beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/422156 / FA RK 24-2128
datum uitspraak: 17 april 2026
nadere beschikking betreffende het hoofdverblijf en wijziging verdeling zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. S. van Reeven-Özer te Rijen,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze,
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2013, hierna: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1. Het verdere procesverloop
In het dossier bevinden zich de volgende stukken:
- de in deze zaak gegeven beschikking van 19 augustus 2024 en alle daarin genoemde stukken;
- de brief van de Raad van 4 december 2024 en diens rapport van 15 december 2025;
- de F9-formulieren van mr. Van Reeven-Özer van 2 januari 2025, 21 februari 2025 en 30 december 2025 met bijlage;
- de F9-formulieren van mr. Van Kerkhof van 6 januari 2026 met bijlage, 18 juli 2025 met bijlage en 29 december 2025 met bijlage, 14 januari 2026 en 27 maart 2026.
Het verzoek is mondeling behandeld op de zitting van 1 april 2026. Bij die behandeling zijn verschenen partijen, ieder bijgestaan door hun advocaat. Ook was er een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.
De rechtbank heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover op 30 maart 2026 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De nadere beoordeling
Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank aan de Raad verzocht om een onderzoek in te stellen en daarover te rapporteren en te adviseren. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak pro forma aangehouden, in afwachting van het rapport van de Raad.
Aan de orde is nog het (inleidende) verzoek van de vrouw om:
I de zorgregeling welke is vastgelegd in het ouderschapsplan van 31 oktober 2018 tussen de man en [minderjarige] voorlopige te schorsen;
II een nader door de vrouw, na het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, te formuleren contactregeling vast te leggen tussen de man en [minderjarige] ;
III althans een zodanige beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie oordelend redelijk en juist acht.
Bij kort geding vonnis van 2 juli 2025 (met zaaknummer C/02/435408 / KG ZA 25-225) heeft de voorzieningenrechter in deze rechtbank [minderjarige] voorlopig toevertrouwd aan de man. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter de werking van de beschikking van 17 januari 2025 ten aanzien van de op [minderjarige] betrekking hebbende onderhoudsbijdrage van de man met zaaknummer C/02/422977/FA RK 24/2488, voor zolang [minderjarige] aan hem is toevertrouwd, geschorst.
Uit de inhoud van het rapport van de Raad blijkt onder meer het navolgende.
Sinds mei 2025 woont [minderjarige] bij de man en heeft [minderjarige] in afstemming met de vrouw meermaals per week contact met de vrouw. Dit is meestal op vaste dagen maar hier wordt naar behoefte van [minderjarige] flexibel mee omgegaan. Bij de Raad heeft [minderjarige] te kennen gegeven de huidige situatie zo goed te vinden. De Raad kan zich ook voorstellen dat een vaste zorgregeling, gezien de leeftijd van [minderjarige] en de daar bijbehorende eigen agenda, niet geheel passend meer is. Kijkend naar de behoefte van [minderjarige] in het contact met de vrouw, de vrouw nog niet volledig thuis woont en het haar intentie is om op (korte) termijn intensieve behandeling aan te gaan voor haar persoonlijke (psychische) problematiek (waarvan nog niet precies duidelijk is hoe dat traject eruit zal zien), adviseert de Raad om geen vaste zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] vast te leggen. De Raad vindt het wel van belang dat het contact zoals dat nu loopt wordt voortgezet. Daarbij is de Raad van mening dat [minderjarige] enkel bij de vrouw kan overnachten wanneer hier iemand bij aanwezig is (uit het netwerk van de vrouw), zolang zij nog geen behandeling heeft gehad. De Raad vindt het daarom van belang dat de vrouw op termijn aan de man inzicht geeft in de vorderingen van haar behandeling. De behoeften van [minderjarige] zullen leidend moeten blijven.
De onvoorspelbaarheid rondom de problematiek van de vrouw en de onduidelijkheid rondom haar toekomstige behandeltraject, maken dat de Raad er niet voor kiest om te adviseren de zaak aan te houden. Dit gezien hier geen termijn aan gekoppeld kan worden. Naar de mening van de Raad valt bovendien voor te stellen dat het contact tussen de vrouw en [minderjarige] er met periodes anders zal uitzien. Daarbij heeft de Raad er voldoende vertrouwen in dat het contact met de vrouw zal worden voortgezet (ook tijdens en na haar behandeltraject) omdat het huidige contact inmiddels al enige tijd goed verloopt, [minderjarige] zelf gemotiveerd is het contact met de vrouw op deze manier voort te zetten en de man [minderjarige] hierin ook de ruimte geeft.
De man onderschrijft de conclusies van de Raad in diens rapport. De man meent dat de afspraken met betrekking tot de contacten tussen de vrouw en [minderjarige] op dit moment in goed onderling overleg tot stand komen. Naar de mening van de man kan dat voor de toekomst zo blijven. De man verzoekt nu (formeel) dat – in afwijking van het tussen partijen overeengekomen ouderschapsplan – [minderjarige] zijn hoofdverblijf voortaan formeel bij hem zal hebben en dat er tussen de vrouw en [minderjarige] geen vaste contactregeling zal gelden.
De vrouw heeft geen bezwaar tegen het verzoek van de man om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man te bepalen. De vrouw kan er echter niet mee instemmen dat er geen vaste contactregeling wordt vastgelegd tussen haar en [minderjarige] .
Volgens de vrouw heeft zij in de afgelopen periode erg veel geregeld en haar uiterste best gedaan om uitvoering te kunnen geven aan een structurele contactregeling tussen haar en [minderjarige] . Zo neemt de vrouw haar medicatie consequent in en heeft zij ondersteuning via de WLZ als gevolg waarvan zij altijd op 24-uurs begeleiding kan rekenen. Er is sprake van een duidelijke structuur in het dagelijkse leven van de vrouw, in haar huishouden en in haar gemoedstoestand. De opname/specifieke behandeling die de vrouw in [plaats] naar alle waarschijnlijkheid zal gaan volgen, is om te leren om met haar DIS om te gaan en om haar trauma’s te leren verwerken. De behandeling zal starten op 20 mei 2026, is elke woensdag en zal acht weken duren. Indien de vrouw vervolgens geschikt wordt bevonden voor een opname en (intensieve) behandeling zal daarmee in totaal zo’n drie jaar zijn gemoeid. Het eerste jaar zal de opname bestaan uit twee overnachtingen, vanaf het tweede jaar uit één overnachting. Nog onbekend is op welke dagen dat zal gaan zijn.
Dat alles zo zijnde, ziet de vrouw in dat het lastig is om een eindregeling vast te leggen. Echter is de situatie volgens de vrouw zo dat partijen niet met elkaar communiceren en dat [minderjarige] elke keer aan de man moet vragen of hij naar haar mag gaan. De vrouw heeft angst dat zij [minderjarige] helemaal niet meer gaat zien en zij hecht er daarom groot belang aan dat er een zorgregeling wordt vastgesteld.
Op dit moment wordt er volgens de vrouw uitvoering gegeven aan een wekelijkse regeling, waarbij [minderjarige] op de dinsdagen met overnachting bij haar verblijft en waarbij dit contactmoment wordt begeleid door de beste vriendin van de vrouw. Daarbij heeft [minderjarige] de vrije keuze of hij wel of niet bij de vrouw zal zijn op de dinsdagen. Daarnaast geldt er een regeling op de zaterdagen van 14.00 uur tot 19.00 uur, waarbij [minderjarige] bij de vrouw eet.
De vrouw verzoekt, in elk geval tot aan haar daadwerkelijke opname, in lijn hiermee een regeling vast te stellen, inhoudende dat [minderjarige] elke dinsdag met begeleiding van haar beste vriendin bij haar komt eten en hij bij haar overnacht. Daarnaast verzoekt de vrouw om te bepalen dat [minderjarige] in de even weken van zaterdag 14.00 uur tot zondag 13.30 uur (na de lunch) bij haar zal verblijven, zonder begeleiding van een derde. De vrouw verzoekt daarbij in elk geval in de overweging op te nemen, dat [minderjarige] ook zonder begeleiding bij haar zal mogen zijn. Naar de mening van de vrouw bestaat daarvoor geen strikte noodzakelijkheid.
Gelet op dit gewijzigde verzoek van de vrouw en het verzoek van de man over het hoofdverblijf, trekt zij de door haar onder I en II gedane inleidende verzoeken in.
De man begrijpt dat het voor de vrouw lastig is en dat zij niet om huidige situatie vraagt. Dit neemt volgens de man niet weg dat hij bezwaar heeft tegen het nadere verzoek van de vrouw. De man acht de situatie daarvoor nog te instabiel. Naar de mening van de man dient de vrouw eerst aan zichzelf te werken. Zo heeft er zich de week ervoor tussen de vrouw en [minderjarige] nog een vrij fors incident voorgedaan, waarbij de vrouw [minderjarige] voor alles en nog wat uitmaakte. [minderjarige] heeft toen enkele dagen nodig gehad om weer in het gareel te komen. Daarbij betwist de man dat [minderjarige] aan hem toestemming zou moeten vragen om de vrouw te mogen bezoeken. [minderjarige] krijgt daarin van de man de volledige vrijheid. Zelfs overnachten bij de vrouw behoort tot de mogelijkheden. Wel is het volgens de man zo dat de overnachtingen begeleid moeten worden. Het verblijf van [minderjarige] bij de vrouw overdag behoeft niet begeleid te worden. De man vindt het wel prettig als [minderjarige] aangeeft naar zijn moeder te zullen gaan, zodat hij weet waar [minderjarige] is en hij rekening kan houden met het bereiden van de avondmaaltijd. De man acht dit niet onredelijk.
Naar de mening van de man verloopt deze manier van contact tussen de vrouw en [minderjarige] goed. [minderjarige] is hierover erg tevreden en geeft zelf nadrukkelijk aan een en ander te willen houden zoals het momenteel gaat.
Concluderend verzoekt de man ten aanzien van de zorgregeling overeenkomstig het raadsadvies te beslissen en om de zaak bij eindbeschikking af te doen.
