beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/444633 / FA RK 26-564
datum uitspraak: 15 april 2026
beschikking over gezag
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.M.E. van Fraaijenhove,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A.E. Voorvaart-Kuik,
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022, hierna: [minderjarige] .
Als belanghebbende in deze zaak wordt gezien:
DE WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),
gevestigd in Amsterdam.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1. Het procesverloop
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 30 januari 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het op 10 maart 2026 ontvangen verweerschrift, houdende een zelfstandig verzoek;
- het verzoek van de GI van 11 maart 2026 om voorzorgsmaatregelen te treffen, vanwege de forse bedreigingen vanuit de man naar de GI en het contactverbod.
Het verzoek is mondeling behandeld op 16 maart 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen, met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad en een vertegenwoordigster van de GI. De rechtbank heeft bijzondere toestemming verleend voor de aanwezigheid van: mevrouw [persoon 1] , persoonlijk begeleidster [zorgorganisatie] van de vrouw en mevrouw [persoon 2] , ambulant begeleidster [zorgorganisatie] van de man.
2. De feiten
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.
Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
Bij beschikking van deze rechtbank van 15 oktober 2024 is, onder meer, bepaald dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf heeft bij de vrouw.
De man is door de politierechter van deze rechtbank veroordeeld tot:
- Een taakstraf voor de duur van 100 uren met aftrek van voorarrest.
- Een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van
2 jaren. Hieraan zijn onder andere een contact- en locatieverbod verbonden. (..) Van het
contact- en/of gebiedsverbod kan worden afgeweken (ten behoeve van het maken van
afspraken in het kader van hulpverlening) na nadrukkelijke schriftelijke toestemming door
een medewerker van Veilig Thuis. Het contact vindt in dat geval enkel plaats:
- onder begeleiding dan wel regie van Veilig Thuis;
- op een door Veilig Thuis bepaalde locatie;
- voor een door Veilig Thuis bepaalde duur.
- Een schadevergoedingsmaatregel.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 5 september 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 18 september 2025 tot 18 september 2026.
Bij beschikking van 12 november 2025 heeft de kinderrechter van deze rechtbank een deeltijdmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie (gezinshuis van [zorgorganisatie] ) – voor ieder weekend van vrijdagmiddag tot zondagmiddag – met ingang van 12 november 2025 tot 18 september 2026.
Bij beschikking van deze rechtbank van 25 november 2025 is bepaald dat de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar onder begeleiding van een professionele organisatie, een en ander onder regie van de GI, waarbij het uitgangspunt is dat er eenmaal per twee weken één uur op neutraal terrein onder begeleiding van [zorgcoach] contact is.
3. De verzoeken
De vrouw verzoekt, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, het gezamenlijk gezag van partijen over [minderjarige] te beëindigen en te bepalen dat de vrouw het gezag over [minderjarige] voortaan alleen uitoefent.
De man verzoekt voor zover de rechtbank het gezamenlijk gezag beëindigt, bij wijze van zelfstandig verzoek, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. te bepalen dat de vrouw de man ten minste eenmaal per maand schriftelijk informeert over de ontwikkeling van [minderjarige] , waaronder in ieder geval:
- de gezondheid van [minderjarige] ;
- de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige] ;
- school- en opvangzaken;
- belangrijke gebeurtenissen in het leven van [minderjarige] ;
2. de vrouw aan de man kopieën verstrekt van relevante stukken, waaronder:
- ( toekomstige) schoolrapporten;
- medische informatie;
- belangrijke correspondentie van instanties die betrekking heeft op [minderjarige] ;
3. en dat de man voor zover mogelijk wordt betrokken bij evaluaties en besprekingen in het kader van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.
4. De standpunten
Standpunt vrouw
De vrouw legt aan haar verzoek tot wijziging van het gezag ten grondslag dat [minderjarige] klem komt te zitten tussen zijn ouders en niet te verwachten valt dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Subsidiair acht de vrouw het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat het gezag aan haar alleen toekomt. Door het ontbreken van rechtstreekse communicatie tussen ouders, maar ook doordat de man vanuit zijn eigen belang handelt en niet het inzicht heeft om andere belangen waaronder het belang van [minderjarige] te zien, en door de concrete tegenwerking van de man bij zaken die [minderjarige] betreffen, acht zij het van groot belang het gezag over [minderjarige] voortaan alleen te kunnen uitoefenen. De GI staat achter haar verzoek.
De vrouw voert ter onderbouwing het volgende aan. Tijdens de relatie was sprake van fysieke en verbale agressie van de man richting de vrouw. Het gezin was toen al in beeld bij de hulpverlening. De vrouw is met [minderjarige] vertrokken om hun veiligheid te borgen. De vrouw is door de man bedreigd. Hij is hiervoor strafrechtelijk veroordeeld. Vanaf het begin van de verbreking van de samenleving ervaart de vrouw veel tegenwerking van de man bij belangrijke zaken en te nemen beslissingen voor [minderjarige] . De vrouw hoopte dat de man met behulp van de hulpverlening tot inzicht zou komen. De vrouw heeft de man maandelijks geïnformeerd over [minderjarige] , via de begeleiding van [zorgorganisatie] . Echter, de vrouw blijft steeds tegenwerking en vertraging ervaren. Met de hulpverlening en vanuit gesprekken met de GI is de vrouw tot de conclusie gekomen dat de man vanuit zijn eigen behoefte handelt en niet het inzicht heeft om het belang van [minderjarige] voorop te plaatsen. Alleen door herhaaldelijk verzoeken te doen worden er soms (met veel vertraging) hoognodige formulieren ingevuld, maar veel toestemmingsformulieren worden niet of niet juist ingevuld of met een weigering.
De vrouw heeft veel voorbeelden waaruit de tegenwerking van de man blijkt, zoals het niet willen meewerken aan het wijzigen van het huurcontract, de stelselmatige weigering van het afgeven van de spullen van [minderjarige] aan de vrouw en de weigering om het consultatieboekje over [minderjarige] aan de vrouw te geven. Verder heeft de man geen toestemming verleend voor het aanvragen van een identiteitsbewijs. Daarnaast heeft de man op de toestemmingsformulieren voor een reis naar het buitenland en voor de schoolkeuze een verkeerde handtekening gezet waardoor deze onbruikbaar waren. Het belang van [minderjarige] wordt door deze handelswijze en opstelling van de man steeds geschonden.
Partijen mogen, als gevolg van het aan de man opgelegde contactverbod met de vrouw, niet rechtstreeks met elkaar communiceren tot april 2027. Door het belaste verleden met de man durft de vrouw ook na dat verbod geen rechtstreeks contact met hem te hebben.
De vrouw wijst verder op de bevindingen van De Gezinsmanager. Daaruit blijkt dat de man onvoldoende leerbaar is om in het belang van [minderjarige] de juiste beslissingen te nemen. [minderjarige] wordt ouder en er zullen steeds meer beslissingen over hem genomen moeten worden. De man is niet in staat om daarin mee te bewegen. In het stuk van de GI wordt benoemd dat de man kampt met autisme en een verstandelijke beperking. Dit speelt mogelijk een rol in zijn onvermogen om het belang van een ander te zien.
De recent verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] staat los van dit al ingediende verzoek van de vrouw betreffende het gezag. De uithuisplaatsing van [minderjarige] heeft als doel dat de vrouw de ruimte heeft om te werken aan traumabehandeling en dat zij daarna weer beschikbaar is voor [minderjarige] . De uithuisplaatsing is daarmee tijdelijk van aard. Het verzoek van de vrouw over het gezag is gericht op de toekomst. De vrouw benadrukt dat de man ook recent geen toestemming heeft verleend. In de gevallen dat de man wel meewerkt, duurt het veel te lang voor hij toestemming verleent. De man zet ook verkeerde handtekeningen, wat de vrouw ervaart als tegenwerking vanuit de man. Het belang van [minderjarige] bij die beslissingen wordt door de begeleiding van de man steeds goed uitgelegd. Dit heeft echter niet geleid tot het vlugger meewerken door de man.
De vrouw verzet zich tegen de door de man verzochte informatieregeling, althans tegen punt 2 en 3. De vrouw is bereid om algemene informatie, de schoolresultaten en medische informatie te delen. Zij heeft echter bezwaar tegen het delen van de verzochte stukken daarover. Het is voor de vrouw lastig om de man maandelijks te informeren, omdat [minderjarige] momenteel uit huis is geplaatst. Voor de periode daarna is zij bereid om de hiervoor genoemde informatie met de man te delen. De vrouw kan zich vinden in het advies van de Raad.
Standpunt man
De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw en verzoekt dit verzoek niet-ontvankelijk te verklaren althans af te wijzen.
Volgens de man liggen de problemen niet zozeer in de uitoefening van het gezag, maar in het contact en de communicatie met de betrokken hulpverlening. De man ervaart dat zijn verzoeken om uitbreiding van het contact met [minderjarige] en op bijzondere dagen structureel door de GI worden afgewezen. De frustratie van de man moet in dit licht worden begrepen.
De man is niet geïnformeerd over waar [minderjarige] uit huis zou worden geplaatst en wanneer dit zou plaatsvinden. De man ervaart dat hij van de GI structureel te weinig informatie over [minderjarige] ontvangt. De man erkent dat hij richting de GI soms te emotioneel heeft gereageerd. Hij realiseert zich dat dit niet heeft bijgedragen aan een constructieve samenwerking.
De voorbeelden die de vrouw noemt, speelden gedurende de relatieproblemen tussen partijen. De man stelt dat hij steeds heeft meegewerkt aan de beslissingen over [minderjarige] , al was dat soms vertraagd. De man heeft maar twee uur begeleiding per week. Daardoor duurt het langer om dingen te regelen. De man heeft tijd nodig om vragen en informatie te verwerken. Het duurt dan langer om de toestemming te verlenen die nodig is. De man vindt dat hij wel altijd heeft gehandeld in het belang van [minderjarige] . Uiteindelijk werkt hij overal aan mee.
De man is bereid om te werken aan de oudercommunicatie. Het is te voorbarig om nu te concluderen dat een hulpverleningstraject op dit vlak geen zin meer heeft. Het is aan partijen en de GI om de intentie te hebben om uiteindelijk tot een vorm van oudercommunicatie te komen. Het contactverbod tussen partijen loopt af in 2027, wat hen ruim de tijd geeft om te werken aan de oudercommunicatie. Het zou een gemiste kans zijn om deze stap over te slaan. De hulpverlening zou zich moeten richten op de periode na het contactverbod.
De man benadrukt dat hij steeds overal aan heeft meegewerkt. De man heeft niet meegewerkt aan de machtiging tot uithuisplaatsing, omdat hij van mening is dat [minderjarige] ook bij hem terecht kan. Het is lastig voor de man, omdat er geen perspectief is voor het contact tussen hem en [minderjarige] . De man vreest dat hij door het wijzigen van het gezag volledig aan de zijlijn komt te staan van het leven van [minderjarige] . De man betwist dat hij bewust een verkeerde handtekening zou hebben gezet. Hij heeft digitaal geprobeerd om toestemming te verlenen, maar dit is niet goed verlopen. De man vraagt begrip voor zijn persoonlijke problematiek en hoe hij dingen verwerkt. De man is gefrustreerd dat hij niet met [minderjarige] op vakantie kan en mag. Hij heeft daarom moeite om toestemming te verlenen voor een vakantie van de vrouw met [minderjarige] .
De man wil betrokken blijven in het leven van [minderjarige] . Voor hem is het van groot belang dat hij een rol blijft spelen bij belangrijke beslissingen in het leven van [minderjarige] . De man wil daarnaast werken aan een positieve ontwikkeling in het contact met [minderjarige] en het vergroten van de invulling van zijn vaderrol. De man realiseert zich dat er zorgen bestaan over de samenwerking met de instanties en is bereid om aan verbetering van die samenwerking te werken. Hij wil zich inzetten om op een constructieve wijze betrokken te blijven bij het leven van [minderjarige] . Hij hoopt dat het contact met de vervangende jeugdbeschermer meer perspectief zal bieden. De man vindt het dan ook in het belang van [minderjarige] dat het gezamenlijk gezag in stand blijft en dat hij, al dan niet met tussenkomst van de GI, zoveel mogelijk over [minderjarige] geïnformeerd blijft. Indien het verzoek van de vrouw wordt toegewezen, verzoekt hij een informatieregeling vast te stellen.
Standpunt GI
De GI licht toe dat er binnen de ondertoezichtstelling wordt gezien dat de samenwerking met de man ingewikkeld is. De man heeft goede intenties en wil het beste voor [minderjarige] , maar het is voor hem lastig om het belang van [minderjarige] voorop te stellen. De man neemt regelmatig een dreigende houding aan. Als hem gevraagd wordt om mee te werken aan een beslissing over [minderjarige] dan vindt hij het lastig om in te zien wat belangrijk is voor [minderjarige] . De GI wijst hierbij op de uithuisplaatsing van [minderjarige] , waarvoor de man geen toestemming wilde verlenen. Omdat de man de beslissing van de kinderrechter wilde afwachten, heeft de uithuisplaatsing van [minderjarige] veel langer geduurd dan wenselijk was. De GI maakt zich dan ook zorgen over de beslissingen die er nog voor [minderjarige] genomen moeten worden. De ondersteuning van de GI heeft niet geleid tot verbetering in de communicatie met de man. De GI ziet op basis van de bevindingen weinig ruimte om tot verbetering te komen, nog los van het contactverbod. De GI verwacht dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] ook na september 2026 nog verlengd moet worden. De GI heeft het verbeteren van de oudercommunicatie niet meer als reëel doel gesteld voor de ondertoezichtstelling.
Volgens de GI is het belangrijk dat de man in algemene zin geïnformeerd is over [minderjarige] , maar hij zal niet worden meegenomen in de stukken over [minderjarige] .
Advies Raad
De Raad adviseert om het verzoek van de vrouw toe te wijzen. Volgens de Raad is het uitoefenen van het gezag door partijen gezamenlijk nagenoeg niet uitvoerbaar. De betrokken instanties kunnen niet met de man samenwerken en hij laat in het contact grenzeloos gedrag zien. Van de vrouw kan dan ook niet worden verwacht dat zij steeds met de man over [minderjarige] moet overleggen. Daar komt bij dat de draagkracht van de vrouw beperkt is. Het is voor [minderjarige] van groot belang dat de vrouw stabiel blijft en dat zij niet uit balans raakt door het nemen van gezagsbeslissingen met de man. Als de vrouw in haar draagkracht wordt geraakt, zal dat uiteindelijk ook [minderjarige] raken.
De Raad kan zich voorstellen dat de man informatie wil over [minderjarige] . De Raad ziet evenwel ook dat het nodig is om daarin beperkingen op te leggen, door bijvoorbeeld geen kopieën naar de man te sturen. En dat hij niet wordt geïnformeerd over afspraken die de vrouw en [minderjarige] met instanties hebben. Het is volgens de Raad aan de hulpverlening om te bepalen bij welke overleggen de man kan aansluiten. Als de aanwezigheid van de man niet constructief blijkt, dan moet worden besloten dat de man niet meer wordt toegelaten. De Raad heeft geen bezwaar tegen het verstrekken van algemene informatie, maar wel tegen het verstrekken van correspondentie van de hulpverleners. De informatie hieruit kan worden gedeeld, maar de stukken moeten niet aan de man verstrekt worden. Ook de schoolresultaten mogen gedeeld worden, maar niet de stukken waaruit blijkt naar welke school [minderjarige] gaat.
5. De beoordeling
Gezag
In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter op verzoek van de ouders, die niet met elkaar zijn getrouwd, of een van hen, het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dat kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen hij het gezamenlijk gezag heeft vastgesteld. In dat geval beslist de rechtbank wie van de ouders voortaan alleen het gezag over [minderjarige] krijgt. In artikel 1:253n lid 1 BW staat dat artikel 1:251a lid 1 BW van toepassing is. In dat artikel staat dat de rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind erg klem komt te zitten tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert of als een verandering van het gezag op een andere manier in het belang van het kind noodzakelijk is.
Niet in geschil is dat de omstandigheden na het verkrijgen van het gezamenlijk gezag gewijzigd zijn, aldus dat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek. De wet heeft als uitgangspunt dat ouders, ook na het einde van hun relatie, samen het gezag houden. De rechtbank komt op basis van wat is aangevoerd door partijen en de GI en is geadviseerd door de Raad tot het oordeel dat van voormeld uitgangspunt moet worden afgeweken. Daartoe wordt als volgt overwogen.
De feitelijke situatie is nu dat er met tussenkomst van de begeleiders van partijen wordt geprobeerd om gezagsbeslissingen tot stand te brengen. Dat verloopt zeer moeizaam of ingewikkeld. Ondanks dat de hulpverlening probeert te bemiddelen en de man de ruimte krijgt om na te denken over de beslissingen, gebeurt het dat de man geen beslissing neemt of deze erg vertraagt. Zo heeft de man geweigerd om toestemming te verlenen voor reizen naar het buitenland, de spullen van [minderjarige] af te geven, het boekje van het consultatiebureau af te geven en niet meegewerkt aan het aanvragen van een identiteitskaart voor [minderjarige] . De man heeft tijdens de zitting ook verklaard dat zijn weigerachtige houding voortkomt uit zijn persoonlijke frustratie over de hele situatie. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat de man hierover gefrustreerd is, is dit geen geldige reden om niet of vertraagd mee te werken aan de beslissingen over [minderjarige] , omdat het belang van [minderjarige] daarmee niet gediend wordt. Het laat juist zien dat de man grote moeite heeft om in het belang van [minderjarige] mee te denken.
