenen aan haar 25%-aandeel, in de zin dat zij bij overdracht van haar aandeel aan hem niet gerechtigd is tot enige vergoeding, niet opgaat. Omdat beide echtgenoten een gelijk aandeel in de beleggingspanden hebben (en dus eenzelfde waarde vertegenwoordigen waardoor ze in de verrekening tegen elkaar “weggestreept” kunnen worden), hoeven de beleggingspanden in het kader van de verrekeneng niet getaxeerd te worden. Het daartoe gedane verzoek van de vrouw zal worden afgewezen.
De saldi op de overige bankrekeningen genoemd in 2.14.
De saldi op de bankrekeningen met rekeningnummers [rekeningnummer 7] , [rekeningnummer 8] , [rekeningnummer 9] en [rekeningnummer 10] bestaan volgens de man uit de verhuuropbrengsten van de beleggingspanden. In de standpunten van de man ligt verder de stelling besloten dat alleen hij en zijn broer tot die saldi gerechtigd zijn, ieder voor de helft. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.20 reeds is overwogen, worden de aandelen van partijen in de beleggingspanden geacht tot het te verrekenen vermogen van partijen te behoren. Dat betekent dat ook de verhuuropbrengsten als vruchten van dat vermogen tot het privévermogen van partijen behoren. De rechtbank zal het aandeel van de man in de hiervoor genoemde saldi op die bankrekeningen (50%) in aanmerking nemen als te verrekenen vermogen aan zijn zijde.
Het aandeel in het perceel grond met garageboxen
Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, stelt de rechtbank vast dat het stuk grond weliswaar oorspronkelijk is aangeschaft door de onderneming van de man en zijn broer, maar dat het vervolgens is verkocht en geleverd aan de man en zijn broer in privé. De man heeft niet aangetoond dat deze zaak (in economische zin) tot het ondernemingsvermogen is blijven behoren. Op de peildatum betrof dit dus geen ondernemingsvermogen meer. Ook de garageboxen zijn, in tegenstelling tot wat de man daarover aanvoert, gefinancierd met privévermogen, namelijk de opbrengsten uit verhuur van de panden. De rechtbank verwijst in dat verband naar rechtsoverweging 2.20. Het perceel grond en de garageboxen vallen gelet op het voorgaande dus niet onder de werking van artikel 10 lid 1 sub b of artikel 10 lid 1 sub c van de huwelijkse voorwaarden. De waarde ervan moet worden betrokken in de verrekening.
Voor het bepalen van de waarde waartegen het perceel grond en de daarop gelegen garageboxen in de verrekening moeten worden betrokken, zullen deze getaxeerd moeten worden (waarde per 18 november 2024). De taxatie dient te geschieden overeenkomstig de door de vrouw verzochte en door de man onweersproken gelaten wijze die volgt uit haar productie 9. De rechtbank wijst daarom het deel van het verzoek van de vrouw onder III. voor zover dat ziet op het stuk grond met de garageboxen toe op onderstaande wijze.
Conclusie
De rechtbank beschikt op dit moment over onvoldoende informatie om een eindbeslissing te nemen over het bedrag dat de ene echtgenoot aan de ander dient te betalen uit hoofde van het finale verrekenbeding, aangezien zij nog niet bekend is met de waarde van het stuk grond en de garageboxen. De rechtbank draagt de man op om de rechtbank over deze waarde te informeren binnen drie maanden na de datum van deze beschikking. De rechtbank is voornemens om daarna, zonder nadere zitting, een eindbeslissing te nemen.
Overige financiële verzoeken
Uitkering [verzekeringsmaatschappij] en erfenissen en schenkingen
Ter zitting is gebleken dat tijdens het huwelijk een verzekering van de vrouw bij [verzekeringsmaatschappij] is uitgekeerd op de gemeenschappelijke bankrekening van partijen ter hoogte van € 36.681,05, terwijl de waarde van deze verzekering volgens de staat van aanbrengsten, aangehecht aan de huwelijkse voorwaarden, volledig aan de vrouw toekomt en op geen enkele wijze in de verrekening moet worden betrokken. Verder is gebleken dat de man enkele erfenissen en schenkingen van zijn ouders heeft ontvangen ter hoogte van in totaal ongeveer € 46.000,=, welk schenkingen en erfenissen eveneens buiten het te verrekenen vermogen blijven. Ook die bedragen zijn op de gemeenschappelijke bankrekening gestort. Partijen hebben gesteld in verband met het voorgaande over en weer vorderingen op elkaar te hebben. Zij zijn ter zitting overeengekomen dat de vrouw een bedrag van € 5.000,= aan de man zal voldoen en dat partijen daarmee ten aanzien van de vorderingen over en weer finaal gekweten zijn. Omdat partijen overeenstemming hebben bereikt over deze vorderingen, hebben zij geen belang meer bij een beslissing van de rechtbank op hun verzoeken. De onderliggende verzoeken zullen gelet daarop in de eindbeslissing worden afgewezen.
Aanslagen inkomstenbelasting 2023, 2024 en 2025
Ter zitting is gebleken dat tussen partijen vaststaat dat de aanslag inkomstenbelasting van 2023 is voldaan van de gemeenschappelijke bankrekening. Partijen zijn het erover eens dat daarmee iedere partij geacht wordt zijn/haar aandeel hierin te hebben gedragen. Ten aanzien van de aanslagen inkomstenbelasting over 2024 en 2025 hebben partijen afgesproken dat ieder van hen de helft van die aanslagen zal dragen. Omdat partijen overeenstemming hebben bereikt over de draagplicht ten aanzien van de aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2023, 2024 en 2025, hebben zij geen belang meer bij een beslissing van de rechtbank daarover. Het onderliggende verzoek zal gelet daarop worden afgewezen.
Advocaatkosten van de vrouw
Ter voldoening van de facturen van haar advocaat heeft de vrouw gelden onttrokken van de gemeenschappelijke rekening van partijen. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat zij de helft van dat bedrag aan hem dient te vergoeden, omdat zij met gemeenschappelijk geld een privéschuld heeft voldaan. De verschuldigdheid van dit bedrag is door de vrouw ter zitting erkend en zij heeft aangegeven dit aan de man te zullen vergoeden. Omdat partijen overeenstemming hebben bereikt over het geschil betreffende de opname van gelden door de vrouw ter voldoening van haar advocaatkosten, hebben zij geen belang meer bij een beslissing van de rechtbank daarover. Het onderliggende verzoek zal gelet daarop worden afgewezen.
Overige uitgaven door de vrouw
De man stelt zich op het standpunt dat door de vrouw in het afgelopen jaar ruim € 22.000,= van de gezamenlijke bankrekening is opgenomen voor kosten van haar levensonderhoud. Ter zitting is namens de man toegelicht dat dit niet in overeenstemming is met de gemaakte afspraken in het kader van de voorlopige voorzieningen, namelijk dat partijen van het bedrag van € 1.500,= dat wekelijks op de gezamenlijke rekening zou worden gestort, hun gebruikelijke kosten zouden voldoen. De vrouw heeft veel meer kosten gemaakt dan gebruikelijk, namelijk voor de aanschaf van nieuwe inboedel, vakanties en uitgaan. Hij verwijst ter onderbouwing daarvan naar de door hem overgelegde bankafschriften waaruit dit blijkt (productie 11).
De vrouw betwist dat zij in strijd met de gemaakte afspraken in het kader van de voorlopige voorzieningen heeft gehandeld. Er is geen sprake van exorbitante uitgaven, gelet op het uitgavenpatroon van partijen tijdens het huwelijk en zoals ook blijkt uit de in voormelde tussenbeschikking vastgestelde hoogte van de huwelijksgerelateerde behoefte.
De rechtbank stelt vast dat partijen in het kader van de voorlopige voorzieningen overeen zijn gekomen dat de man voorlopig € 1.500,= per week op de gezamenlijke rekening van partijen blijft storten en dat de vrouw ook haar inkomsten op die rekening stort. Van die gezamenlijke rekening doen partijen hun gebruikelijke uitgaven. Zij vragen elkaar geen verantwoording voor gebruikelijke uitgaven en doen geen uitgaven van die rekening waarvan zij weten dat die ongebruikelijk zijn. De man heeft met bankafschriften inzichtelijk proberen te maken dat de vrouw in het afgelopen jaar meer uitgaven heeft gedaan dan in het jaar daarvoor. Volgens hem zijn dat dus ongebruikelijke uitgaven. De rechtbank is van oordeel dat de man door overlegging van de bankafschriften zijn gestelde vorderingsrecht onvoldoende heeft onderbouwd. In voormelde tussenbeschikking van [datum] is namelijk overwogen dat tijdens het huwelijk van partijen ook sprake was van zwarte inkomsten. Een vergelijking van de uitgaven zoals die volgen uit enkel bankafschriften van verschillende jaren is in dat licht dus onvoldoende om tot de conclusie te komen dat de vrouw uitgaven heeft gedaan die niet gebruikelijk zijn. Ook gelet op de in voormelde tussenbeschikking van [datum] becijferde huwelijksgerelateerde behoefte van € 4.662,= netto per maand is door de man onvoldoende onderbouwd waarom de door de vrouw gedane uitgaven ongebruikelijk zijn. Dat de vrouw in strijd met de gemaakte afspraken heeft gehandeld en uit dien hoofde tot enige vergoeding gehouden is, is niet komen vast te staan. Het verzoek van de man wordt als ongegrond afgewezen.
