ECLI:NL:RBZWB:2026:4187

ECLI:NL:RBZWB:2026:4187

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 16-04-2026
Datum publicatie 17-05-2026
Zaaknummer C/02/424512 / FA RK 24-3209
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Overeenstemming bereikt over inzet casusregie. Raad zal na terugkoppeling casusregisseur opnieuw rapporteren. Verzoeken in afwachting daarvan aangehouden.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Zaaknummer: C/02/424512 / FA RK 24-3209

Datum uitspraak: 16 april 2026

Nadere beschikking betreffende gezag en omgang

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. V.J.C. Pieters te Goes,

en

[de man] ,

woonplaats kiezende ten kantore van zijn advocaat te Vlissingen,

hierna te noemen: de man,

advocaat: voorheen: mr. V.C. Serrarens te Middelburg, onttrokken, thans: mr. S.X. Scholten te Vlissingen,

betreffende de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2018, hierna te noemen: [minderjarige 1] ;

- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2020, hierna te noemen: [minderjarige 2] .

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over de verzoeken te adviseren.

1. Het nadere procesverloop

Het nadere procesverloop bestaat uit:

- de beschikking van deze rechtbank van 27 februari 2025 en alle daarin opgenomen en vermelde stukken;

- het op 10 maart 2025 ontvangen e-mailbericht van [zorgorganisatie 1] ;

- het op 25 maart 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Scholten, met bijlage;

- het op 15 april ontvangen e-mailbericht van de Raad;

- het op 30 september 2025 ontvangen raadsrapport van 25 september 2025;

- het op 23 januari 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Scholten, met bijlage;

- het op 26 januari 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Pieters, met bijlage;

- het op 30 maart 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Scholten, met bijlagen.

De verzoeken zijn nader mondeling behandeld tijdens de zitting op 7 april 2026. Bij die zitting zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.

De minderjarige [minderjarige 1] is gelet op haar leeftijd in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. [minderjarige 1] heeft daar gebruik van gemaakt door de kinderrechter een brief te schrijven.

2. De verdere beoordeling

De rechtbank verwijst naar de tussenbeschikking van 27 februari 2025. Bij deze beschikking heeft de rechtbank bepaald welke bedragen de man ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling dient te voldoen en heeft de rechtbank verstaan dat de man voor de helft bijdraagt in de kosten van de zwemles van de minderjarigen. Voorts zijn partijen en hun minderjarige kinderen bij deze beschikking verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland voor een (jeugd)hulpverleningstraject via het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA). Tot slot is de Raad verzocht een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de volgende vragen:

- Bestaat er, bij instandhouding van het gezamenlijk gezag van beide ouders over de minderjarige [minderjarige 1] en bij toewijzing van het gezag over de minderjarige [minderjarige 2] aan de ouders gezamenlijk, een onaanvaardbaar risico dat de minderjarigen klem of verloren zullen raken tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van de minderjarigen te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?

- Welke vorm van contact c.q. welke zorg-/omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?

- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?

- Zijn er contra-indicaties voor contact/omgang tussen de man en de minderjarigen en zo ja, welke?

- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?

In afwachting van het rapport en advies van de Raad en de UHA rapportage zijn de beslissingen op de verzoeken met betrekking tot het gezag en de zorg-/omgangsregeling aangehouden.

Bij e-mailbericht van 10 maart 2025 heeft [zorgorganisatie 1] (hierna: [zorgorganisatie 1] ) het UHA-traject terug gemeld zonder inzet van zorg. [zorgorganisatie 1] is hiertoe overgegaan omdat er ook direct een onderzoek vanuit de Raad wordt gestart en het gelet op de onderzoeksvragen ten aanzien van gezag en omgang, belangrijk is om de onderzoeksresultaten af te wachten, zodat aan de hand daarvan de best passende zorg kan worden ingezet.

Op 30 september 2025 is het rapport en advies van de Raad ontvangen. De Raad adviseert – kort samengevat – om de verzoeken ten aanzien van het gezag en de omgang aan te houden voor de duur van negen maanden in afwachting van de inzet van hulpverlening. De Raad kan op dit moment niet adviseren over de onderzoeksvragen. Beide ouders dienen volgens de Raad eerst een traumabehandelingstraject aan te gaan, om zo de heftigheid van hun traumatische belevingen te verminderen, hun draagkracht te vergroten en de vrouw (beter) in staat te stellen emotionele toestemming te verlenen aan de minderjarigen voor een eventueel contact met hun vader. In de tussentijd dienen de minderjarigen op een passende wijze te worden geïnformeerd over de huidige situatie. De Raad acht hiervoor de inzet van een kindbehartiger en psycho-educatie aangewezen. Vervolgens dient er een casusregisseur vanuit de gemeente betrokken te raken bij de ouders en de minderjarigen om zicht te krijgen op de situaties van de beide ouders en dan met name op het verloop van het behandeltraject van de man ten aanzien van zijn psychische problematiek. Aan de hand daarvan zal duidelijk worden welke mogelijkheden er zijn voor contact tussen de ouders en welke mogelijkheden er zijn voor een vorm van contactherstel tussen de man en de minderjarigen. De Raad zal daarna aanvullend onderzoek kunnen verrichten en kunnen adviseren over de verzoeken omtrent het gezag en de omgang.

Ter gelegenheid van de zitting heeft de Raad het belang van de inzet van casusregie benadrukt. Er is inmiddels een kindbehartiger aangesteld voor [minderjarige 1] en de vrouw heeft [minderjarige 1] laten weten dat zij toestemming geeft voor het contact met haar vader, hetgeen een positief effect op [minderjarige 1] heeft gehad, aldus de Raad. Zonder casusregisseur zal de situatie echter stagneren. Net als de kindbehartiger vindt de Raad dat er een casusregisseur dient te worden ingezet om zicht te krijgen op hoe het met de man gaat, op het verloop van zijn behandeling, op wat zijn mogelijkheden zijn ten aanzien van het contact met de vrouw en de minderjarigen en zodat er regie wordt gevoerd ten aanzien van de verder te nemen stappen, zoals de inzet van psycho-educatie voor de ouders, het ontschuldigen van de minderjarigen en de eventuele inzet van extra hulpverlening. In samenspraak met de kindbehartiger zal de casusregisseur dan moeten bezien of er een volgende stap kan worden gezet in het contactherstel tussen de man en de minderjarigen, en zo ja, welke. De Raad benadrukt dat de minderjarigen recht hebben op stabiel, voorspelbaar en emotioneel veilig contact met hun vader. Gelet op de kwetsbare situatie van de man zal dit in de toekomst mogelijk enkel in de vorm van briefcontact kunnen plaatsvinden, maar dit zal dus eerst nader moeten worden onderzocht, aldus de Raad.

Gelet op het voorgaande liggen thans nog ter beoordeling aan de rechtbank voor, de verzoeken van de vrouw om, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

te bepalen dat het gezamenlijk gezag over de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2018 te [geboorteplaats 1] , wordt beëindigd, met de bepaling dat de vrouw voortaan alleen met het gezag over de minderjarige zal zijn belast;

de man te verbieden om met ingang van de dag van de in deze te wijzen beschikking dan wel met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie dient te vernemen contact te hebben met de minderjarige kinderen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2018 te [geboorteplaats 1] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2020 te [geboorteplaats 2] , voor de duur van het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming.

Voorts liggen thans nog ter beoordeling aan de rechtbank voor, de verzoeken van de man om, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

het verzoek van de vrouw om alleen haar met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2018 te [geboorteplaats 1] , te belasten af te wijzen;

te bepalen dat ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen over [minderjarige 2] geboren op [geboortedag 2] 2020 te [geboorteplaats 2] ;

te bepalen dat er wekelijks op zaterdag contact is tussen de kinderen en de man middels videobellen en na zes weken er wordt gestart aan fysieke omgang met als doel dat de kinderen over één jaar een weekend van vrijdagmiddag tot zondagavond per veertien dagen bij de man verblijven.

Partijen hebben ter gelegenheid van de zitting hun standpunten toegelicht. De rechtbank zal daar voor zover nodig hierna op ingaan. Vaststaat in ieder geval dat er al lange tijd geen enkel contact plaatsvindt tussen partijen en dat er nog steeds heel beperkt contact plaatsvindt tussen de man en [minderjarige 1] , namelijk via het traject van de kindbehartiger. Er is geen sprake van fysiek contact tussen de man en [minderjarige 1] . Tussen de man en [minderjarige 2] vindt er al lange tijd helemaal geen contact plaats. De man heeft daarbij aangegeven dat hij op dit moment niet in staat is tot fysiek contact met de minderjarigen. Hij is nog steeds in behandeling bij Stichting Emergis en volgt hier een intensief traject, te weten EMDR+, voor zijn psychische problematiek. Op dit moment is nog niet duidelijk of dit zal leiden tot een verbetering van de situatie van de man en wat dat betekent voor zijn (on)mogelijkheden om fysiek contact met de minderjarigen te onderhouden. De man heeft ter gelegenheid van de zitting aangegeven dat hij zich blijft inzetten voor dit traject en hoopt op die manier te komen tot een vorm van contact(herstel) met de minderjarigen. De vrouw heeft ter gelegenheid van de zitting aangegeven dat zij in het verleden al een traumabehandeling heeft gevolgd en afgerond. De vrouw vindt het erg lastig dat er nog steeds geen zicht is op het perspectief van de man in het contact met de minderjarigen. Zij wil graag dat hier eerst duidelijkheid over komt, zodat wordt voorkomen dat de minderjarigen opnieuw worden belast met een hulpverleningstraject terwijl vervolgens blijkt dat de man (nog steeds) niet in staat is tot (fysiek) contact met hen.

Na een korte schorsing van de zitting zijn partijen, gehoord het advies van de Raad, er in geslaagd de volgende afspraken te maken:

Partijen zullen zich na afloop van de zitting allebei zo snel mogelijk wenden tot het [zorgorganisatie 2] van de gemeente Vlissingen voor de inzet van casusregie.

De casusregisseur zal vervolgens moeten krijgen op hoe het gaat met de man en zijn psychische problematiek, op het verloop van het behandeltraject van de man bij Stichting Emergis en op de mogelijkheden van de man tot contact met de vrouw en tot (fysiek) contact met de beide minderjarigen.

Indien deze mogelijkheden er zijn en de man voldoende draagkracht heeft voor contact met de vrouw en de minderjarigen, dient de casusregisseur te onderzoeken wat er vervolgens nodig is, voor de minderjarigen, maar ook voor beide partijen, om het contact tussen partijen vorm te geven en om toe te werken naar een vorm van contactherstel tussen de man en de minderjarigen. De casusregisseur zal daarbij in samenspraak met de kindbehartiger moeten bezien op welke wijze en met welke frequentie er kan worden toegewerkt naar een vorm van contactherstel tussen de man en de minderjarigen. Hierbij dient de casusregisseur ook nadrukkelijk de draagkracht van de beide minderjarigen in kaart te brengen en te bezien of er voor hen (aanvullende) hulpverlening nodig is, en zo ja, welke.

Verder zal de casusregisseur met partijen dienen te werken aan de door de Raad geformuleerde doelen, welke zijn opgenomen op pagina 22 van het raadsrapport van 25 september 2025, te weten:

o [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren emotionele veiligheid, kunnen rekenen op emotioneel beschikbare ouders en kunnen zich voldoende richten op de ontwikkelingstaken die bij hun leeftijd passen;

o [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben (in woorden die aansluiten bij hun leeftijd en begripsniveau) uitleg gekregen over de reden van het contactverlies, waarbij de minderjarigen, vader en moeder verontschuldigd worden. Tevens is hen uitleg gegeven over hetgeen de kinderrechter zal bepalen naar aanleiding van het raadsrapport aangaande eventueel contactherstel en de stappen die hiervoor nodig zijn.

o [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden niet langer geconfronteerd met spanningen en negatieve emoties met betrekking tot hun vader en hebben een stabiel, voorspelbaar en (emotioneel) veilig contact, in welke vorm dan ook, waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun vragen aan hun vader kunnen stellen en beantwoord krijgen.

o [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden niet belast met de impact van de traumatische ervaringen van hun ouders en de ouders communiceren op een wijze die ervoor zorgt dat de minderjarigen, met name [minderjarige 1] , niet langer belast worden met loyaliteitsproblemen en gevoelens van verwarring, afwijzing en boosheid.

o Ouders hebben psycho-educatie gehad over de gevolgen van het contactverlies tussen de vader en de minderjarigen en over loyaliteitsproblemen.

o Ouders stellen zich begeleidbaar op en houden zich aan de gemaakte afspraken.

- De casusregisseur dient binnen negen maanden na de start van het traject het verloop van het traject, de bevindingen alsmede de huidige de stand van zaken terug te koppelen aan de Raad.

Ter gelegenheid van de zitting is afgesproken dat de Raad, na bedoelde terugkoppeling van de casusregisseur, opnieuw een onderzoek zal instellen naar de eerder geformuleerde vragen, zoals opgenomen in rechtsoverweging 2.1 van deze beschikking, en hierover zal rapporteren en adviseren. De Raad heeft zich hier tijdens de zitting bereid toe verklaard.

In afwachting van het voorgaande en de nadere rapportage van de Raad zal de rechtbank de beslissingen ten aanzien van het gezag en de zorg-/omgangsregeling aanhouden tot 20 april 2027 PRO FORMA. De rechtbank verzoekt de Raad uiterlijk op voornoemde pro forma datum het rapport en advies bij de rechtbank in te dienen, onder verstrekking van een kopie van het rapport aan (de advocaten van) partijen. Partijen zullen vervolgens in gelegenheid worden gesteld schriftelijk te reageren op het rapport en advies van de Raad, alsmede zich uit te laten over het door hen gewenste verdere verloop van de procedure.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

3. De beslissing

De rechtbank:

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg, na de terugkoppeling van de casusregisseur, opnieuw een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven in rechtsoverweging 2.1 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, een en ander zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.6 tot en met 2.8 van deze beschikking, welk rapport uiterlijk op de pro forma datum van 20 april 2027 bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van partijen;

houdt – in afwachting van het nadere rapport en advies van de Raad – de beslissingen op de verzoeken van partijen met betrekking tot het gezag en de zorg-/ omgangsregeling aan;

behoudt zich iedere nadere beslissing voor.

Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026 in aanwezigheid van mr. de Haas, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. Hopmans

Griffier

  • mr. de Haas

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand