ECLI:NL:RBZWB:2026:4222

ECLI:NL:RBZWB:2026:4222

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 17-04-2026
Datum publicatie 18-05-2026
Zaaknummer C/02/445996 / JE RK 26-431
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verlenging ondertoezichtstelling en (verlenging) machtiging tot uithuisplaatsing

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummers: C/02/445996 / JE RK 26-431 ( [minderjarige 1] en [minderjarige 2] )

C/02/445999 / JE RK 26-432 ( [minderjarige 3] )

Datum uitspraak: 17 april 2026

Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaken van

het LANDELIJK EXPERTISE TEAM JEUGDBESCHERMING, namens

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Tilburg,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 1] 2011 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 3] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2012 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 2] ,

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 3] 2015 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 1] ,

te dezer zaken allen vertegenwoordigd door mr. J. Nederlof, bijzondere curator, kantoorhoudende te Tilburg.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. J.M. Molkenboer te Tilburg,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat voorheen mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze.

1. Het verdere verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift betreffende [minderjarige 3] met bijlagen, ontvangen op 3 maart 2026;

het verzoekschrift betreffende [minderjarige 2] en [minderjarige 1] met bijlagen, ontvangen op 3 maart 2026;

de op 25 maart 2026 ontvangen brief van mr. Van Kerkhof;

de op 4 april 2026 ontvangen brief met 2 bijlagen van mr. Molkenboer en diens op 10 april 2026 ontvangen brief met 4 bijlagen;

de op 9 april 2026 ontvangen tussenverslag van mr. Nederlof van diezelfde datum.

Na de zitting is nog binnengekomen een brief van de GI van 14 april 2026 over de plaatsing van [minderjarige 3] .

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 april 2026. Daarbij waren aanwezig:

mr. Molkenboer namens de moeder;

mr. Nederlof, bijzondere curator over de minderjarigen;

- twee vertegenwoordigers van het LET, namens de GI.

De vader is ter zitting nier verschenen. Bij brief van zijn (voormalige) advocaat heeft de vader zich afgemeld voor de zitting.

De kinderrechter heeft [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] (via de bijzondere curator) naar hun mening gevraagd maar zij hebben geen mening willen geven.

2. De feiten

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .

[minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben hun hoofdverblijf bij de moeder.

Bij beschikking van 1 april 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] met ingang van 19 april 2025 verlengd tot 19 april 2026.

Bij beschikking van 15 januari 2026 (met de zaaknummers C/02/443118 / JE RK 25-2260 en C/02/443115 / JE RK 25-2258) heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verleend van [minderjarige 3] bij de andere ouder met gezag, te weten bij de vader, met ingang van 14 januari 2026 tot 19 april 2026. Daarnaast heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verleend van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 14 januari 2026 tot 19 april 2026.

Daarnaast heeft de kinderrechter in die beschikking mr. J. Nederhof benoemd tot bijzondere curator over de minderjarigen. Aan mr. J. Nederlof is verzocht om uiterlijk op donderdag 2 april 2026 aan de kinderrechter en aan de GI schriftelijk verslag te doen van zijn bevindingen, onder meer ter beantwoording van de navolgende vragen:

- Worden de wensen van de kinderen momenteel op een vrije, onbeïnvloede manier gehoord?

- Kunnen de kinderen bij de moeder wonen? Voelen de kinderen zich veilig bij de moeder?

- Kunnen de kinderen bij de vader wonen, in het geval zij niet bij de moeder kunnen wonen? Voelen de kinderen zich veilig bij de vader?

- Toekomstperspectief: wat is in het belang van de kinderen op korte/lange termijn?

3. De (nieuwe) verzoeken

In de zaak met kenmerk C/02/445999 / JE RK 26-432

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI haar om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van zes maanden.

In de zaak met kenmerk C/02/445996 / JE RK 26-431

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van acht maanden.

De GI verzoekt de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

De GI legt aan zijn verzoeken ten grondslag dat [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] door de moeder nog steeds klem gezet worden in het contact met hun vader. De kinderen zelf geven hierover wisselende signalen af. Naar omstandigheden gaat het met de kinderen goed. Daarbij speelt er ten aanzien van [minderjarige 2] de grote zorg dat zij nog steeds niet naar school gaat. Op dit moment wordt er onderzocht op welke manier [minderjarige 2] toch naar school zal kunnen gaan. Het is de GI bekend dat [minderjarige 2] nog steeds meerdere keren per week contact heeft met haar moeder. De GI acht dit niet wenselijk maar gelet op de leeftijd van [minderjarige 2] lastig om te voorkomen. Positief is dat [minderjarige 2] op haar huidige plek meer rust is gaan ervaren. [minderjarige 1] gaat wel naar school en ook verder gaat het met hem goed.

Met [minderjarige 3] gaat het wisselend. De vader biedt hem goede zorg. Echter zit [minderjarige 3] dusdanig klem in de ouderstrijd dat er voor hem geen ruimte is voor zowel contact met zijn moeder als contact met zijn vader. Ook [minderjarige 3] blijft zijn moeder opzoeken. Met zijn vader gaat [minderjarige 3] zeer geregeld op bezoek bij [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zodat alle kinderen elkaar kunnen zien. Naar de mening van de GI zou het voor [minderjarige 3] op dit moment het beste zijn als hij eveneens op dezelfde neutrale plek zal gaan verblijven als waar [minderjarige 2] en [minderjarige 1] reeds zijn geplaatst. Ter zitting geeft de GI aan dat zij later op deze dag nog zal vernemen of daar plaats is.

Sinds de uithuisplaatsing van de kinderen is er meerdere keren geprobeerd om met de moeder in contact te komen maar dat is niet gelukt. De moeder blijft dat contact afhouden. Enkel via haar advocaat kan de moeder worden bereikt. Om die reden is de omgang tot dusver beperkt gebleven tot belcontacten. Alvorens er tot fysieke omgangscontacten kan worden gekomen, acht de GI het noodzakelijk dat met de moeder persoonlijk in gesprek kan worden gegaan.

Desgevraagd geeft de GI aan dat haar hoofddoel voor de eerstkomende periode is om duidelijkheid te verkrijgen over het toekomstperspectief voor de kinderen. Ook zal er worden onderzocht wat de kinderen verder nodig hebben en daarbij voor [minderjarige 2] specifiek het doel om weer naar school te gaan. De verbetering van de oudercommunicatie ziet de GI niet langer als een doel. Naar de mening van de GI is dat een gepasseerd station.

Uit de inhoud van diens verslag blijkt dat de bijzondere curator, mede op grond van de gesprekken die hij heeft gevoerd met beide ouders en [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] (nog) moeilijk een antwoord kan geven op de door de rechtbank gestelde vragen.

De bijzondere curator constateert wel dat de kinderen erg loyaal zijn aan de moeder en dat zij voorzichtig zijn in het contact met hem. Dit maakt dat hij de vraag van de kinderrechter of de kinderen op een onbeïnvloede manier kunnen worden gehoord (nog) niet kan beantwoorden. Niettemin geven alle kinderen volgens de bijzondere curator aan dat zij terug willen naar hun moeder. De bijzondere curator is gebleken dat met name [minderjarige 3] erg klem zit in de strijd tussen zijn ouders.

Over de vraag of de kinderen bij de vader of de moeder kunnen wonen. kan de bijzondere curator evenmin een standpunt innemen. Dat de kinderen zich loyaal voelen naar de moeder toe wil volgens de bijzondere curator nog niet zeggen dat zij zich ook veilig voelen bij haar.

Voor wat betreft het toekomstperspectief liggen nu aan de kinderrechter voor de verzoeken tot uithuisplaatsing. Daarop zal moeten worden beslist. Gezien echter de complexe situatie, de lange duur van de ondertoezichtstelling en de korte tijdspanne waarin hijzelf is betrokken, kan de bijzondere curator onmogelijk een antwoord geven op wat de belangen zijn van de kinderen op de lange termijn.