Overleggen gegevens (verzoek van de vrouw onder II.)
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man de volgende gegevens moet overleggen:
- jaaroverzichten 2023 en 2024 van de rekeningen genoemd onder b. tot en met h. in punt 15 van haar zelfstandig verzoek;
- definitieve jaarcijfers 2023 en (concept) jaarcijfers 2024 van [B.V.] ;
- definitieve IB-aangifte 2023 en (concept) IB-aangifte 2024;
- huurovereenkomsten 32 garages en bankafschriften waaruit de betalingen blijken;
- huurovereenkomsten beleggingspanden en bankafschriften waaruit de betalingen blijken;
- polis kapitaalverzekering en waardeoverzicht 2024.
De man voert verweer tegen het verzoek.
De rechtbank stelt vast dat de vrouw haar verzoek heeft gegrond op de exhibitieplicht. Door de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht is artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op 1 januari 2025 vervallen. Op basis van het overgangsrecht bij die wet blijft dit artikel echter van toepassing in een procedure die vóór deze datum is gestart, totdat de procedure bij die instantie is geëindigd. Deze procedure is gestart vóór 1 januari 2025. Dit betekent dat de rechtbank dit verzoek zal beoordelen aan de hand van artikel 843a Rv. Dat artikel bepaalt dat degene, die daarbij een rechtmatig (direct en concreet) belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Ter onderbouwing van haar verzoek heeft de vrouw aangevoerd dat zij over onvoldoende financiële informatie beschikt om bedragen te kunnen noteren in het kader van de verdeling en de verrekening. In de loop van deze procedure zijn diverse financiële bescheiden in het geding gebracht, waaronder stukken waaruit de saldi blijken van de bankrekeningen die in de verdeling of verrekening zijn betrokken. Aan dat deel van het verzoek is daarmee reeds voldaan. De waarde van andere te verdelen of te verrekenen vermogensbestanddelen is thans niet langer in geschil, met uitzondering van de waarde van de grond met garageboxen. De rechtbank beslist in deze beschikking over de wijze waarop de waarde daarvan moet worden bepaald. Dit leidt tot de conclusie dat de vrouw geen rechtmatig belang meer heeft bij overlegging van voormelde stukken door de man. De rechtbank zal dit verzoek daarom afwijzen.
3. De beslissing
De rechtbank:
wijst af de verzoeken van partijen tot het gelasten van de (wijze van) verdeling van de eenvoudige gemeenschappen als genoemd in rechtsoverweging 2.5.;
verklaart partijen niet-ontvankelijk in hun verzoeken tot het gelasten van de (wijze van) verdeling van de eenvoudige gemeenschappen als genoemd in rechtsoverweging 2.6.;
wijst af het verzoek van de vrouw onder III. voor zover dit ziet op de wijze van waardering van de echtelijke woning en de beleggingspanden;
wijst af de verzoeken van partijen betreffende de uitkering van de [verzekeringsmaatschappij] (de vrouw) en erfenissen en schenkingen (de man);
wijst af de verzoeken van partijen betreffende de draagplicht voor de aanslagen inkomstenbelasting 2023, 2024 en 2025;
wijst af het verzoek van de man betreffende de advocaatkosten van de vrouw;
wijst af het verzoek van de man betreffende de door de vrouw gedane uitgaven van de gemeenschappelijke bankrekening;
wijst af het verzoek van de vrouw onder II., te bepalen dat de man de door haar genoemde gegevens moet overleggen;
draagt (de advocaat van) de man op om de rechtbank voor de hierna te noemen pro forma datum schriftelijk te informeren over de waarde van het perceel grond met de daarop gelegen garageboxen, welke waarde dient te worden bepaald op de wijze als verzocht door de vrouw onder III;
houdt de behandeling van en beslissing op de verzoeken tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden (verzoek van de vrouw onder V. en verzoek van de man onder 2.) aan tot 14 juli 2026 pro forma;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, en, in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.