RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447244 / JE RK 26-663
Datum uitspraak: 16 april 2026
Beschikking (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Tilburg, gevestigd te Tilburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
ingeschreven in [woonplaats 1] ,
maar verblijvende te [woonplaats 2] ,
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader]
hierna te noemen, de vader,
verblijvende te [woonplaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
het mondelinge spoedverzoek van de GI op 16 april 2026;
de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 17 april 2026.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Bij beschikking van 26 maart 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 9 april 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
Bij beschikking van 3 april 2026 heeft de kinderrechter de voorlopige ondertoezichtstelling verlengd tot 26 juni 2026.
[minderjarige] woont bij haar moeder – formeel – een in moeder- en kindhuis.
3. Het verzoek
De GI verzoekt een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van vier weken en aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten tot 26 juni 2026.
De GI verzoekt ook hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De beoordeling
Op basis van artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op grond van het bepaalde in artikel 800 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking betreffende een voorlopige ondertoezichtstelling aanstonds worden afgegeven, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige.
Uit het (spoed)verzoek blijkt dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een machtiging tot uithuisplaatsing is vervuld (1:265b BW). De kinderrechter is van oordeel dat het dringend en onverwijld noodzakelijk is dat [minderjarige] met spoed uit huis moet worden geplaatst en dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . Daartoe overweegt de kinderrechter het volgende.
Uit de overlegde stukken is het de kinderrechter gebleken dat er bij de zeer jonge [minderjarige] sprake is van ernstige en acute zorgen over haar veiligheid en ontwikkeling. Uit de stukken blijkt dat al vanaf haar geboorte signalen bestaan die wijzen op een onveilige en instabiele opvoedsituatie. Er is sprake van zorgen over de lichamelijke conditie, verzorging en het ontbreken van rust, structuur en voorspelbaarheid in het dagelijks leven van [minderjarige] . Daarnaast is gebleken dat eerdere en intensieve hulpverlening onvoldoende verbetering heeft gebracht. Ten aanzien van de moeder zijn de zorgen concreet en ernstig. Uit de stukken blijkt dat de moeder gedurende langere tijd moeite heeft om stabiel en consistent voor [minderjarige] te zorgen. Zij heeft afspraken met hulpverlening niet nageleefd, was regelmatig moeilijk bereikbaar en heeft zich op momenten onttrokken aan toezicht. Daarnaast heeft de moeder [minderjarige] zonder afstemming meegenomen naar een onbekende locatie waarbij later bleek dat zij naar het buitenland was vertrokken. Dit heeft geleid tot grote zorgen over de veiligheid van [minderjarige] . Verder blijkt dat de moeder in stressvolle situaties impulsief en onvoldoende doordacht handelt. Zo heeft zich op 16 april 2026 een ernstig incident voorgedaan in het moeder-kind huis waarbij de moeder zonder toestemming foto’s heeft gemaakt van een andere uithuisplaatsingssituatie en deze heeft gedeeld met de partner van een andere moeder in het huis. Hierna is een conflict ontstaan dat is geëscaleerd en waarbij de moeder fysiek betrokken is geraakt. Ook zijn er signalen dat de moeder onvoldoende in staat is om risico’s goed in te schatten en dat zij moeite heeft om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen, met name in onvoorspelbare of spanningsvolle situaties. Daarbij komt dat de moeder onvoldoende leerbaar lijkt. Ondanks herhaalde hulpverlening en duidelijke afspraken blijft zij terugvallen in gedrag dat onveiligheid veroorzaakt. Ook rondom de vader bestaan er zorgen. Er zijn signalen van psychische problematiek, middelengebruik en instabiliteit, waardoor hij onvoldoende in staat wordt geacht om de zorg en verantwoordelijkheid voor [minderjarige] op zich te nemen. Daarnaast is er sprake van een belastende en onveilige dynamiek tussen de ouders, wat een negatieve invloed heeft op de opvoedsituatie van [minderjarige] . Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] , haar kwetsbaarheid en de opeenstapeling van risico’s is de kinderrechter van oordeel dat haar veiligheid op dit moment niet kan worden gewaarborgd zonder ingrijpen. Minder vergaande maatregelen zijn onvoldoende gebleken.
De kinderrechter is van oordeel dat in een situatie als deze waarin er zulke ernstige zorgen zijn over [minderjarige] en voldoende aannemelijk is dat [minderjarige] niet op een veilige manier bij de moeder kan wonen, een uithuisplaatsing noodzakelijk is. Dit om verdere schade in haar ontwikkeling te voorkomen en haar veiligheid te kunnen waarborgen. Onder deze omstandigheden acht de kinderrechter een plaatsing zoals in een voorziening voor pleegzorg in het belang van [minderjarige] . Omdat het thans nog niet bekend is waar zij geplaatst kan worden spreekt de kinderrechter een brede machtiging uit. Het daartoe strekkende verzoek zal dan ook voor twee weken worden toegewezen, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
De GI en (de advocaat van) de moeder en de vader als informant worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hieronder genoemde zitting. In afwachting van deze zitting zal een brede machtiging tot uithuisplaatsing van twee weken worden verleend, te weten met ingang van 16 april 2026 en tot 30 april 2026. Een verdere beslissing op het verzoek zal de kinderrechter pas nemen nadat de zitting heeft plaatsgevonden.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een brede spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 16 april 2026 en tot 30 april 2026;
verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt het resterende deel van het verzoek aan tot de zitting van 29 april 2026 te 11.15 uur, ten overstaan van mr. B.J. Duinhof voor de duur van 45 minuten, welke wordt gehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, Kousteensedijk 2;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de GI en (de advocaat van) de moeder en de vader;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026 door mr. van Leuven, kinderrechter, en schriftelijk vastgesteld door mr. Verschoor-Bergsma in aanwezigheid van D.I.E. van Dijke als griffier op 17 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.