ECLI:NL:RBZWB:2026:4198

ECLI:NL:RBZWB:2026:4198

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 16-04-2026
Datum publicatie 17-05-2026
Zaaknummer C/02/446061 / JE RK 26-440
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verlenging machtiging uithuisplaatsing. De minderjarigen kunnen nog niet naar huis. Onvoldoende zicht op de thuissituatie, psychische gesteldheid en opvoedvaardigheden van de moeder en nog te vroeg voor hulpverlening voor de kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/446061 / JE RK 26-440

Datum uitspraak: 16 april 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats 1] (Polen),

hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats 2] (Italië),

hierna te noemen [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats] .

De kinderrechter merkt als informant aan:

[de stiefvader] ,

hierna te noemen de stiefvader,

wonende in [woonplaats] .

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 maart 2026;

de brief van de GI van 20 maart 2026, met bijlagen.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Daarbij was aanwezig:

- een vertegenwoordiger van de GI.

De moeder en de stiefvader zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld om hun mening te geven over het verzoek. Zij hebben hiervan geen gebruik gemaakt.

2. De feiten

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Bij beschikking van 23 oktober 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 23 oktober 2025 tot 23 oktober 2026. Ook is een machtiging verleend om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 23 oktober 2025 tot 23 april 2026.

Op grond van die machtiging verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een pleeggezin.

3. Het verzoek

De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen tot het einde van de ondertoezichtstelling en de te geven beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI aangegeven dat op 23 oktober 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is verleend omdat er zorgen waren over de uitspraken die de kinderen deden over huiselijk geweld vanuit de partner van de moeder richting de moeder. Moeder erkent de geuite zorgen niet en lijkt zich onvoldoende in te kunnen leven in de kinderen. De GI heeft geprobeerd om voldoende zicht te krijgen op de thuissituatie van de moeder, maar dit is nog niet gelukt. De GI blijft het noodzakelijk vinden dat de moeder zich laat onderzoeken door de GGZ, openheid geeft over haar psychische belastbaarheid, meewerkt aan het veiligheidsplan en dat haar gedrag richting hulpverleners normaliseert. Zolang deze stappen niet zijn gezet, kan de veiligheid van de kinderen niet structureel worden gewaarborgd.De kinderen ontwikkelen zich goed in het pleeggezin en op school. Gezien wordt dat zij opbloeien in het pleeggezin, maar ook loyaal zijn aan de moeder. Er zijn begeleide contactmomenten tussen de kinderen en de moeder. Door een wissel in de instantie die de contactmomenten begeleidt zijn deze momenten teruggebracht naar eenmaal per twee weken gedurende een uur omdat het vervoer niet kon worden geregeld. De moeder komt niet altijd naar de contactmomenten. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn dan erg teleurgesteld. Er is nog geen hulpverlening ingezet voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , omdat dit nog teveel voor hen is. Zij willen zich nu vooral richten op leuke dingen, bijvoorbeeld afspreken met vriendjes en vriendinnetjes.

5. De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Aangezien [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de moeder de Poolse nationaliteit hebben, draagt

deze zaak een internationaal karakter, zodat eerst de vraag beantwoord dient te worden of de

Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en, zo ja, welk recht van toepassing is.

Op grond van artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de

ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied

waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het

gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in

Nederland is, komt de Nederlandse kinderrechter rechtsmacht toe.

Nu de Nederlandse kinderrechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op

grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht

op het verzoek worden toegepast.

Inhoudelijke beoordeling

In artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is, kort gezegd, bepaald dat de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige kan verlenen als dat in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige noodzakelijk is.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing steeds verlengen met maximaal een jaar.

Op basis van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen op dit moment niet terug bij de moeder en stiefvader wonen. Er zijn nog te veel zorgen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontwikkelen zich goed in het pleeggezin en op school, maar het is nog te vroeg om hulpverlening voor hen in te zetten. De kinderen hebben veel meegemaakt. Dit uit zich bij [minderjarige 2] in het hebben van nachtmerries en bij [minderjarige 1] in boosheid en het hebben van angsten. Er is een vertrouwenspersoon vanuit [hulpverlening] bij de kinderen betrokken, zodat de kinderen een neutraal persoon hebben om mee te kunnen praten. Van belang is dat er zicht komt op wat de kinderen nodig hebben, zodat gewerkt kan worden naar het inzetten van passende hulpverlening. De GI heeft nog geen zicht gekregen op de thuissituatie van de moeder. Het is van groot belang dat daar zicht op komt, alsmede op de psychische gesteldheid en de opvoedvaardigheden van de moeder. Voorts zijn er zorgen over de medewerking van de moeder aan praktische regelzaken en wensen van de kinderen. Zo heeft zij geweigerd de ID-kaarten van de kinderen af te geven, waardoor de kinderen niet met het pleeggezin mee konden op een korte vakantie en zij tijdelijk in een ander pleeggezin hebben moeten verblijven. Ook heeft de moeder geweigerd toestemming te verlenen voor het openen van een bankrekening voor [minderjarige 1] , hetgeen nodig was omdat hij graag een folderwijk wilde gaan doen. Daarnaast verleent de moeder niet altijd haar medewerking aan de begeleide contactmomenten. Zij is al meerdere keren niet gekomen, waardoor de kinderen erg teleurgesteld zijn. Wanneer de moeder wel komt, verlopen de contactmomenten instabiel. Zij doet belastende uitspraken naar de kinderen, spreekt negatief over het pleeggezin, bespreekt volwassen zaken met [minderjarige 1] of richt haar aandacht veel op [minderjarige 2] en veel minder op [minderjarige 1] .

Al het voorgaande in overweging nemende is de kinderrechter van oordeel dat een terugkeer van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar de moeder nog steeds niet verantwoord is. De kinderrechter zal daarom de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de verzochte duur.

De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 23 april 2026 tot 23 oktober 2026;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 28 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand