RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446596 / JE RK 26-545
Datum uitspraak: 16 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Eindhoven.
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2021 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2020 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 maart 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI.
Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de vader niet verschenen.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .
[minderjarige 2] en [minderjarige 1] wonen bij hun moeder.
Bij beschikking van 10 februari 2022 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 februari 2022 en tot 10 februari 2023. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 30 juli 2025 met ingang van 10 augustus 2025 tot 10 mei 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI handhaaft het verzoek. De GI licht toe dat SCHIP-therapie niet goed van de grond komt doordat de vader afspraken vaak afzegt, de ouders niet tot afspraken komen of de gemaakte afspraken worden teruggedraaid door de vader. Dit terwijl de GI het wel belangrijk vindt dat er een ouderschapsplan wordt opgesteld, ook omdat in het verleden is geconstateerd dat het gevolgen heeft voor de omgang tussen de vader en de minderjarigen als het contact tussen de ouders niet goed is. Op dit moment is er twee keer per maand anderhalf uur contact tussen de vader en de minderjarigen, onder begeleiding van [hulpverlening] . Er wordt gezien dat het de vader niet lukt om deze zorgregeling structureel vol te houden. Verder wordt gezien dat [minderjarige 2] last heeft van nachtmerries, die mogelijk in verband staan met de omgang met de vader. Hier wil de GI in de komende periode meer zicht op krijgen en indien nodig aanvullende jeugdhulp inzetten.
De moeder is het eens met het verzoek. Zij vertelt dat het in de thuissituatie goed gaat met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , hoewel [minderjarige 2] nog wel last heeft van nachtmerries. Dit houdt de moeder goed in de gaten. De moeder weet niet of de nachtmerries van [minderjarige 2] in verband staan met de omgang met de vader, maar zij merkt wel dat de minderjarigen na contact met de vader moe, chagrijnig en emotioneel kunnen zijn. Verder vertelt de moeder dat zij de hulpverlening van IPT prettig vindt en daar veel steun aan heeft. De ingezette SCHIP-therapie heeft de ouders tot nu toe niet verder gebracht. Er zijn namelijk steeds veel discussies en als de ouders het ergens over eens zijn, wordt het later teruggedraaid door de vader.
5. De beoordelingHet wettelijk kader
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
De inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De kinderrechter is gebleken dat het goed gaat met de minderjarigen in de thuissituatie van de moeder en dat er geen zorgen zijn over de verzorging en opvoeding van de minderjarigen door de moeder. De moeder is betrokken en biedt een veilige en passende thuissituatie aan de minderjarigen. Tegelijkertijd is gebleken dat er nog wel zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben in de thuissituatie namelijk veel meegemaakt toen de ouders nog samen waren en gebleken is dat er nog steeds zorgen zijn over de communicatie en samenwerking tussen de ouders. Ook zijn er nog zorgen over het contact tussen de vader en de minderjarigen, vooral omdat de vader de zorgregeling niet consequent nakomt. Hoewel wordt gezien dat de contactmomenten tussen de vader en de minderjarigen ontspannen verlopen, ontstaat er door het gebrek aan continuïteit geen stabiele en voorspelbare omgangssituatie voor de minderjarigen en worden zij regelmatig teleurgesteld wanneer een contactmoment met de vader niet door gaat. De kinderrechter heeft zorgen over de gevolgen hiervan voor de minderjarigen, ook omdat wordt gezien dat [minderjarige 2] last heeft van nachtmerries die mogelijk in verband staan met het contact met de vader.
Dit maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] nog niet zijn weggenomen. Daar komt bij dat de kinderrechter van oordeel is dat de vader en de moeder onvoldoende in staat zijn om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Zoals hierboven overwogen verloopt de onderlinge communicatie en samenwerking tussen de vader en de moeder nog erg moeizaam en lukt het de ouders niet om samen tot duurzame afspraken te komen, ook niet met behulp van SCHIP-therapie. Het lukt de ouders tot op heden niet om een ouderschapsplan op te stellen, terwijl dit wel van groot belang is om de regievoering en hulpverlening over te kunnen dragen naar een vrijwillig kader. Hierdoor heeft de kinderrechter er onvoldoende vertrouwen in dat zonder de betrokkenheid van de jeugdbeschermer zal worden gewerkt aan bovengenoemde zorgen. De kinderrechter komt daarom tot het oordeel dat de ondertoezichtstelling nog steeds nodig is. De kinderrechter zal het verzoek daarom toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verlengen voor de verzochte duur van negen maanden, te weten tot 10 februari 2027.
De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie blijft voeren en de belangen van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] blijft bewaken. Ook verwacht de kinderrechter dat in de komende periode verder wordt gewerkt aan het maken van duurzame afspraken tussen de ouders en het opstellen van een ouderschapsplan. Daarnaast dient de GI zicht te houden op de ontwikkeling van de minderjarigen, waarbij meer zicht moet worden verkregen op de aard en oorzaak van de nachtmerries van [minderjarige 2] en indien nodig moet daarvoor aanvullende jeugdhulp worden ingezet.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 10 mei 2026 en tot 10 februari 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 30 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.