RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/445135 / KG ZA 26-81
Vonnis in kort geding van 16 april 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [plaats 1] ,
eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. N.M. Lindhout-Schot te Tilburg,
tegen
[de man] ,
wonende te [plaats 1] ,
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. E.M.M. Molkenboer te Tilburg.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 8;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 13.
De zaak is besproken op de zitting van 2 april 2026. Bij die gelegenheid zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten, verschenen. Ook was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda (de Raad).
2. De feiten
Tussen partijen staat het volgende vast:
zij hebben een affectieve relatie met elkaar gehad;
uit deze relatie zijn de volgende nog minderjarige kinderen geboren:1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019;
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019;
De man heeft de kinderen erkend en partijen zijn gezamenlijk met het gezag over hen belast op grond van een aantekening in het gezagsregister.
3. Het geschil
De vrouw vordert na wijziging ter zitting – samengevat:
I. de zorgregeling zoals die werd uitgevoerd op te schorten;
II. een voorlopige zorgregeling vast te stellen, inhoudende:
- wekelijks op vrijdag om 19:00 uur een belmoment, waarbij de vrouw de kinderen met de man laat bellen;
- contact gedurende één keer per veertien dagen op zondag van 14:00 tot 16:00 uur in Monkey Town [plaats 2] ;
III. op straffe van een dwangsom van € 500,= voor ieder(e) dag(deel) dat de man nalatig blijft aan het vonnis te voldoen;
IV. de man te veroordelen in de kosten van het geding.
De vrouw vorderde aanvankelijk ook aan de man een locatieverbod op te leggen voor de basisschool, de buitenschoolse opvang (hierna: BSO), de woning van de vrouw, de woning van de ouders van de vrouw en de zwemschool, op straffe van een dwangsom. In navolging op de toezegging van de man ter zitting dat hij zich op deze plaatsen niet zal bevinden, heeft de vrouw deze vordering ingetrokken.
De man vordert in reconventie – samengevat – de vrouw te veroordelen om binnen twee dagen na het vonnis de tussen partijen geldende zorgregeling na te komen (eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend voor school en iedere woensdag uit de BSO tot 19:00 uur), op straffe van een dwangsom van € 500,= per dag.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling in conventie en in reconventie
Wijziging/nakoming van de zorgregeling (vorderingen I en II van de vrouw en de reconventionele vordering van de man)
De voorzieningenrechter buigt zich allereerst over de vraag of de noodzaak bestaat om bij wijze van spoedvoorziening een regeling te treffen en aldus over de vraag of sprake is van een spoedeisend belang. Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van partijen bij hun vorderingen vast. Dit, overigens door partijen onbestreden, spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de wederzijdse vorderingen, die betrekking hebben op nakoming, dan wel wijziging van een zorgregeling. Daar komt bij dat de man de kinderen sinds 7 januari 2026 slechts twee keer kort heeft gezien.
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen van de vrouw onder I en II en de vordering van de man in reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Ter onderbouwing van haar vorderingen stelt de vrouw het volgende. Partijen zijn een ouderschapsplan overeengekomen op basis waarvan de man één keer per veertien dagen van vrijdagmiddag tot zondagavond 18:00 uur en een gedeelte van de vakanties en feestdagen contact heeft met de kinderen. Deze regeling is in overleg gewijzigd, in die zin dat de kinderen één keer per veertien dagen van vrijdagmiddag tot maandagochtend naar school bij de man verblijven en om de week op woensdag vanuit de BSO tot na het avondeten. Dit verloopt echter niet zonder problemen en er is een patroon zichtbaar: het gaat een aantal weken goed, maar dan volgt er een escalatie vanuit de man. Dat patroon herhaalt zich al geruime tijd. Op 7 januari 2026 heeft er een escalatie plaatsgevonden met fysiek geweld van de man naar de vrouw, in het bijzijn van de kinderen. De kinderen hebben zichtbaar last van de situatie en vertelden de vrouw over andere keren dat de man zo boos was. De vrouw heeft aangifte van mishandeling gedaan. De aangifte is doorgezet naar Veilig Thuis, die de regie heeft overgedragen aan de [afdeling gemeente] . De vrouw heeft de man ook laten weten dat het volgende contactmoment niet door zou gaan. De man stelt zich dwingend op en eist nakoming van de zorgregeling. In andere berichten geeft de man aan dat de kinderen beter af zijn bij de vrouw, dat hij is aangemeld bij Novadic Kentron en dat hij eerst aan zichzelf moet werken. De vrouw heeft een voorstel gedaan tot contactherstel, welk contact vervolgens in overleg met de hulpverlening kan worden opgebouwd. De man heeft dit afgewezen en wil direct hervatting van de zorgregeling. De man laat niet zien dat hij begrijpt welke impact de mishandeling op de kinderen heeft (gehad). Zowel de kinderen als de vrouw zijn getraumatiseerd en hebben hulp nodig. Contact tussen de man en de kinderen levert dan ook een ernstig nadeel op voor de geestelijke/lichamelijke ontwikkeling van de kinderen.
Ter onderbouwing van zijn reconventionele vordering om de zorgregeling te hervatten en als verweer op de vorderingen van de vrouw, stelt de man het volgende. De man erkent dat er op 7 januari 2026 een incident tussen partijen heeft plaatsgevonden, maar volgens hem was het gedrag van de vrouw de aanleiding van het incident. Ook was volgens hem maar één kind getuige hiervan. De man heeft meermaals spijt betuigd. Veilig Thuis heeft het dossier op 15 januari 2026 al weer gesloten, omdat de situatie niet zodanig ernstig werd bevonden dat verdere interventie noodzakelijk was. De vrouw gebruikt een incident in de ouderrelatie als rechtvaardiging om het contact tussen de man en de kinderen te blokkeren. Er is echter geen sprake van dat de kinderen gevaar lopen bij het contact met de man en er is ook geen enkele aanwijzing in die richting. Het is juist in het belang van de man en de kinderen dat zij contact met elkaar hebben. Langdurig contactverlies werkt schadelijk en vergroot de drempel voor hervatting van het contact. Na het viergesprek in mei 2025 is de zorgregeling naar tevredenheid uitgevoerd. Het huidige voorstel van de vrouw tot contact is dan ook niet redelijk en staat in geen verhouding tot de eerdere zorgregeling.
Ten aanzien van zijn gezondheid merkt de man nog op dat het goed met hem gaat. Hij is ziek gemeld op zijn werk, maar dat betekent niet dat hij niet voor de kinderen kan zorgen. Er is geen sprake van middelengebruik, maar hij heeft veel stress gehad door de verhoudingen met de vrouw. De man wenst graag samen tot een oplossing te komen.
De Raad heeft partijen geadviseerd om te praten over op welke manier zij met elkaar gaan communiceren over de kinderen. Het is van belang dat zij elkaar beter begrijpen. Beide ouders hebben de wens om iets aan de situatie te veranderen, maar het lukt hen niet om dat te realiseren. Ook wensen beide ouders een fijne zorgregeling tussen de man en de kinderen. Het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA) is daarvoor een passend traject.
Ten aanzien van het incident op 7 januari 2026 merkt de Raad nog op dat ongeacht of beide kinderen hiervan getuige waren, beide kinderen hier last van kunnen ondervinden. Het is echter wel in het belang van de kinderen dat de contactbreuk met hun vader wordt hersteld.
Partijen zijn tijdens een schorsing van de zitting overeengekomen dat de man en de kinderen op zondag 5 april 2026 contact met elkaar hebben bij Balorig in [plaats 1] , van 14:00 uur tot 16:00 uur. Daarnaast is uitgebreid gesproken over een verdere voorlopige zorgregeling. Het is partijen helaas niet gelukt om daarover overeenstemming te bereiken, zodat de voorzieningenrechter daarover een beslissing zal nemen.
De man wenst dat de oorspronkelijke zorgregeling na het contactmoment op 5 april 2026 weer volledig wordt hervat. De vrouw is daarentegen van mening dat de zorgregeling heel rustig moet worden opgebouwd en dat deze niet helemaal onbegeleid plaatsvindt. De voorzieningenrechter overweegt in dat verband als volgt. Sinds het incident op 7 januari 2026, aldus al drie maanden, is er nauwelijks contact geweest tussen de man en de kinderen. De man heeft de kinderen in die periode slechts twee keer kort gezien in het bijzijn van de vrouw. Partijen erkennen dat er op 7 januari 2026 een incident heeft plaatsgevonden, waar in ieder geval één van de kinderen getuige van is geweest. De vrouw is als gevolg van het incident op 7 januari 2026 angstig en het incident zal ook zijn weerslag hebben gehad op de kinderen. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat een opbouw in het contact in het belang van de kinderen noodzakelijk is. De voorzieningenrechter ziet echter, anders de vrouw, geen contra indicaties voor onbegeleid contact. De door de vrouw gestelde vrees voor de veiligheid van de kinderen onderbouwt zij door te wijzen op het dwingende karakter van de man in combinatie met ouder wordende kinderen die hun mening meer zullen gaan laten horen. Dit betreft echter, zo volgt uit de stellingen van de vrouw, een vrees die ziet op de situatie waarin de kinderen ouder zijn, een situatie die thans niet aan de orde is, zodat dit voor de voorzieningenrechter op dit moment geen rol speelt. Daar komt bij dat Veilig Thuis het traject heeft afgesloten zonder het stellen van veiligheidsvoorwaarden. Het voorgaande leidt ertoe dat de voorzieningenrechter de volgende opbouw naar een voorlopige zorgregeling zal bepalen, waarbij de man en de kinderen contact met elkaar hebben als volgt:
op 5 april 2026 bij Balorig te [plaats 1] van 14:00 uur tot 16:00 uur;
op vrijdag 17 april 2026 een belmoment om 19:00 uur, waarbij de vrouw de kinderen met de man laat bellen;
op zondag 19 april van 13:00 uur tot 17:00 uur (door de man in te vullen);
op vrijdag 24 april 2026 een belmoment om 19:00 uur, waarbij de vrouw de kinderen met de man laat bellen;
en vanaf de week van 27 april:
iedere woensdag uit de BSO tot 19:00 uur (door de man in te vullen); en
om de week op zondag van 9:00 uur tot 18:00 uur (door de man in te vullen); en
iedere vrijdag een belmoment om 19:00 uur, waarbij de vrouw de kinderen met de man laat bellen,
Ten aanzien van de overdracht van de kinderen op woensdag en zondag geldt dat deze zal plaatsvinden tussen de vrouw en één van de zussen van de man, waarbij de man niet aanwezig is, tenzij partijen in onderling overleg anders overeenkomen. De man heeft ter zitting aangegeven dat zijn zussen hiertoe bereid zijn.
Deze zorgregeling geldt totdat partijen (al dan niet onder begeleiding van de hulpverlening) andersluidende afspraken hebben gemaakt of totdat in een bodemprocedure definitief is beslist. De voorzieningenrechter zal aldus beslissen, onder afwijzing van de overige vorderingen.
De voorzieningenrechter hecht eraan nog op te merken dat het in het belang van de kinderen is dat de vrouw, ondanks het feit dat de opbouw wellicht sneller gaat dan zij voor ogen heeft, emotionele toestemming aan de kinderen geeft om dit contact met de man te hebben.
Doorverwijzing UHA
De voorzieningenrechter vindt het, net als de Raad, nodig dat voor deze ouders en hun minderjarige kinderen een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Het lukt ouders namelijk samen niet de problemen tussen hen op te lossen. De voorzieningenrechter stelt vast dat de onderlinge communicatie tussen partijen soms moeizaam verloopt en uitmondt in een escalatie en dat partijen niet in staat zijn om een duurzame samenwerkingsrelatie met elkaar aan te gaan op ouderniveau. Ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de voorzieningenrechter hen en hun minderjarige kinderen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. De verwijzing heeft op 3 april 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Dit vonnis geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd. De voorzieningenrechter merkt hierbij nog op dat partijen al bekend zijn bij de [afdeling gemeente] .
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de voorzieningenrechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind (keuze: lichte interventie);- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar.
De resultaten zijn ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is aan dit vonnis gehecht (bijlage 1).
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De vrouw heeft aangekondigd een bodemprocedure te zullen starten. Voor het doorlopen van een hulpverleningstraject wordt standaard een termijn van zes maanden aangehouden.Gelet hierop verzoekt de voorzieningenrechter het loket om de volledige UHA rapportage op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, in de nog aanhangig te maken bodemprocedure in te brengen. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling in de bodemprocedure nog nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot de kinderen.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de voorzieningenrechter het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de voorzieningenrechter de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover in de nog aanhangig te maken bodemprocedure een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- welke zorgregeling komt het meest tegemoet aan de belangen van de kinderen?
- hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, is niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en is wel van belang om te vermelden?
Dit vonnis is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid om binnen een termijn van veertien dagen op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
De voorzieningenrechter verzoekt de vrouw bij het aanhangig maken van de bodemzaak op het verplicht bij te voegen F1-formulier melding te maken van de verwijzing van ouders naar een (jeugd)hulpverleningstraject in het kader van UHA door middel van vermelding UHA in KG met zaaknummer C/02/445135 / KG ZA 26-81.
De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing. Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
Dwangsom
Partijen vorderen over en weer een dwangsom van € 500,= per dag c.q. dagdeel dat de ander nalatig blijft om aan het vonnis te voldoen.
De voorzieningenrechter wijst de over en weer gevorderde dwangsom af. Partijen hebben afgesproken om door middel van een hulpverleningstraject via het Uniform Hulpaanbod te gaan werken aan hun onderlinge communicatie. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een dwangsom te verbinden aan de voorlopige zorgregeling. Een dwangsom zet de verhoudingen immers weer op scherp, terwijl partijen moeten leren om in het belang van de kinderen met elkaar te communiceren.
Proceskosten
Tot slot vordert de vrouw de man te veroordelen in de kosten van het geding, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en (voor het geval het te laat wordt voldaan) te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
Volgens de man moeten de proceskosten gecompenseerd worden, omdat het een geschil betreft tussen voormalige partners.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter zal aldus beslissen.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie en reconventie
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , beiden geboren te [plaats 1] op [geboortedag] 2019, voorlopig gerechtigd zijn tot contact met elkaar:
op 5 april 2026 bij Balorig te [plaats 1] van 14:00 uur tot 16:00 uur;
op vrijdag 17 april 2026 een belmoment om 19:00 uur, waarbij de vrouw de kinderen met de man laat bellen;
op zondag 19 april van 13:00 uur tot 17:00 uur (door de man in te vullen);
op vrijdag 24 april 2026 een belmoment om 19:00 uur, waarbij de vrouw de kinderen met de man laat bellen;
en vanaf de week van 27 april 2026:
iedere woensdag uit de BSO tot 19:00 uur (door de man in te vullen); en
om de week op zondag van 9:00 uur tot 18:00 uur (door de man in te vullen); en
iedere vrijdag een belmoment om 19:00 uur, waarbij de vrouw de kinderen met de man laat bellen,
waarbij de overdracht van de kinderen plaatsvindt tussen de vrouw en één van de zussen van de man, een en ander met inachtneming van dat wat is overwogen in rechtsoverweging 4.7;
verwijst ouders en hun minderjarige kinderen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. Het loket zal ouders en kinderen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder;
verzoekt het loket om uiterlijk op 13 oktober 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, in de nog aanhangig te maken bodemprocedure de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen;
verzoekt de vrouw bij het aanhangig maken van de bodemzaak op het verplicht bij te voegen F1-formulier melding te maken van de verwijzing van partijen naar een (jeugd)hulpverleningstraject in het kader van UHA door middel van vermelding “UHA in KG met zaaknummer C/02/445135 / KG ZA 26-81”;
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na ontvangst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, ten behoeve van de nog aanhangig te maken bodemprocedure onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.15 opgenomen vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan de advocaten van partijen.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Baggel en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.