RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/441125 / FA RK 25-5434
datum uitspraak: 16 april 2026
beschikking betreffende gezag
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: mr. N.P.C.C. Langenberg te Breda,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen de man,
ingeschreven in de basisregistratie personen op een postadres in [plaats 2] ,
feitelijke woon- of verblijfplaats is onbekend.
Als informant wordt aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1. Het procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 23 oktober 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het F9-formulier met bijlagen van 7 november 2025 van mr. Langenberg.
De zaak is mondeling behandeld op 16 april 2026. Bij die gelegenheid is verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Daarnaast was er een medewerker namens de Raad aanwezig en waren er twee medewerkers namens de GI aanwezig. Verder is bijzondere toegang verleend aan een stagiaire van mr. Langenberg, mevrouw [persoon] .
Alhoewel correct opgeroepen is de man niet verschenen.
De rechtbank heeft op verzoek van de GI en de moeder afgezien van het horen van de kinderen in deze zaak.
2. De feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van
8 september 2022 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 23 december 2022 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
Uit het huwelijk van partijen zijn de navolgende minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2014, hierna te noemen [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2], te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2016, hierna te noemen [minderjarige 2] .
De minderjarigen verblijven bij de vrouw.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
Bij beschikking van 16 juli 2024 van deze rechtbank is bepaald dat de man en de minderjarigen contact met elkaar hebben op verzoek van de minderjarigen, waarbij deze contactmomenten zullen plaatsvinden bij de grootouders vaderszijde of in aanwezigheid van de vrouw. De verdere regie van de invulling en mogelijke uitbreiding van de zorgregeling ligt bij de GI.
Bij beschikking van 25 maart 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengd met ingang van 4 april 2026 tot 4 april 2027.
3. De verzoeken
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat zij voortaan alleen belast zal zijn met het gezag over de minderjarigen.
4. De standpunten
Door en namens de vrouw is, kort samengevat, het volgende naar voren gebracht. De man is verslaafd aan drugs. Hij is niet beschikbaar en bereikbaar voor de vrouw en de minderjarigen. Ook is de man vaak niet bereikbaar voor de GI en komt hij afspraken niet na. De vrouw en de GI weten niet waar de man feitelijk verblijft. Hij is telefonisch, schriftelijk en ook via de e-mail voor de vrouw niet bereikbaar. Hierdoor lukt het haar niet om met de man afspraken te maken over de minderjarigen en samen met hem beslissingen te nemen. De vrouw dient de man continu aan te sporen, waarna het vervolgens alsnog lang duurt voordat de man door tussenkomst van de GI de nodige toestemming geeft. Hoewel de man nooit geweigerd heeft om toestemming te geven voor beslissingen rondom de minderjarigen, lukt het de vrouw momenteel enkel om via de GI de noodzakelijke toestemming te krijgen van de man. De GI regelt dan tijdens de omgang tussen de man en de minderjarigen de toestemming van de man. Op dit moment is er één uur per maand omgang tussen de man en de minderjarigen op het kantoor van de GI. Het is echter telkens de vraag of de man naar de omgang komt. Onlangs heeft de GI nog een handtekening moeten zetten namens de man voor de inschrijving van [minderjarige 1] op een middelbare school. De vrouw doet haar best om alles rondom de minderjarigen goed en tijdig te regelen, echter is het frustrerend dat zij de man telkens nodig heeft om toestemming te vragen, terwijl hij niet bereikbaar is. Daarnaast is de man emotioneel niet voor de minderjarigen beschikbaar. Hij is niet betrokken in het leven van de minderjarigen en weet daardoor niet wat er bij hen speelt. De man heeft de kansen die hij heeft gehad om een belangrijke rol in het leven van de minderjarigen te vertolken de afgelopen jaren niet aangegrepen. Sinds 2021 heeft hij geen vooruitgang of verbetering laten zien. De minderjarigen geven aan graag omgang met de man te hebben, echter ligt zijn prioriteit bij zijn verslaving en niet bij de minderjarigen. De vrouw staat nog steeds achter de omgang tussen de man en de minderjarigen. Zij heeft dit altijd geïnitieerd en gefaciliteerd en zal dat blijven doen, ook als het verzoek zal worden toegewezen. Het uitoefenen van het gezag door de man staat hier dus los van. In de praktijk neemt de vrouw al jarenlang zelf de beslissingen rondom de minderjarigen. De vrouw wil graag dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie.
Door de GI is tijdens de zitting naar voren gebracht dat er momenteel telkens afgewacht moet worden of de man naar de omgang komt, zodat hij dan toestemming kan geven voor beslissingen rondom de minderjarigen. De man is verder namelijk niet bereikbaar en werkt niet mee. Hij haalt zijn post van het postadres onregelmatig op. Mede daardoor is hij schriftelijk niet altijd bereikbaar. De man geeft aan niet in het bezit te zijn van een telefoon. Een e-mailadres van hem is evenmin bekend. Dit alles is de reden dat er sprake is van een ondertoezichtstelling. Ook de minderjarigen ervaren elke keer spanning over de vraag of de man naar de omgang zal komen of niet. De GI heeft geprobeerd aan de slag te gaan met de persoonlijke problematiek van de man, echter pakt de man dit niet op en lijkt het enkel slechter met hem te gaan. De GI ondersteunt daarom het verzoek van de vrouw. Op korte termijn zullen er meerdere gezagsbeslissingen moeten worden genomen over de minderjarigen. De GI acht het van belang dat de vrouw deze beslissingen zelf kan nemen, zodat er niet telkens afgewacht hoeft te worden of de man naar de omgang komt. ook de GI is niet bekend waar de man, bij wie sprake is van een drugsverslaving, feitelijk verblijft.
De Raad adviseert het verzoek van de vrouw toe te wijzen. De man heeft ruim de kans gehad om zich bij het leven van de minderjarigen te laten betrekken. Het lukt de man echter niet om zich in te spannen voor de minderjarigen en daarmee het gezag over de minderjarigen voldoende in te vullen.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag dat na ontbinding van het huwelijk door echtscheiding in stand is gebleven worden beëindigd, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Zoals blijkt uit artikel 1:253n, tweede lid, BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste lid, BW, van overeenkomstige toepassing.
Op grond van artikel 1:251a, eerste lid, van het BW kan de rechter een verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag toewijzen als er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van een kind noodzakelijk is.
Wijziging van omstandigheden
De rechtbank is van oordeel dat er een relevante wijziging van omstandigheden is aangevoerd, die rechtvaardigt dat de rechtbank zal beoordelen of de bestaande gezagssituatie dient te worden gewijzigd. Gebleken is dat de man al meerdere jaren vrijwel onbereikbaar is voor de vrouw, de minderjarigen en de GI en dat het niet bekend is waar de man momenteel woont of verblijft.
Wijziging gezag
De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de wet is dat ouders gezamenlijk zijn belast met het gezag over hun minderjarige kinderen. Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist evenwel dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van de minderjarigen tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor de minderjarigen en hun veiligheid niet in gevaar brengt.
Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is de rechtbank van oordeel dat er geen stabiele basis meer aanwezig is voor de uitoefening van gezamenlijk gezag. Een vereiste voor gezamenlijk gezag is dat de ouders beslissingen van enig belang over de minderjarigen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de minderjarigen kunnen voordoen. Gebleken is dat partijen hiertoe niet in staat zijn. Zo is de man soms voor langere periodes niet bereikbaar. Hij haalt onregelmatig zijn post op en is telefonisch en ook via de e-mail niet bereikbaar voor de vrouw, de minderjarigen en de GI. Uitgaande van deze omstandigheid bestaat er een reëel risico dat beslissingen over de minderjarigen niet of niet in het vereiste tempo kunnen worden genomen. Momenteel lukt het de GI enkel om de man tijdens de omgang, die één keer per maand plaatsvindt, te vragen om de benodigde toestemming te verlenen voor beslissingen over de minderjarigen. Hierbij dient er echter telkens afgewacht te worden of de man naar het kantoor van de GI komt. De vrouw en de GI proberen buiten de omgang om in contact te komen met de man, echter lukt dit onvoldoende.
De rechtbank stelt vast dat de man de afgelopen periode door zijn handelen en/of nalaten heeft laten zien dat hij geen invulling geeft aan het ouderlijk gezag. Om dat op een goede manier te doen is het namelijk nodig dat een ouder belangstelling heeft voor zijn minderjarige kinderen, bekend is met hun ontwikkeling en weet wat er in hen omgaat. Zo af en toe kort contact met hen hebben is niet voldoende. De man weet momenteel niet welke beslissingen in het belang van de minderjarigen zijn of welke beslissingen al dan niet genomen moeten worden. Verder acht de rechtbank het, gelet op al het voorgaande, niet waarschijnlijk dat er binnen afzienbare termijn voldoende verandering zal optreden in de situatie en het gedrag van de man, en daarmee de communicatie tussen partijen, om adequaat uitvoering te kunnen geven aan het gezamenlijk gezag. De man heeft namelijk in de afgelopen jaren al voldoende kansen gehad om een belangrijke rol te spelen in het leven van de minderjarigen, echter heeft hij deze kansen niet aangegrepen. Sinds 2021 heeft hij geen vooruitgang of verbetering laten zien, althans is de rechtbank niet gebleken dat hij iets doet wat duidt op het veranderen in positieve zin van de negatieve spiraal waar hij zich in bevindt. Dat de man uiteindelijk wel toestemming geeft voor gezagsbeslissingen komt door de actieve betrokkenheid van de jeugdbeschermer. De vrees van de vrouw is reëel dat als de jeugdbeschermer na het einde van de ondertoezichtstelling niet meer beschikbaar is de man uit beeld raakt en dat zijzelf hem niet of nauwelijks kan betrekken bij het nemen van gezagsbeslissingen. Dit alles maakt dat de rechtbank verandering van het gezag op een andere manier in het belang van de minderjarigen noodzakelijk vindt. De vrouw dient bij het nemen van belangrijke beslissingen over de minderjarigen namelijk niet afhankelijk te zijn van iemand die niet betrokken is bij het leven van de minderjarigen en dit ook onvoldoende lijkt te willen.
De rechtbank is gelet op al het voorgaande, mede gezien de adviezen van de Raad en de GI, van oordeel dat het conform het bepaalde in artikel 1:251a, eerste lid, sub b BW in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is dat het gezag over hen wordt gewijzigd, in die zin dat de vrouw voortaan het gezag alleen uitoefent. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om haar alleen met het gezag te belasten dan ook toewijzen.
De rechtbank benadrukt dat de beslissing ten aanzien van het gezag los staat van eventueel contact tussen de man en de minderjarigen. De man blijft namelijk de vader van de minderjarigen, ook indien hij niet langer belast is met het gezag over hen. De vrouw heeft tijdens de zitting toegezegd dat zij open blijft staan voor omgang tussen de man en de minderjarigen. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat de vrouw de omgang tussen de man en de minderjarigen zal blijven ondersteunen en stimuleren.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
Aantekening gezagsregister
In verband met het bepaalde in artikel 2, aanhef en sub a, van het Besluit Gezagsregisters zal de rechtbank de griffier gelasten om in het centrale gezagsregister een aantekening te maken van deze beslissing, zodat voor iedereen duidelijk is dat de vrouw voortaan alleen het gezag over de minderjarigen heeft.
Proceskosten
Omdat partijen ex-echtgenoten van elkaar zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij haar eigen kosten moet dragen.
6. De beslissing
De rechtbank:
beëindigt het gezamenlijk ouderlijk gezag ten aanzien van de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2014;
- [minderjarige 2], te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2016;
en bepaalt dat het gezag voortaan aan de vrouw alleen toekomt;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
gelast de griffier van deze rechtbank om deze beslissing over het gezag in te schrijven in het gezagsregister;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. Van Noort, griffier, en op schrift gesteld op 23 april 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op: