RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/445414 / JE RK 26-327
Datum uitspraak: 17 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 februari 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
De zaak is gelijktijdig behandeld met zaaknummer C/02/445563 / JE RK 26-347. Op het verzoek met dit zaaknummer is per separate beschikking beslist.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij haar vader.
Bij beschikking van 10 januari is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 januari 2025 en tot 10 oktober 2025. Deze ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 2 april 2026 met ingang van 10 april 2026 en tot 10 april 2027.
De GI heeft op 29 januari 2026 een schriftelijke aanwijzing aan de vader gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen:
- U ondertekent het zorgarrangement zodat de hulpverlening bij de Gezinsmanager kan starten.
- U werkt mee aan de hulpverlening bij de Gezinsmanager: u komt naar de afspraken met
hulpverlening van de Gezinsmanager. Tevens laat u ambulante hulpverlening binnen bij u
thuis zodat er zicht komt op de opvoedomgeving van [minderjarige] .
- Indien u niet op een afspraak kunt verschijnen laat u dit minimaal 48 uur van tevoren weten en doet u op dat moment een voorstel voor een nieuwe datum.
3. Het verzoek
De GI verzoekt bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing. Ook wordt verzocht een dwangsom op te leggen van € 50,00 voor iedere dag indien de schriftelijke aanwijzing niet wordt nagekomen.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI stelt dat het van belang is dat het zorgarrangement ondertekend wordt, zodat de hulpverlening opgestart kan worden. De GI is bereid om met de vader mee te denken, maar de vader is al een behoorlijke tijd uit contact met de GI. [minderjarige] wordt structureel belast met de strijd tussen de ouders. Het is daarom noodzakelijk dat er hulpverlening ingezet wordt. De GI wil voor [minderjarige] paardencoaching inzetten. Ook voor de hardnekkige dynamiek tussen de ouders wil de GI hulpverlening inzetten.
De moeder staat achter het verzoek van de GI.
De vader geeft aan dat hij erdoor heen zit. Het is voor hem niet mogelijk om een intensief hulpverleningstraject in te gaan zonder dat dit ten koste gaat van de stabiliteit van [minderjarige] . Hij is van mening dat het traject buitenproportioneel is en onvoldoende passend gelet op hoe het met [minderjarige] gaat. Hij staat wel open voor een contactpersoon die mee gaat kijken naar de communicatie tussen de ouders.
De vader staat niet afwijzend tegenover de paardencoaching voor [minderjarige] , alleen heeft hij geen mogelijkheden om [minderjarige] naar de paardencoaching te brengen. Hij heeft daarom voorgesteld dat deze op de woensdag plaatsvindt, zodat de moeder [minderjarige] kan brengen, maar dat wilde de moeder volgens hem niet.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Ingevolge artikel 1:263, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De GI kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder(s) of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel volgen de met het gezag belaste ouder(s) of de minderjarige een schriftelijke aanwijzing op. Ingevolge het derde lid van voornoemd artikel kan de GI de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen.
De kinderrechter overweegt dat een schriftelijke aanwijzing dient te worden beschouwd als een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Algemene Wet bestuursrecht (hierna: Awb). In het kader hiervan dient de kinderrechter, aan de hand van het bepaalde in hoofdstuk 3 en 4 Awb, te beoordelen of bij de besluitvorming door de GI de algemene voorschriften over zorgvuldigheid, evenredigheid en een deugdelijke motivering in acht zijn genomen. Tevens dient de schriftelijke aanwijzing het doel van de ondertoezichtstelling te dienen en in het belang van de minderjarige te worden geacht.
Inhoudelijke beoordeling
Op basis van de stukken en hetgeen tijdens de zitting besproken is, ziet de kinderrechter redenen om het verzoek van de GI om de schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen af te wijzen.
De kinderrechter stelt voorop dat de schriftelijke aanwijzing aan alle formele vereisten voldoet. De GI heeft zorgvuldig gehandeld in het opstellen van de schriftelijke aanwijzing en ook is voldaan aan alle andere bestuursrechtelijke vereisten. Er is een vooraankondiging verstuurd en de schriftelijke aanwijzing is deugdelijk gemotiveerd.
De kinderrechter is echter van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing op dit moment niet in het belang van de minderjarige kan worden geacht. De kinderrechter licht dit als volgt toe.
Tijdens de zitting is het patroon waar de ouders in zitten, duidelijk zichtbaar geworden. Er wordt nog steeds om [minderjarige] gestreden. Ook de onderlinge spanningen tussen de ouders zijn zichtbaar. Maar wat nog meer zichtbaar is geworden, is de overbelasting van de vader. De kinderrechter is het eens met de visie van de GI dat er hulpverlening moet komen, echter mag dit niet ten koste van de draagkracht van de vader gaan. [minderjarige] woont bij de vader en moet er dus ook op kunnen blijven vertrouwen dat haar vader voor haar beschikbaar is. Dit is naast de veeleisende baan van de vader op dit moment al een behoorlijke opgave. Door de druk van intensieve hulpverlening is merkbaar dat de vader het geheel niet meer kan overzien. Hij voelt zich op dit moment niet bij machte om zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van de in te zetten hulpverlening.
Alvorens er hulpverlening wordt ingezet, moet de GI onderzoeken op welke manier de vader ondersteund en ontlast kan worden. De vader laat [minderjarige] momenteel wat vaker in de weekenden naar de moeder gaan, zodat hij zijn huis op orde kan brengen. De kinderrechter ziet hierin een kracht van de vader. Hij beseft klaarblijkelijk ook dat hij deze extra tijd nodig heeft. Tegelijk betekent dit dat de vader weinig tijd om leuke dingen met [minderjarige] te doen overhoudt, hetgeen wel van belang is voor hun ouder-kindrelatie.
Wat ook zichtbaar wordt, is dat de vader ondanks de spanningen tussen de ouders dus wel gebruik maakt van de aanwezigheid van de moeder om [minderjarige] op te vangen. De vader laat daarmee zien dat hij in het belang van [minderjarige] beslissingen neemt. De kinderrechter is mede daarom van oordeel dat de overbelasting van de vader en de door hem ervaren onmacht om zijn medewerking aan de hulpverlening te verlenen serieus genomen moet worden en dat er met de vader op een voor hem zo min mogelijk belastende manier gekeken moet worden op welke manier er hulpverlening ingezet kan worden.
De GI heeft aangegeven bereid te zijn om met de vader het gesprek aan te gaan hoe de hulpverlening wél vormgegeven kan worden. De kinderrechter vindt het van belang dat dit gesprek tussen de GI en de vader gevoerd gaat worden. Ook bij het inplannen van zo’n gesprek moet de GI samen met de vader kijken naar alle beschikbare mogelijkheden (fysiek, telefonisch of via een online verbinding). De vader dient daarin zich wel wat flexibeler op te stellen. Het is begrijpelijk dat de vader zich teruggetrokken heeft, maar er moeten nu weer stappen vooruit gezet worden. Daarbij is het van belang dat de vader de GI ook daadwerkelijk de mogelijkheid geeft om mee te kunnen denken. De vader zal het contact met de GI dan ook actief moeten aangaan. De kinderrechter benadrukt uitdrukkelijk dat de vader dit juist in het belang van [minderjarige] moet doen. Het is in haar belang dat de hulpverlening, en concreet voor haar de paardencoaching, snel gestart kan worden, want [minderjarige] heeft wel degelijk last van de situatie.
Nu de bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing in dit geval averechts gaat werken en de GI eerst nog het gesprek met de vader aan moet gaan, zal de kinderrechter het verzoek van de GI afwijzen. De kinderrechter benoemt nogmaals dat er wel echt hulp moet worden ingezet. De vader en de GI moeten echter eerst met elkaar in gesprek gaan en in gezamenlijkheid onderzoeken hoe de inzet van de hulpverlening voor de vader mogelijk kan worden gemaakt, zodat deze inzet niet op onaanvaardbare wijze ten koste gaat van de draagkracht van de vader en zodat deze niet in strijd komt met de belangen van [minderjarige] .
6. De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek van de GI af.
Deze beslissing is gegeven door mr. Van de Merbel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 april in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier.