RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/447158 / JE RK 26-655
Datum uitspraak: 15 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, regio Zuidwest Nederland
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedag 1] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M. Kalle uit Middelburg,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. M.V. de Nooijer uit Middelburg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Zeeland,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
Het tijdens de zitting van 15 april 2026 in zaaknummer C/02/446241 / KG ZA 26-140 door de Raad gedane mondelinge verzoek;
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 april 2026.
In zaaknummer C/02/446241 / KG ZA 26-140 heeft op 15 april 2026 een zitting met gesloten deuren plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] in zaaknummer C/02/446241 / KG ZA 26-140 naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun hoofdverblijf bij de moeder, maar zij verblijven sinds 8 maart 2026 bij de vader.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden.
4. De standpunten
De Raad stelt dat er een ernstig vermoeden is dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acuut en ernstig wordt bedreigd. Hetgeen wat tijdens de kort geding zitting is besproken en de beschuldigingen die gedaan zijn, zijn zo zorgelijk dat er direct zicht op de kinderen moet komen, waarbij er een mandaat voor gedwongen hulpverlening is. De Raad wil dat de GI de draagkracht van de kinderen beoordeelt en ambulante spoedhulp inzet om meer zicht te krijgen op de kinderen. Er moet duidelijkheid komen over mogelijke kindermishandeling en/of seksueel misbruik, en er moet bezien worden of het NICHD protocol loopt. Ook is het in het belang van de kinderen dat zij weer naar school gaat. De kinderen voelen de angst van de vader dat de moeder de kinderen bij school op kan halen en dat is schadelijk voor hun ontwikkeling. De Raad vindt het nodig dat er interactie-observaties komen, via het NIKA traject. De GI kan dit inzetten, zodat de kinderen met beide ouders geobserveerd worden. Het contactverlies met de moeder moet heel snel beëindigd worden. Het lijkt de Raad passend dat de GI met de kinderen op bezoek gaat bij de moeder thuis, om te kijken hoe dit is voor de kinderen en met iemand erbij die de kalmte kan bewaren. Uiteindelijk zal er bekeken moeten worden of er bij beide ouders sprake is van Goed Genoeg Ouderschap. Dit is voor de langere termijn, op de korte termijn moet de GI wel direct gaan bekijken welke opvoedsituatie voor dit moment het beste is voor de kinderen.
De Raad vindt het van belang dat de kinderen niet langer geïsoleerd en in angst leven, maar doordat de vader heeft aangegeven dat er een aangifte seksueel misbruik ligt, kan de Raad niet beoordelen welke opvoedsituatie op dit moment het beste is.
Namens en door de moeder wordt verklaard dat zij instemt met het verzoek van de Raad.
Namens en door de vader wordt verklaard dat hij instemt met het verzoek van de Raad.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De vader heeft de kinderen naar aanleiding van door hen gedane uitspraken over kindermishandeling en seksueel misbruik bij zich gehouden. Volgens de vader is de moeder ook niet bereid om hulpverlening te aanvaarden, zoals is voorgesteld in de [zorgorganisatie] -rapportage. De moeder betwist dit en geeft juist aan dat zij de hulpverlening en casusregie wel opgestart heeft. De moeder heeft ernstige zorgen over de situatie waarbij de kinderen bij de vader verblijven en wijst in dit verband op uitspraken die de vader doet maar die volledig door de vader zijn verzonnen en niet overeenkomen met de werkelijkheid, bijvoorbeeld over de vrouw met een vuurwapen in zijn tuin.
Er liggen inmiddels vijf Veilig Thuis meldingen, waarvan er drie meldingen door de politie zijn gedaan. De eerste politiemelding is dat vader aangeeft dat de kinderen op school en thuis ander gedrag vertonen, de kinderen niet naar de moeder willen en dat de moeder de kinderen betast bij hun geslachtsdelen. De vader heeft ook gezien dat de moeder dit bij haar jongste zoon deed en de dochter van partijen heeft dat ook gezien. De tweede politiemelding gaat over de berichten die de vader naar de moeder stuurt over kinderoffers en dat de vader de kinderen niet naar school brengt en een van de kinderen vraagt op school regelmatig hoe hulp te krijgen om voor vader te zorgen. De derde politiemelding gaat over dat de vader in zijn tuin een vrouw met een vuurwapen in handen heeft gezien, waar hij de moeder niet voor de volledige 100% in herkent. De politieagent is in het huis van de vader geweest. Dat ziet er opgeruimd uit. Wel valt op dat alle gordijnen dicht zijn. Op de bovenverdieping is geen licht en moet de agent met zijn zaklamp aan verder lopen. De agent uit zijn zorgen over dat de kinderen op een slaapkamer met de ramen dicht zitten en er geen frisse lucht is. Ook mochten de kinderen in verband met de veiligheid niet naar buiten.
Oma moederszijde heeft ook een Veilig Thuis melding gedaan, omdat de behandeling van [minderjarige 1] bij [zorgorganisatie] is stil komen staan en de moeder de kinderen al een hele tijd niet heeft gezien en dat vader verward over komt. De laatste Veilig Thuis melding is van school, vader eist daarin spullen van school, vanwege de ernstige onveiligheid van de kinderen en geeft aan dat hij zijn eigen leven op het spel zet en op dat moment niet kan komen vanwege een noodsituatie met een persoon met een vuurwapen en dat de politie net langs is geweest.
De kinderrechter is van oordeel dat de in de Veilig Thuis meldingen vermelde zaken erg zorgelijk zijn. Zij hebben betrekking op zowel de opvoedsituatie van de moeder als de vader. Daarbij komt dat de kinderen nu al gedurende langere tijd geen (fysiek) contact meer hebben met de moeder. [minderjarige 1] heeft aangegeven in de thuissituatie bij de moeder vooral last te hebben van zijn jongere broertje. [minderjarige 1] mist het naar school gaan en mist zijn moeder ook een beetje.
Van belang is dat er zo snel mogelijk zicht komt op de kinderen en de situatie waarin zij verkeren. Ook dienen de contacten met de moeder zo snel mogelijk hersteld te worden en zullen de kinderen weer naar school moeten gaan. De GI dient te beoordelen welke verblijfplaats voor de kinderen op dit moment het meest in hun belang is, bij de moeder, bij de vader of in een neutraal pleeggezin en zo nodig aan de kinderrechter de benodigde machtiging uithuisplaatsing te verzoeken. Deze opdracht geldt, ongeacht welke beslissing de voorzieningenrechter zal nemen in de kort geding-procedure die door de moeder aanhangig is gemaakt en waarin de moeder heeft gevorderd, kort gezegd, om de kinderen weer bij haar terug te doen keren. De voorzieningenrechter zal op korte termijn uitspraak doen in deze kort geding procedure.
Gezien het vorenstaande stelt de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 15 april 2026 en tot 15 juli 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026 door
mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier,
en op schrift gesteld op 16 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.