RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446135 / JE RK 26-455
Datum uitspraak: 15 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg ,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. E. Sijnesael te Middelburg,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 maart 2026;
het bericht van mr. Sijnesael van 14 april 2026;
de verklaring van de vader, ingekomen op 14 april 2026;
de aanvullende verklaring van de vader, ingekomen op 14 april 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
De (advocaat van de) moeder is – met bericht van verhindering – niet op de zitting verschenen.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vader.
Bij beschikking van 8 april 2024 zijn (onder meer) [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 8 april 2024 en tot 8 april 2025. De ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is daarna verlengd, laatstelijk tot 8 januari 2027.
3. Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader (zonder gezag) te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in hun gesprekken met de kinderrechter laten weten dat zij achter het verzoek van de GI staan.
De GI heeft aangegeven dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al vóór de aanvang van de ondertoezichtstelling bij de vader (zonder gezag) verbleven. Voor het verblijf bij de vader is wettelijk bepaald dat binnen een ondertoezichtstelling een machtiging tot uithuisplaatsing nodig is. De GI verzoekt deze machtiging om de bestaande situatie rechtmatig te borgen en de plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader te continueren.
De moeder heeft aangegeven niet op de zitting te verschijnen. Zij stemt in met het verzoek van de GI.
De vader had het verzoek van de GI in eerste instantie verkeerd begrepen. Na verdere uitleg stemt de vader in met het verzoek van de GI.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven al gedurende langere tijd bij de vader. Nu de vader geen gezag heeft, is voor deze situatie op basis van de wet een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader noodzakelijk. Op die manier wordt het verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende de ondertoezichtstelling geborgd.
De kinderrechter zal het (onweersproken) verzoek toewijzen tot aan 7 januari 2027. Het resterende deel van het verzoek wordt aangehouden, zodat het resterende deel gelijktijdig met het resterende deel van het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling te verlengen op een zitting aan het einde van het jaar of het begin van het volgende jaar behandeld kan worden.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verleent, uitvoerbaar bij voorraad, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader (zonder gezag) met ingang van 15 april 2026 en tot 7 januari 2027;
houdt de beslissing ten aanzien van het resterende deel van het verzoek aan tot 4 december 2026 PRO FORMA, met het verzoek aan de GI om dan te rapporteren over het verloop van de ondertoezichtstelling en te berichten of het resterende deel van dit verzoek wordt gehandhaafd, waarna in beginsel deze zaak tezamen met het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling (zaak C/02/445088 / JE RK 26-264) gelijktijdig op zitting (vóór 7 januari 2027) op zitting zal worden behandeld.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026 door
mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, en op schrift gesteld op 30 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.