RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444861 / FA RK 26-685
datum uitspraak: 16 april 2026
beschikking op de vraag van de minderjarige door middel van een informele rechtsingang
[minderjarige] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
geboren in [geboorteplaats] (Libië) op [geboortedag] 2009,
wonende in [woonplaats 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 2] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 1] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
WILLAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDSRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
De Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, is op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) betrokken in de zaak om de kinderrechter over de vraag van de minderjarige te adviseren.
1. Het verloop van de zaak
Op 5 februari 2026 heeft de rechtbank een brief ontvangen van [minderjarige] .
De kinderrechter heeft op 5 maart 2026 met [minderjarige] gesproken over haar brief.
Naar aanleiding van dit gesprek heeft de kinderrechter de ouders, de GI en de Raad
uitgenodigd voor een zitting. De zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2026. Hierbij zijn aanwezig en gehoord:
- de vader;
- de moeder;
- een medewerkster van de GI, tevens betrokken jeugdbeschermer;
- een vertegenwoordigster namens de Raad.
Naast de brief van [minderjarige] , behoort ook tot de stukken:
- de brief van de GI van 17 maart 2026, ingekomen bij de griffie op 1 april 2026.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft [minderjarige] , bij beschikking van 7 februari 2025, onder toezicht gesteld van de GI.
Bij beschikking van 28 juli 2025 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 7 augustus 2025 tot 7 november 2025.
Laatstelijk, bij beschikking van 25 september 2025, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 7 november 2025 tot 7 november 2026. Tevens heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling.
Op grond van voormelde machtiging tot uithuisplaatsing verblijft [minderjarige] bij [accommodatie jeugdhulpaanbieder] .
3. De vraag van [minderjarige]
heeft de kinderrechter gevraagd om een gesprek om over haar situatie.
[minderjarige] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat
het contact tussen de ouders en [minderjarige] wisselend verloopt. Daardoor weten de ouders niet altijd goed wat er in haar leven speelt. [minderjarige] kan bij haar jeugdbeschermers [persoon 1] en [persoon 2] terecht. Zij helpen om dingen te regelen en vervullen eigenlijk al lange tijd de rol van voogd.
Bij het gesprek tussen [minderjarige] en de kinderrechter was ook een begeleidster van [minderjarige] aanwezig. Zij bracht in het gesprek naar voren dat er in de afgelopen periode veel beslissingen over [minderjarige] genomen moesten worden. De ouders hebben daarin niet meegewerkt volgens de begeleidster, wat bij [minderjarige] tot teleurstelling heeft geleid. Ook in de komende periode moeten er veel zaken voor [minderjarige] geregeld worden. Tussen [minderjarige] en haar ouders is er sprake van een turbulente relatie.
Naar aanleiding van het gesprek met [minderjarige] en haar begeleidster zag de kinderrechter reden om met de ouders en de GI te praten over de huidige situatie. De kinderrechter maakt zich zorgen om de gezagsbeslissingen over [minderjarige] .
4. De standpunten
De moeder brengt, samengevat, naar voren dat het beter met [minderjarige] gaat sinds zij in [woonplaats 1] woont. Het is nu rustiger. [minderjarige] komt regelmatig bij de moeder op bezoek, bijvoorbeeld om te eten. Als [minderjarige] dan vraagt om te blijven slapen weigert de moeder dit. Zij staat dat alleen toe als dit van de groep mag. Als er dingen geregeld moeten worden, zegt [minderjarige] zelf tegen de moeder dat zij geen handtekening hoeft te zetten omdat de jeugdbeschermers het zullen regelen. [minderjarige] geeft de moeder dan aan dat zij begeleiding heeft die dingen voor haar regelen. De moeder benadrukt dat [minderjarige] altijd welkom is bij haar, maar belangrijk is wel dat zij zich aan de regels blijft houden. Als zij met de groep afspreekt om op een bepaalde tijd terug te zijn, dan moet daar naar geluisterd worden.
De vader brengt, samengevat, naar voren dat hij ook contact heeft met [minderjarige] . Recent is hij met haar naar de bioscoop geweest. De vader heeft [minderjarige] daarvoor gehaald en gebracht.
De jeugdbeschermer brengt schriftelijk en mondeling, samengevat, het volgende naar voren. Er is niet veel contact tussen [minderjarige] en de ouders. Wanneer er wel contact is, dan botst dit. Duidelijke afspraken over het contact zijn nodig, gezien het nog aanwezige risico op eerwraak. De ouders leveren geen financiële bijdrage voor [minderjarige] . De GI zorgt ervoor dat [minderjarige] zak- en kleedgeld krijgt, hoewel dit niet standaard is. Daarnaast heeft [minderjarige] nog een baantje. De schoolspullen van [minderjarige] worden geregeld via Stichting Leergeld. [minderjarige] heeft van de ouders dus geen financiële ondersteuning. Ook ervaart zij geen ondersteuning van de ouders in de trajecten die zij doorloopt in het kader van de verwerking van wat zij heeft meegemaakt. Het lukt de ouders onvoldoende om actief aan te sluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft. Ook zijn de ouders niet voorspelbaar, wat maakt dat [minderjarige] niet op hen kan bouwen. Het is voor de GI niet mogelijk om goede, constructieve afspraken met de ouders te maken. Uiteindelijk worden de zaken geregeld, maar niet hoe dit officieel zou moeten. Bij het regelen van praktische en financiële zaken zijn er altijd derden nodig. De moeder zegt tegen de GI ‘regelen jullie het maar’. De GI heeft overwogen om bij de Raad een verzoek te doen tot onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel, echter heeft daarin de leeftijd van [minderjarige] meegewogen. [minderjarige] is nu bijna 17 jaar. Een onderzoek neemt langere tijd in beslag. De GI zal [minderjarige] ondersteunen zodat zij bij haar meerderjarigheid zo goed mogelijk in de maatschappij kan instromen.
De Raad brengt, samengevat, naar voren dat de kinderrechter niet geadviseerd kan worden. Hiervoor is te weinig informatie beschikbaar. De Raad kan zich voorstellen dat de GI de leeftijd van [minderjarige] meeneemt in haar overweging om de Raad niet te verzoeken om een onderzoek te doen. De Raad wijst de GI er op dat de communicatie met de ouders voor verbetering vatbaar is. De GI moet de ouders goed kunnen uitleggen wat er van hen wordt verwacht en waarom er bijvoorbeeld een handtekening nodig is. Verder geeft de Raad de ouders mee dat hun ouderlijke verantwoordelijkheid meebrengt dat zij ook op financieel vlak verantwoordelijk zijn voor [minderjarige] . Dit betekent dat zij moeten bijdragen in de kosten. De ouders en de GI moeten hierover met elkaar in gesprek.
5. De beoordeling van de kinderrechter
[minderjarige] heeft de kinderrechter een brief gestuurd via de zogenaamde ‘informele rechtsingang’. De informele rechtsingang biedt een kind van twaalf jaar en ouder een eigen toegang tot de rechtbank. Op informele wijze, zoals bijvoorbeeld met een brief, e-mailbericht of telefoontje, kan een kind een vraag aan de kinderrechter stellen. Niet alle vragen van een kind kunnen door de kinderrechter via de informele rechtsingang worden behandeld. In de wet is bepaald dat de kinderrechter op een vraag van een kind van twaalf jaar of ouder ambtshalve alleen een beslissing kan nemen over (1) het toekennen van eenhoofdig gezag, (2) omgang en informatie (3) de verdeling van de zorg- en opvoedtaken (4) benoeming van een bijzondere curator.
De vraag van [minderjarige] , zoals is weergegeven in rechtsoverweging 3.1, valt niet onder één van deze onderwerpen. Dit betekent dat de informele rechtsingang in dit geval niet open staat voor de vraag van [minderjarige] . De kinderrechter zal [minderjarige] daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vraag. Dit houdt in dat de kinderrechter niet inhoudelijk op de vraag van [minderjarige] kan beslissen.
De kinderrechter acht het wel van belang om de ouders er op te wijzen dat zij, nu zij gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige] zijn belast, ook die verantwoordelijkheid dienen te nemen. Dit houdt in dat zij beslissingen moeten nemen in het belang van [minderjarige] en zij ook financieel verantwoordelijk zijn voor haar, ook al woont zij niet meer thuis. Daar hoort ook bij dat belangrijke aangelegenheden, waarvoor toestemming nodig is van de ouders, voortvarend geregeld moeten kunnen worden. Onderdeel daarvan is ook dat de ouders samenwerken met de GI. In dat kader steunt de kinderrechter de suggestie van de Raad dat het raadzaam is dat de ouders en de GI samen om de tafel gaan en de communicatie en samenwerking verbeteren. Het is daarbij aan de GI om ervoor te zorgen dat de ouders goed geïnformeerd worden en hen duidelijk wordt gemaakt wat van hen kan worden verwacht. Moeder moet er daarbij wel voor zorgen dat de GI niet langer geblokkeerd is op haar telefoon. Mocht de situatie verslechteren en belangrijke beslissingen over [minderjarige] door de ouders belemmerd worden, dan ligt het op de weg van de GI om hierin actie te ondernemen. Het doen van een verzoek tot onderzoek bij de Raad naar een gezagsbeëindigende maatregel of het zelfstandig indienen van een verzoek bij de kinderrechter tot vervangende toestemming behoort daarbij tot de mogelijkheden.
6. Brief aan [minderjarige]
De kinderrechter vindt het belangrijk om [minderjarige] een brief te sturen met uitleg over haar beslissing en beide ouders daarvan op de hoogte te stellen. In deze brief die [minderjarige] op haar e-mailadres ontvangt, leest zij het volgende.
Beste [minderjarige] ,
Op 5 maart 2026 heb jij de kinderrechter gesproken over de brief die jij hebt geschreven.
Nadat je met de kinderrechter hebt gesproken, was er op 1 april 2026 een zitting. Daar waren je ouders, jouw jeugdbeschermer [persoon 2] en een medewerkster van de Raad van de Kinderbescherming.
De kinderrechter heeft tijdens die zitting aan jouw ouders gevraagd hoe zij de huidige situatie zien en hoe zij vinden dat het met je gaat.
Je moeder heeft uitgelegd dat zij vindt dat het beter met je gaat sinds jij in [woonplaats 1] woont. Dit is voor jou een betere plek, vindt ze. Je moeder heeft verteld dat jij regelmatig bij haar op bezoek komt. Je moeder vertelde dat zij het belangrijk vindt dat het goed met je gaat en dat je altijd welkom bent bij haar. Wel vindt zij het belangrijk dat jij je aan de regels van de groep houdt. Dit betekent dat jij niet bij je moeder kunt blijven slapen als dat van de begeleiding niet mag. Volgens je moeder worden belangrijke dingen geregeld via jouw jeugdbeschermers. Je moeder merkt daarin geen probleem.
Je vader heeft verteld dat jullie kort geleden naar de bioscoop zijn geweest. Over het nemen van belangrijke beslissingen over jou, heeft je vader niets gezegd.
[persoon 2] , jouw jeugdbeschermer, heeft verteld dat zij helpt om dingen voor jou te regelen. Ondanks dat dit soms moeilijk is, lukt het uiteindelijk om zaken voor elkaar te krijgen. Jouw jeugdbeschermers steunen je waar zij dat kunnen.
Zoals de kinderrechter je tijdens het gesprek heeft uitgelegd, is jouw situatie juridisch moeilijk, omdat de kinderrechter alleen kan beslissen over iets als dat in de wet staat. De kinderrechter maakte zich na het gesprek met jou en je begeleider wat zorgen over hoe de belangrijke beslissingen worden genomen. Daarom heeft de kinderrechter jou uitgelegd dat zij het belangrijk vindt om wel met jouw ouders, je jeugdbeschermers en de Raad voor de Kinderbescherming te gaan praten. In dat gesprek heeft de kinderrechter gekeken wat jouw ouders van de situatie vinden. Ook heeft de kinderrechter aan [persoon 2] en de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd wat zij vinden. Als [persoon 2] en de Raad zouden vinden dat er iets anders geregeld moet worden voor het gezag, dan zou de Raad daar onderzoek naar kunnen doen. Dat is niet uit het gesprek gekomen. Omdat het gezag dan niet iets is waar de kinderrechter in jouw situatie op kan beslissen, betekent dit in jouw zaak dat jij ‘niet-ontvankelijk’ wordt verklaard in je vraag.
De kinderrechter heeft gelukkig wel gemerkt dat [persoon 2] en [persoon 1] en jouw begeleiding er alles aan doen om de beslissingen goed te laten lopen. Dat lukt hen gelukkig ook goed genoeg tot nu toe. [persoon 2] heeft de kinderrechter beloofd om je te blijven steunen, zoals zij dat nu ook doet. Als het zou veranderen en de beslissingen niet meer goed genomen kunnen worden, dan kunnen [persoon 2] en [persoon 1] daar wat aan doen. Zij kunnen dan de Raad voor de Kinderbescherming vragen om een onderzoek te doen. Je ouders weten nu ook dat dit kan.
Jouw zaak stopt met deze brief. De kinderrechter hoopt dat het voor jou nu duidelijk is waarom deze beslissing wordt genomen. Als jij over deze brief vragen hebt, kun je bij [persoon 2] terecht. Zij was bij de zitting aanwezig en kan jou vertellen wat er is besproken.
Ook je ouders worden op de hoogte gebracht dat de zaak stopt. Dit gebeurt via een beschikking. De kinderrechter wil jou als laatste nog laten weten dat het probleem dat de kinderrechter zag, precies zoals het in deze brief staat met je ouders besproken is.
De kinderrechter wenst jou het allerbeste voor de toekomst. Heel veel succes met school!
Met vriendelijke groet, ook namens de kinderrechter,
De griffier.
7. De beslissing van de kinderrechter
De kinderrechter:
verklaart [minderjarige] niet-ontvankelijk in haar vraag.
Deze beschikking is gegeven door mr. Tempel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026 in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
Mededeling van de griffier:
Voor zover in deze beschikking één of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan tegen deze beschikking hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof:
a. namens de minderjarige door zijn wettelijk vertegenwoordiger of de bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
b. door de minderjarige zelf als zijn aanvraag ziet op de benoeming van een bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
c. door de anderen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
d. door andere belanghebbenden: binnen 3 maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op een andere manier bekend is geworden. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.