RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445797 / JE RK 26-397
Datum uitspraak: 16 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
JEUGDBESCHERMING BRABANT, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Etten-Leur,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 maart 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
de advocaat van de vader;
een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI - via een digitale verbinding.
Hoewel behoorlijk opgeroepen, zijn de vader en de moeder niet verschenen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft een e-mailbericht gestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] daarin heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Bij beschikking van 21 april 2023 is het ouderlijk gezag van de moeder beëindigd.
Bij beschikking van 27 april 2012 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 27 april 2026.
Bij beschikking van 27 juni 2022 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten de grootouders, verleend met ingang van 27 juni 2022 en tot 1 november 2022. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 27 april 2025.
Bij beschikking van 7 januari 2025 is toestemming verleend tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] , en aldus een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 20 januari 2025 en tot 27 april 2025. Deze machtiging is bij beschikking van 28 maart 2026 verlengd tot 27 april 2026.
[minderjarige] verblijft op grond van de laatstgenoemde machtiging in een gezinshuis.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI handhaaft het verzoek. De GI licht toe dat het goed gaat met [minderjarige] . Hij zit op zijn plek in het gezinshuis en zijn gedrag is in de afgelopen periode verbeterd. Wel heeft de GI nog een aantal zorgen over [minderjarige] , onder andere omdat [minderjarige] in de overlevingsstand functioneert en niet open staat voor therapie. Ook heeft de GI zorgen over het contact tussen [minderjarige] en de moeder, dat minimaal is. Een andere zorg van de GI is dat de vader geen uitvoering kan geven aan zijn gezag. In het verleden is met de Raad gesproken over de noodzaak voor een gezagsbeëindigende maatregel voor de vader, maar omdat de vader zijn gezag niet misbruikt is de Raad niet overgegaan tot een dergelijk verzoek. Hoewel de vader niet altijd de juiste keuzes kan maken in het belang van [minderjarige] en daarin blijvend ondersteuning van de GI nodig heeft, heeft hij het beste voor met [minderjarige] en werkt hij overal aan mee. De GI ziet daarom geen reden om een verzoek tot onderzoek naar de noodzaak voor een gezagsbeëindigende maatregel in te dienen bij de Raad.
Uit het e-mailbericht van [minderjarige] van 12 april 2026 volgt dat [minderjarige] de verlenging van de maatregelen niet nodig vindt. [minderjarige] vindt dat hij goede hulp heeft gekregen, onder meer bij het contact bij zijn ouders en zus, maar hij kan dit contact inmiddels zelf regelen en verder gaat het ook goed met hem.
De vader stemt in met het verzoek. De vader ziet dat het goed gaat met [minderjarige] in het gezinshuis en is blij met hoe de contacten met [minderjarige] verlopen. Het is moeilijk voor de vader om uitvoering te geven aan zijn gezag, maar hij ervaart een goede samenwerking met de jeugdbeschermer en wil zoveel mogelijk bij [minderjarige] betrokken blijven. De vader hoopt daarom dat niet wordt overgegaan tot een verzoek tot onderzoek naar de noodzaak voor een gezagsbeëindigende maatregel.
De Raad is van mening dat een verlenging van de maatregelen op dit moment het meest passend is voor [minderjarige] en de vader, hoewel de Raad begrijpt dat de ondertoezichtstelling juridisch gezien niet de meest geijkte maatregel meer is, mede omdat een overdracht naar het vrijwillig kader gelet op de mogelijkheden van de vader niet mogelijk lijkt te zijn. Het perspectief van [minderjarige] is echter duidelijk, de vader is goed in samenwerking met de jeugdbeschermer en hij misbruikt zijn gezag niet. Hier zou eventueel opnieuw met de GI over gesproken kunnen worden als de GI een verzoek tot onderzoek naar de noodzaak voor een gezagsbeëindigende maatregel indient. Dit zou een reden kunnen zijn om de maatregelen voor een kortere duur te verlengen, maar tegelijkertijd zal het naar verwachting meer dan een jaar duren voordat een dergelijk onderzoek is afgerond en op zitting wordt gepland.
5. De beoordeling
Het wettelijk kader
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
De inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting volgt dat sprake is van een positieve ontwikkeling. [minderjarige] lijkt zijn plek te hebben gevonden in het gezinshuis en zijn gedrag is in de afgelopen periode aanzienlijk verbeterd. Hierdoor is het vertrouwen van de gezinshuisouders in [minderjarige] gegroeid en omgekeerd heeft [minderjarige] steeds meer vertrouwen gekregen in de gezinshuisouders omdat hij heeft ervaren dat zij er voor hem zijn en betrouwbaar zijn. Daarnaast is gebleken dat [minderjarige] en de vader elkaar regelmatig zien en dat dit contact positief verloopt. Ook het contact tussen [minderjarige] en zijn zus verloopt goed, hoewel zij elkaar minder vaak spreken dan gewenst.
Tegelijkertijd constateert de kinderrechter dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] nog niet zijn weggenomen. Deze zorgen zijn onder meer gelegen in de omstandigheid dat [minderjarige] in het verleden veel heeft meegemaakt en uit een complexe gezinssituatie komt met veel verstoorde en verbroken contacten. In de afgelopen periode is gebleken dat [minderjarige] nog niet klaar is om aan de slag te gaan met het verwerken van zijn verleden, waardoor hij op de overlevingsstand functioneert en geen emoties of gevoelens toelaat. Daarnaast heeft de kinderrechter zorgen over het contact tussen [minderjarige] en de moeder. De moeder maakt namelijk keuzes die niet in het belang van [minderjarige] zijn. Hierdoor is het contact sinds de afgelopen zomervakantie minimaal en dit blijft ingewikkeld voor [minderjarige] . Daar komt bij dat is gebleken dat de vader weliswaar goed in samenwerking is met de GI en het beste wil voor [minderjarige] , maar niet in staat is gezagsbeslissingen te nemen in het belang van [minderjarige] . Dit heeft er in het verleden toe geleid dat hij vaak keuzes heeft gemaakt die niet in het belang van [minderjarige] waren.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de hierboven genoemde wettelijke vereisten voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . De kinderrechter vindt het belangrijk dat de jeugdbeschermer regie blijft voeren in het belang van [minderjarige] en dat [minderjarige] ook in de komende periode in het gezinshuis zal verblijven. Hoewel tijdens de zitting uitvoerig is gesproken over het overgaan tot een verzoek tot onderzoek naar de noodzaak voor een gezagsbeëindigende maatregel van de vader, is ook gebleken dat een dergelijk onderzoek van de Raad juist spanningen zou kunnen opleveren bij alle betrokkenen terwijl er op dit moment sprake is van een goede samenwerkingsrelatie tussen de vader en de GI, het perspectief van [minderjarige] niet ter discussie staat en de vader zijn gezag niet misbruikt. De kinderrechter begrijpt daarom het standpunt van de GI om niet over te gaan tot een dergelijk verzoek en zal de voorliggende verzoeken voor de volledige verzochte duur toewijzen. Hierin heeft ook de leeftijd van [minderjarige] een rol gespeeld. Dit betekent dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing worden verlengd voor de duur van een jaar.
De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie blijft voeren en de belangen van [minderjarige] blijft bewaken. Daarbij vindt de kinderrechter het van groot belang dat in de komende periode het onderzoek naar de vermogens van [minderjarige] wordt ingezet en dat daarbij ook wordt onderzocht welke hulp voor [minderjarige] passend zou zijn om het verleden te gaan verwerken.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 27 april 2026 en tot 27 april 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 27 april 2026 en tot 27 april 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 30 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.