RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445876 / JE RK 26-405
Datum uitspraak: 16 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader van [minderjarige 2] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[persoon] ,
oma aan de zijde van de vader van [minderjarige 2] , hierna te noemen [de oma] ,
wonende in [woonplaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 maart 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
de vader van [minderjarige 2] ;
[de oma] ;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen voor deze zitting. Op 8 april 2026 is een oproepbrief per aangetekende post aan de moeder verzonden naar het adres dat volgens de gegevens van de Basisregistratie Personen (BRP) op dat moment actueel was. Van de zijde van de GI is hierover tijdens de zitting aangegeven dat de moeder aan de GI heeft laten weten dat zij niet op deze zitting aanwezig zal zijn.
De kinderrechter heeft de kinderen naar hun mening over het verzoek van de GI gevraagd. Zij hebben hierover ieder afzonderlijk een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat de kinderen hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . De moeder en de vader van [minderjarige 2] zijn volgens het gezagsregister belast met het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .
De kinderen verblijven sinds maart 2024 bij [de oma] .
Bij beschikking van 22 april 2025 heeft de kinderrechter de kinderen onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 22 april 2025 tot 22 april 2026. De kinderrechter heeft bij diezelfde beschikking een machtiging verleend de kinderen uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin met ingang van 22 april 2025 tot 22 april 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een pleeggezin te verlengen voor de duur van één jaar en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI -samengevat- aangevoerd dat het gezien de al langer bestaande problematiek, de zorgen om de beperkte mogelijkheden van de moeder, de houding van de vader ten aanzien van de omgang tussen de kinderen en de moeder en de kwetsbaarheid van de kinderen, noodzakelijk is om beide maatregelen te verlengen. De moeder is nog steeds verslaafd aan pijnstillers en niet in staat praktisch en emotioneel voor de kinderen te zorgen. Het nakomen van de begeleiden bezoeken is op dit moment niet haalbaar voor haar. Er vinden nu geen bezoeken plaats tussen de moeder en de kinderen. Inmiddels heeft pleegzorg het verblijf van de kinderen bij en de verzorging en opvoeding door [de oma] positief bevonden. De vader heeft inmiddels een andere, grotere woning toegewezen gekregen. Hierdoor kan nu naar het perspectief van de kinderen worden gekeken en in welke constructie dat zal zijn. Voor de kinderen is (zal) hulpverlening (worden) ingezet, waaronder speltherapie voor [minderjarige 2] . In de komende periode moet worden gekeken naar het contact tussen de kinderen en de moeder. De GI vindt het van belang dat zij het contact met de moeder behouden. De visie van de GI hierover verschilt met die van de vader. Wanneer de GI niet betrokken is, zal het contact tussen de moeder en de kinderen er waarschijnlijk niet komen. Dit wordt niet door de vader en [de oma] gestimuleerd. De kinderen willen nu geen fysiek contact met de moeder. Die wens respecteert de GI op dit moment. Afhankelijk van de resultaten van de hulpverlening/therapie van de kinderen zal verder worden gekeken naar de mogelijkheden voor contact met de moeder. De kinderen staan wel open voor contact via WhatsApp. Daarbij is van belang dat de moeder de kinderen niet overlaadt met berichten. Ondanks het visieverschil loopt de samenwerking met de vader wel. De GI zou ook graag (meer) in contact komen met [de oma] , ondanks dat zij goed contact heeft met pleegzorg. De moeder heeft aangegeven dat zij al lange tijd op een wachtlijst staat voor een afkicktraject maar zij kan dit niet aantonen, waardoor het vermoeden is dat zij niet op deze wachtlijst staat. Als deze situatie ten aanzien van de moeder zo blijft dan zal het perspectief van de kinderen bij [de oma] zijn, of deels bij [de oma] en deels bij de vader. Met de biologische vader van [minderjarige 1] is geen contact.
Door de vader van [minderjarige 2] is -samengevat- aangegeven dat hij het belangrijk vindt dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd wordt. Dit is met name voor [minderjarige 1] belangrijk omdat de moeder alleen het ouderlijk gezag over haar heeft. Wanneer de ondertoezichtstelling eindigt vreest hij dat de moeder [minderjarige 1] komt halen. De moeder is recent uit haar huis gezet. De vader van [minderjarige 2] weet niet waar zij nu verblijft. Zelf heeft hij inmiddels een grotere woning, waar de kinderen ieder een eigen kamer krijgen. [minderjarige 2] zit nu op een andere school en zij heeft het daar erg naar haar zin. Ook [minderjarige 1] gaat naar een andere school. Beide scholen zitten in de omgeving van zijn woning. De vader van [minderjarige 2] heeft af en toe contact met de biologische vader van [minderjarige 1] . De biologische vader heeft geen contact met [minderjarige 1] . De vader van [minderjarige 2] ziet [minderjarige 1] als zijn eigen dochter. [minderjarige 1] weet dat zij een andere biologische vader heeft. De kinderen hebben de moeder voor het laatst gezien op 30 oktober 2025. De moeder was onder invloed. Daar hebben de kinderen veel last van gehad. De moeder stuurt de kinderen WhatsApp berichten maar deze zijn niet te ontcijferen. De vader van [minderjarige 2] heeft de kinderen lange tijd gepusht om naar de moeder te gaan, maar zij mogen nu zelf kiezen of zij naar haar toe willen gaan. Het liefst wil de vader van [minderjarige 2] dat beide kinderen in de toekomst bij hem komen wonen. Dit is nu nog te vroeg. Hij vindt dat ook gekeken moet worden naar wat de kinderen zelf willen. Voor nu is het belangrijk dat ze bij [de oma] blijven wonen.
[de oma] heeft -samengevat- aangegeven dat het goed gaat met de kinderen bij haar. Zij raken in de puberteit waardoor zij wel wat meer tegenspraak geven. Soms is dat lastig omdat zij naast opvoeder ook oma van de kinderen is, maar dat gaat haar goed af. Beide kinderen hebben meer rust. [minderjarige 2] gaat nu graag naar school. [de oma] vindt contact met de GI niet noodzakelijk. Zij heeft al contact met pleegzorg, die als contactpersoon naar de GI optreedt. [de oma] wil echter best in gesprek met de GI. Zo zit zij met het regelen van een nieuwe ID-kaart voor de kinderen. Zij vindt het wel belangrijk dat de samenwerking met de GI van twee kanten komt.
5. De beoordeling
In artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een GI, als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW in staat zijn te dragen.
In artikel 1:260, eerste lid, BW is bepaald dat de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens kan verlengen met ten hoogste een jaar.
Ingevolge artikel 1:265b BW kan de kinderrechter de GI op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
In artikel 1:265c, tweede lid, BW is bepaald dat de kinderrechter op verzoek van de GI de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige telkens met ten hoogste een jaar kan verlengen.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Beide kinderen ontwikkelen zich positief bij [de oma] . Er zijn echter nog veel zorgen. Zo is er nog geen duidelijkheid over hun perspectief en wat de rol van de vader, [de oma] en de moeder hierin kan zijn. Daarnaast is er al geruime tijd geen fysiek contact tussen de moeder en de kinderen. De kinderen geven aan dit nu niet te willen. De vader staat niet achter contactherstel tussen de moeder en de kinderen. Hij heeft weinig vertrouwen in de GI en de moeder. Verder bestaat er onduidelijkheid over de behandeling van de moeder voor haar verslavingsproblematiek en over haar huidige verblijfplaats. Voor beide kinderen is/wordt hulpverlening ingezet en er is sprake van een schoolwisseling. Er is nog geen zicht op de resultaten daarvan.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Hoewel de vader heeft verklaard dat hij achter verlenging van de ondertoezichtstelling staat, is er tussen hem en de GI een visieverschil ten aanzien van het contact tussen de kinderen en de moeder. De GI heeft daarbij aangegeven te verwachten dat bij het eindigen van de ondertoezichtstelling dit contact ook niet tot stand zal komen. De bemoeienis vanuit de GI is van belang om naar de mogelijkheden voor contact tussen de moeder en de kinderen te blijven kijken, om het perspectief van de kinderen te onderzoeken en om het verblijf van de kinderen bij [de oma] en de inzet van hulpverlening te kunnen blijven garanderen.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar verlengen. Gelet op hetgeen nog ingezet en onderzocht moet worden, is dit naar het oordeel van de kinderrechter een passende periode. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding voor de duur van de ondertoezichtstelling. Beide kinderen vinden het fijn bij [de oma] en ontwikkelen zich goed bij haar. Het is in het belang van beide kinderen dat er duidelijkheid gaat ontstaan over hun perspectief. Dit geeft rust voor de kinderen zodat zij zich kunnen richten op hun verdere ontwikkeling en de hulpverlening. Met de GI is de kinderrechter van oordeel dat het belang van de kinderen eveneens meebrengt dat er aandacht blijft bestaan voor de mogelijkheden tot contact met de moeder. Wanneer er rust ontstaat bij de kinderen kan er worden toegewerkt naar het creëren van omstandigheden die tot contact met de moeder kunnen leiden. Daar moet zorgvuldig mee worden omgegaan. De kinderen geven voor nu aan dat zij geen behoefte hebben aan contact met de moeder. Met de leeftijd die zij hebben, kunnen de kinderen daartoe ook niet zonder meer worden gedwongen. De kinderen hebben in ieder geval eerst tijd nodig om hun behandeling/therapie te doorlopen. Na het afronden hiervan hebben zij, naar de kinderrechter hoopt, meer rust in hun hoofd waardoor er mogelijk ruimte voor contact met de moeder kan ontstaan. De moeder zal in de tussentijd wel dienen te werken aan haar persoonlijke problematiek en verslavingsproblematiek, zodat ook zij mogelijk beter in staat is tot het hebben van contact met de kinderen. Wanneer contact nu bij de kinderen afgedwongen wordt zal dit averechts werken, zeker met de ervaringen die zij bij het laatste contact met de moeder op 30 oktober 2025 hebben gehad. De kinderrechter is van oordeel dat de kinderen contact met beide ouders moeten kunnen hebben, maar dit moet onbelast en in hun tempo plaatsvinden. Het is daarbij ook aan de moeder om te laten zien dat zij betrouwbaar kan zijn. Hierdoor kan het vertrouwen van de vader weer toenemen en is hij op termijn mogelijk in staat om emotionele toestemming voor het contact tussen de moeder en de kinderen te geven.
In de komende periode dient te worden gewerkt aan de doelen zoals genoemd in de beschikking van 22 april 2025, te weten:
- Onbelast en veilig contact met moeder;
- Regelmaat en voorspelbaarheid in de contacten met beide ouders;
- Balans en rust in bezoek aan familiecontacten;
- Een veilige stabiele woonplek waar zij kunnen opgroeien: middels begeleiding en
ondersteuning in het terugkeren naar (éen van de) ouders;
- Begeleiding en ondersteuning gedurende het verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij [de oma] ;
- De mogelijkheid voor de kinderen om hun emoties en gedachtes te bespreken met een neutraal persoon: voortzetting gesprekken kindercoach.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 22 april 2026 tot 22 april 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een netwerkpleeggezin, te weten [de oma] , met ingang van 22 april 2026 tot 22 april 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 30 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.