RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
vonnis
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/444668 / KG ZA 26-56
Vonnis in kort geding van 16 april 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
eiseres,
advocaat: mr. N.P.M. Planthof te Goes,
tegen
[de man]
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat: mr. Z.A. Hoetjes te Breda.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de brief d.d. 26 maart 2026 van mr. Planthof met het e-mailbericht d.d. 23 maart 2026 van mr. Koningsveld;
- het bericht van mr. Hoetjes met bijlagen, ingekomen op 30 maart 2026;
- de mondelinge behandeling op 31 maart 2026.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. De relatie is op 23 juli 2024 beëindigd.
Partijen hebben samengewoond in het appartement staande en gelegen te [adres 1] ).
De vrouw was door vererving samen met haar broer eigenaar van [adres 1] en [adres 2] geworden. De man heeft de broer van de vrouw uitgekocht en is op 19 oktober 2012 mede-eigenaar geworden van beide appartementen.
Voor het uitkopen van de broer van de vrouw hebben partijen op 19 oktober 2012 een hypothecaire geldlening afgesloten bij ING Bank N.V. van € 85.000,--.
De restanthoofdsom van voornoemde geldlening bedroeg op 16 oktober 2020
€ 77.179,26. De hypotheek is afgelost middels het afsluiten van een nieuwe hypothecaire geldlening op 14 oktober 2020 bij de Rabobank voor een bedrag van € 77.641,--.
Partijen hebben bij het einde van hun relatie afspraken gemaakt over de vermogensrechtelijke gevolgen van de beëindiging van hun relatie, welke afspraken zijn opgenomen in meerdere beëindigingsovereenkomsten; één van 26 januari 2025 (productie 6 bij de dagvaarding) en één van 7 respectievelijk 12 mei 2025 (productie 7 bij de dagvaarding). In beide overeenkomsten is (onder meer) opgenomen:
- In de verdeling is een drietal woningen betrokken. [adres 3] en [adres 1] en [adres 2] . In onderling overleg is besloten, dat de man de achterblijvende partij is die de beide woningen aan de [straat] wil overnemen van de vrouw. Het is daarbij de wens om deze twee woningen uit te kopen van de vrouw, afhankelijk van de toestemming geldverstrekker; (…);
- De woningen aan de [straat] staan al voor de helft op naam van de man, onder de verplichting om de op deze woning rustende hypothecaire lening ad € 70.000 voor zijn rekening te blijven houden. Deze voldoen als zijn eigen schuld, zoals is bepaald bij uitkoop van de andere erfgenaam in oktober 2012;
- Partijen spreken af dat er wel sprake zal zijn van overwaarde en een ongelijke inbreng, zodat er een verrekening zal plaatsvinden; de vrouw heeft de woningen aan de [straat] voor de helft geërfd. Daarom spreken we af dat er een uitkoop door de man aan de vrouw zal plaatsvinden van 75.000 euro (…).
Voorts is in de beëindigingsovereenkomst van 26 januari 2025 bepaald:
- Indien uitkoop van de hypothecaire leningen en woningen de [adres 1] en [adres 2] door de man, na tekenen van deze actie niet mogelijk is gebleken, zullen de woningen direct in verkoop worden gezet. Dit geldt vanaf 1 april 2025. De verkoopprijs zal op dat moment worden vastgesteld door een onafhankelijke makelaar/taxateur. De kosten met betrekking tot de verkoop zijn voor gezamenlijke rekening. De overwaarde zal na verkoop gelijk verdeeld worden over beide partijen na aftrek van hypothecaire geldlening [adres 3] en de uitkoop van 75.000 euro aan de vrouw door de man; Deze uitkoop van 75.000 door de man te betalen aan de vrouw zal plaatsvinden buitenom de verdeling van de taxatiewaarde van de woningen aan de [straat] . Deze taxatiewaarde zal worden verdeeld per helft over partijen.
In de beëindigingsovereenkomst van 7 respectievelijk 12 mei 2025 is bepaald:
- Indien uitkoop van de hypothecaire leningen en woningen de [adres 1] en [adres 2] door de man na tekenen van deze actie niet mogelijk is gebleken, zullen de woningen direct in de verkoop worden gezet. Dit geldt vanaf 1 september 2025. De verkoopprijs zal op dat moment worden vastgesteld door een onafhankelijke makelaar/taxateur. De kosten met betrekking tot de verkoop zijn voor gezamenlijke rekening. De overwaarde zal na verkoop gelijk verdeeld worden over beide partijen na aftrek van hypothecaire geldlening [adres 3] en de uitkoop van 75.000 euro aan de vrouw door de man.
- Partijen zijn het volgende overeengekomen:
- Taxatiewaarde [adres 1] en [adres 2] : € 318.000
- € 318.000 - € 75.000 (erfdeel vrouw) = € 243.000
- € 243.000 - € 70.000 (hypotheekschuld man) = € 173.000
- € 173.000 : 2 = € 86.500
- € 86.500 + € 75.000 = € 161.500 totaal t.g.v. de vrouw
- € 86.500 totaal t.g.v. de man.
3. De vorderingen
De vrouw vordert de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en tegen behoorlijk bewijs van kwijting:
I. de man te veroordelen om, binnen één week na betekening van het in dezen te wijzen vonnis zijn onvoorwaardelijke en onherroepelijke medewerking te verlenen aan het geven van een verkoopopdracht aan [makelaar] dan wel een makelaar in de regio, betreffende de appartementen staande en gelegen te [adres 1] en [adres 2] , voor een door de makelaar te adviseren vraagprijs met bodemprijs;
II. te bepalen dat, indien de man niet binnen één week na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, zijn onvoorwaardelijke en onherroepelijke medewerking verleent aan te geven van een verkoopopdracht aan [makelaar] dan wel een makelaar in de regio zoals gevorderd onder I, het in deze te wijzen vonnis in de plaats treedt van de benodigde instemmende wilsverklaring dan wel toestemming van de man voor het geven van verkoopopdracht aan de makelaar;
III. de man te veroordelen om, binnen vierentwintig uur na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, zijn onvoorwaardelijke en onherroepelijke medewerking te verlenen aan alle handelingen die de makelaar noodzakelijk acht om het verkooptraject op te starten, waaronder doch niet uitsluitend het maken van foto’s, het opruimen en schoonmaken en het faciliteren en toestaan van bezichtigingen en (meewerken) aan de uitvoering van de aanwijzingen van de makelaar, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan waarop de man in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 25.000,00;
IV. de man te veroordelen in de kosten van de procedure en de nakosten.
De vrouw legt aan haar vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag.
Partijen hebben afspraken gemaakt in een tweetal beëindigingsovereenkomsten; de man komt deze afspraken niet na. De man is al extra tijd gegund om de woningen over te nemen en tot op heden is niet gebleken dat de man in staat is het aandeel van de vrouw in de [adres 1] en [adres 2] over te nemen waarbij de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. De woningen dienen dan, volgens de afspraken, in de verkoop te worden gezet. De man is niet bereid zijn medewerking daaraan te verlenen. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vorderingen. De vrouw probeert sinds september 2025 met de man afspraken te maken over de uitvoering van de afspraken. De vrouw wenst verder te gaan met haar leven en zelf een nieuwe woning te kopen, hetgeen niet mogelijk is zolang zij nog mede-eigenaar is van de [adres 1] en [adres 2] en hoofdelijk aansprakelijk voor de hypothecaire geldlening. Zij wordt nu gedwongen om een woning te huren. Niemand kan worden genoodzaakt om in een onverdeelde gemeenschap te blijven. Van haar kan niet langer worden verwacht dat zij in deze situatie blijft zitten. Zij heeft sinds begin februari jl. geen toegang meer tot de woning aan de [straat] . De man heeft in deze procedure een e-mailbericht van [persoon] overgelegd maar verder blijkt niet dat de man nog andere stappen heeft gezet.
De man voert verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling
Op grond van artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. De spoedeisendheid vloeit naar het oordeel van de voorzieningenrechter voort uit de aard van de vorderingen van de vrouw, die neerkomen op nakoming door de man van de door de vrouw gestelde afspraken in de tussen partijen op 26 januari 2025 en 12 mei 2025 gesloten beëindigingsovereenkomsten in het kader van de vermogensrechtelijke afwikkeling van de op 23 juli 2024 beëindigde relatie van partijen. De vrouw wenst hiermee uit de onverdeeldheid te geraken door een spoedige verkoop van de gezamenlijke onroerende zaken te bewerkstelligen om zodoende aan de benodigde middelen te komen om “verder te gaan” met haar leven en zelf een nieuwe woning te kunnen kopen. De man heeft de vereiste spoedeisendheid ook niet bestreden.
De voorzieningenrechter overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de man tot 1 september 2025 de mogelijkheid had om, zoals in de laatste beëindigingsovereenkomst is bepaald, “de uitkoop van de hypothecaire leningen en woningen aan de [adres 1] en [adres 2] ” te realiseren. Vaststaat, zo is door de man erkend, dat hij tot op heden niet heeft aangetoond dat hij deze “uitkoop”, waarbij de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening wordt ontslagen en de man aan de vrouw een vergoeding betaalt voor -onder meer- de overwaarde, ook daadwerkelijk kan realiseren. De man heeft hiertoe aangevoerd dat tussen hem en de vrouw een geschil is ontstaan omtrent de hoogte van het bedrag dat de man in dit kader aan de vrouw dient te betalen. Volgens hem volgt uit de beëindigingsovereenkomst dat hij een bedrag van € 161.500,= aan de vrouw dient te betalen, terwijl de vrouw zich op het standpunt stelt dat hij ingevolge deze overeenkomst een bedrag van € 196.500,= aan haar moet betalen. Door dit verschil van inzicht, zo stelt de man, heeft hij nog geen financieringsaanvraag kunnen indienen bij een hypotheek-verstrekker. De man heeft ter zitting de voorzieningenrechter gevraagd hier “een klap op te geven” en hem vervolgens nog een termijn van acht weken te gunnen om de financiering/uitkoop te regelen.
De voorzieningenrechter ziet onvoldoende aanleiding om tegemoet te komen aan ‘de verzoeken’ van de man. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat zelfs indien zou moeten worden geoordeeld dat de man het door hem gestelde bedrag van € 161.500,= aan de vrouw zou moeten betalen, hij op geen enkele wijze heeft aangetoond dat hij dit bedrag ook daadwerkelijk aan haar kan betalen, zulks onder ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen. Dit geldt te meer indien moet worden aangenomen dat de man een bedrag van € 196.500,= aan de vrouw moet betalen. De man heeft in dit verband enkel een e-mailwisseling met [persoon] overgelegd, maar hieruit volgt geenszins dat de man bedoelde bedragen gefinancierd kan krijgen.
Anders dan de man heeft aangevoerd, acht de voorzieningenrechter zonder nadere toelichting en onderbouwing door de man, die ontbreekt, onvoldoende aannemelijk dat het voor de man niet mogelijk was om reeds vòòr de in de beëindigingsovereenkomst genoemde datum een financieringsaanvraag in te dienen rekening houdend met een ‘uitkoopbedrag’ van € 161.500,= en, indien gewenst, van € 196.500,=. Niet valt in te zien hoe de discussie omtrent de hoogte van het ‘uitkoopbedrag’ hieraan op zichzelf in de weg zou staan. Dat de man hiervoor de medewerking van de vrouw nodig had, althans dat de vrouw hierin is tekortgeschoten in een op haar rustende verbintenis is door de man evenmin gesteld of gebleken. In dit verband overweegt de voorzieningenrechter dat de man ook zelf nakoming van de beëindigingsovereenkomsten had kunnen vorderen, stellende dat partijen een ‘uitkoopbedrag’ van € 161.500,= zijn overeengekomen en dat hij dit bedrag ook
-aantoonbaar- kan financieren. De man heeft dit evenwel nagelaten. Ook overigens is niet gebleken dat de man op enigerlei wijze uitvoering heeft gegeven aan de uit hoofde van de beëindigingsovereenkomsten op hem rustende verbintenissen.
Waar de man derhalve niet heeft aangetoond dat hij in staat is te voldoen aan zijn verbintenissen uit de beëindigingsovereenkomsten dienen de woningen conform het bepaalde in deze overeenkomsten te worden verkocht. De daartoe strekkende vorderingen van de vrouw onder I., II. en III., die verder niet zijn bestreden door de man, liggen dan ook voor toewijzing gereed en zullen op de wijze zoals hierna vermeld, worden toegewezen.
De onder III. gevorderde dwangsom zal eveneens, als stimulans tot nakoming van die veroordeling worden toegewezen op onderstaande wijze waarbij de op te leggen dwangsommen worden gematigd en gemaximeerd op de wijze zoals hierna in het dictum wordt vermeld.
De vrouw vordert veroordeling van de man in de proceskosten. Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De gevorderde uitvoerbaar bij voorraad zal als onbestreden worden toegewezen.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
veroordeelt de man tot het binnen één week na betekening van dit vonnis verlenen van zijn onvoorwaardelijke en onherroepelijke medewerking aan het geven van een verkoopopdracht aan [makelaar] dan wel een makelaar in de regio betreffende de appartementen staande en gelegen te [adres 1] en [adres 2] , voor een door de makelaar te adviseren vraagprijs met bodemprijs;
bepaalt dat op het moment waarop de man niet voldoet aan de veroordeling onder 5.1. binnen de gestelde termijn, dit vonnis in de plaats treedt van de benodigde instemmende wilsverklaring dan wel de toestemming van de man voor het geven van de verkoopopdracht aan de makelaar ex artikel 3:300 van het Burgerlijk Wetboek;
veroordeelt de man om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis zijn onvoorwaardelijke en onherroepelijke medewerking te verlenen aan alle handelingen die de makelaar noodzakelijk acht om het verkooptraject te starten waaronder, maar niet uitsluitend:
- het maken van foto’s;
- het opruimen en schoonmaken;
- het faciliteren en toestaan van bezichtigingen;
- het (meewerken) aan de uitvoering van de aanwijzingen van de makelaar;
zulks op verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan waarop de man in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 5.000,00;
compenseert de proceskosten;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Hopmans, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. Krijger-de Keuning, griffier.