De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag, zoals over het hoofdverblijf en over de zorgregeling, op verzoek van de ouders aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd.
De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.
De man verzoekt inmiddels om te bepalen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf zal hebben bij hem. De vrouw heeft tegen dit verzoek van de man geen bezwaar. De rechtbank zal dit verzoek van de man daarom toewijzen, nu zij dit verzoek ook in het belang van [minderjarige] vindt.
Partijen zijn verdeeld gebleven over het (gewijzigde) verzoek van de vrouw over de zorgregeling. Gebleken is dat partijen momenteel uitvoering geven aan een regeling, waarbij [minderjarige] in beginsel elke dinsdag bij de vrouw overnacht en waarbij dit contactmoment wordt begeleid door de beste vriendin van de vrouw ( [persoon] ). Daarbij heeft [minderjarige] de vrije keuze of hij wel of niet bij de vrouw zal zijn op de dinsdagen. Daarnaast gaat [minderjarige] naar de vrouw elke zaterdag van 14.00 uur tot 19.00 uur, waarbij [minderjarige] telkens bij de vrouw eet.
Tijdens het gesprek dat de kinderrechter met [minderjarige] heeft gehad, heeft hij aangegeven dat hij het liefste de huidige regeling wil voortzetten. [minderjarige] wil liever niet dat deze regeling wordt vastgesteld omdat hij veel activiteiten heeft, met name sporten. Wanneer de omgang [minderjarige] dan een keer niet uitkomt, wil hij daarvan kunnen afwijken en wil hij bijvoorbeeld de dinsdag kunnen inruilen voor de woensdag.
De rechtbank begrijpt de wens van [minderjarige] om geen vastomlijnde regeling vast te stellen. De man steunt [minderjarige] in die wens. Gebleken is enerzijds dat de man [minderjarige] ook alle ruimte geeft om de vrouw te mogen bezoeken wanneer hij wil, zodat daarin geen belemmering zit. Anderzijds begrijpt de rechtbank de angst van de vrouw dat het zonder een vastgestelde regeling te vrijblijvend wordt en dat zij [minderjarige] dan wellicht (beduidend) minder zal gaan zien. De rechtbank ziet hierin voldoende aanleiding om een regeling vast te stellen, en wel gelijk aan de huidige regeling, nu die regeling naar tevredenheid van alle betrokkenen verloopt. De rechtbank ziet hierbij aanleiding om de regeling begeleid te laten blijven maar enkel zodra er aan een omgangsmoment een overnachting verbonden zit. Zij overweegt hierbij dat de vrouw voor haar persoonlijke problematiek nog haar (intensieve) behandeling moet ondergaan. Op dit moment is de vrouw nog niet voldoende stabiel. Zo is door de vrouw niet weersproken dat zich de week ervoor nog een incident tussen haar en [minderjarige] heeft voorgedaan, waarvan [minderjarige] erg van slag is geweest. Gelukkig lijkt dit incident [minderjarige] niet dusdanig te hebben beschadigd dat hij niet meer naar de vrouw toe zou willen gaan maar voorkomen moet worden dat dit op enig moment wel het geval zal gaan zijn.
Nu het nog wat onzeker is of de vrouw het geplande intensieve behandeltraject zal kunnen gaan doorlopen, en zo ja, hoe dat traject er exact uit zal gaan zien en voor [minderjarige] duidelijkheid prevaleert, bestaat er onvoldoende aanleiding om het (gewijzigde) verzoek over de zorgregeling aan te houden en zal de rechtbank de zaak bij eindbeschikking afdoen.
De rechtbank gaat er hierbij nadrukkelijk vanuit dat de man zich meewerkend zal blijven opstellen en dat hij zal zorgen dat de vrouw en [minderjarige] elkaar hoe dan ook met een minimaal gelijke duur aan de huidige regeling zullen blijven zien. Mét de Raad vindt de rechtbank het van belang dat de vrouw op termijn aan de man (enig) inzicht gaat geven in de vorderingen van haar behandeling, zodat de regeling meer naar haar wensen kan worden aangepast maar waarbij de belangen van [minderjarige] ten allen tijde voorop behoren te blijven staan.
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.
3. De beslissing
De rechtbank
bepaalt – onder wijziging van het tussen partijen op 31 oktober 2018 gesloten ouderschapsplan – dat [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2013 zijn hoofdverblijf heeft bij de man;
bepaalt – onder wijziging van het tussen partijen op 31 oktober 2018 gesloten ouderschapsplan – dat de vrouw en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zullen zijn tot het hebben van contact met elkaar elke dinsdag met overnachting, waarbij de overnachting wordt begeleid door de (beste) vriendin van de vrouw. Daarbij heeft [minderjarige] de vrije keuze of hij wel of niet bij de vrouw zal zijn op de dinsdagen. Daarnaast zijn de vrouw en [minderjarige] gerechtigd tot het hebben van contact met elkaar elke zaterdag van 14.00 uur tot 19.00 uur, waarbij [minderjarige] telkens bij de vrouw eet;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bogaert, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026 in aanwezigheid van Van Dongen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.