Er is tijdens de relatie van partijen en nadien sprake geweest van forse agressie van de man. De angst van de vrouw voor de man is dan ook reëel. Dit heeft rechtstreeks invloed op de draagkracht van de vrouw en dat raakt ook het belang van [minderjarige] . [minderjarige] staat onder toezicht van de GI en in dat kader zal er nog hulpverlening worden ingezet. Echter, er is ook een contactverbod voor de man, dat nog loopt tot 2027 en binnen de ondertoezichtstelling is het verbeteren van de oudercommunicatie geen werkbaar doel meer. De GI heeft bovendien de noodzaak gezien om [minderjarige] uit huis te plaatsen, zodat de vrouw de gelegenheid heeft om te werken aan traumabehandeling. Van de vrouw kan dan niet verwacht worden dat zij in dezelfde periode moet gaan werken aan het verbeteren van de oudercommunicatie met de man, terwijl de betrokken hulpverleners geen verbetering verwachten.
De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen basis voor een oudercommunicatie, op grond waarvan de beslissingen over [minderjarige] – al dan niet met de ondersteuning van de hulpverlening – gezamenlijk genomen kunnen worden. Hierdoor is er een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] erg klem komt te zitten tussen partijen als zij samen het gezag behouden. Het ziet er ook niet naar uit dat dit binnen korte tijd zal verbeteren. Het verzoek van de vrouw om haar alleen het gezag te geven wordt daarom toegewezen.
Dat de vrouw alleen het gezag krijgt, betekent niet dat de man geen rol meer speelt in het leven van [minderjarige] en staat los van het contact tussen de man en [minderjarige] . Dat de man perspectief wil inzake het contact met [minderjarige] is begrijpelijk maar dat maakt de beslissing om het gezag te wijzigen niet anders.
Informatieregeling
Nu het verzoek van de vrouw wordt toegewezen, wordt toegekomen aan het voorwaardelijk verzoek van de man om een informatieregeling vast te stellen.
Zowel ingevolge artikel 1:253a lid 2 sub c BW als ingevolge artikel 1:377b BW kan de rechter een regeling treffen over de wijze waarop informatie moet worden verstrekt, door de vrouw aan de man, omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de minderjarige.
De vrouw heeft ter zitting ingestemd met het informeren van de man op de wijze zoals genoemd onder 1. van zijn verzoek. Mede gelet op het advies van de Raad zal de rechtbank het verzoek van de man tot zover toewijzen.
Ten aanzien van punt 2. omtrent het verstrekken van relevante stukken en punt 3. omtrent het betrekken van de man bij evaluaties en besprekingen in het kader van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige] , is de Raad in zijn advies duidelijk geweest. Vanwege het straat- en contactverbod is het belangrijk dat de man niet over de zelf kan beschikken als hij daaruit zou kunnen afleiden waar [minderjarige] en de vrouw verblijven, waar zij op afspraken moeten zijn en waar [minderjarige] naar school gaat. De rechtbank gaat er vanuit dat de vrouw de man – omdat hij de stukken zelf niet krijgt – in algemene zin informeert over de inhoud daarvan. Verder hoort punt 3. niet thuis in een informatieregeling, omdat de vrouw daarin geen rol heeft. Het is aan de hulpverlening om te bepalen bij welke overleggen de man kan aansluiten. De rechtbank zal het verzoek van de man op deze punten dan ook afwijzen.
Proceskosten
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.
6. De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat de vrouw voortaan alleen het gezag heeft over [minderjarige] ;
bepaalt dat de vrouw de man eenmaal per maand in het algemeen schriftelijk informeert over de ontwikkeling van [minderjarige] , waaronder in ieder geval zijn gezondheid, ontwikkeling en welzijn, school- en opvangzaken en belangrijke gebeurtenissen in het leven van [minderjarige] ;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026 in aanwezigheid van Joosen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.