Hoewel er door het gerechtshof een dringend beroep op de bijzondere curator is gedaan om te onderzoeken of, en zo ja op welke manier, de impasse kan worden doorbroken vraagt hij zich af of de inzet van een bijzondere curator überhaupt tot het doorbreken van een impasse gaat leiden. Naar de mening van de bijzondere curator zullen de kinderen voorlopig ook nog voorzichtig zijn in het contact met hem.

In zijn algemeenheid merkt de bijzondere curator op dat er voor de kinderen zo spoedig mogelijk zicht moet komen op hun perspectief. De onzekerheid die er nu is, acht de bijzondere curator niet in het belang van de kinderen. Gezien de lange duur van de ondertoezichtstelling acht de bijzondere curator het ten zeerste van belang dat inzichtelijk wordt gemaakt of de ouders binnen een aanvaardbare termijn in staat zullen zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen. Mogelijk dat de beantwoording van die vraag de huidige impasse kan doorbreken. Voor de beantwoording van die vraag acht de bijzondere curator een nader onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming noodzakelijk.

Concluderend geeft de bijzondere curator aan (nog) geen antwoord te kunnen geven op de door de kinderrechter gestelde vragen en geeft hij de kinderrechter in overweging om de Raad te verzoeken een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de nog door de kinderrechter te formuleren vragen en hem daarover te laten rapporteren en te adviseren.

Mr. Molkenboer geeft namens de moeder aan dat bij het gerechtshof is gebleken dat er bij de kinderen sprake is van forse loyaliteitsproblematiek. Naar de mening van de advocaat valt dat ook terug te lezen in het verslag van de bijzondere curator.

Inmiddels is er al zeer vele jaren sprake van een ondertoezichtstelling.

Voor de uithuisplaatsing bestonden er twee contra indicaties waarom de kinderen uit huis moesten worden geplaatst. Één contra-indicatie betrof de schoolgang van de kinderen maar ook tijdens de huidige uithuisplaatsing bestaan daarover, behalve over [minderjarige 1] , nog steeds zorgen. De tweede contra-indicatie betroffen de vermeende emotieregulatieproblemen van de moeder. Echter is de moeder (nog) niet zover dat zij in therapie zal gaan. Met de bijzondere curator stelt mr. Molkenboer vast dat de zaak in een impasse is geraakt.

Mr. Molkenboer ziet in dat het voor de GI lastig werken is. Alles afgewogen is mr. Molkenboer van mening dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing op de huidige manier geen meerwaarde meer hebben.

Uit de brief van zijn (voormalige) advocaat blijkt dat de vader van mening is dat uit de voorliggende verzoeken overduidelijk blijkt waarom de bemoeienissen vanuit een GI nog noodzakelijk zijn. Niet voor niets is zelfs het LET aangezocht om de uitvoering op zich te nemen. Naar de mening van de vader worden de kinderen nog altijd ernstig in hun ontwikkeling bedreigd en wordt er onverminderd aan de wettelijke vereisten voor een toewijzing van de verzoeken voldaan. De vader verzoekt concluderend om de verzoeken toe te wijzen.

5. De beoordeling

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter overweegt hierbij dat [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , gelet op de ernstig verstoorde verstandhouding tussen ouders, nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De kinderen zitten ernstig klem in deze strijd en zitten duidelijk in een loyaliteitsconflict. Met name de moeder lijkt op de kinderen wat dat betreft een grote druk uit te oefenen, zoals bijvoorbeeld op waar de kinderen zouden willen wonen. Naar het oordeel van de kinderrechter kan de ernstige ontwikkelingsbedreiging gezien de ernst van de ouderstrijd, niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, temeer omdat de moeder elke hulp blijft afwijzen. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt dan ook de ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , zoals verzocht, voor de duur van een jaar.

Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding. De kinderrechter neemt hierbij in aanmerking dat hetgeen de kinderrechter in haar beschikking van 15 januari 2026 over de gronden voor een uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] heeft overwogen nog steeds actueel is. Zo zijn er zorgen over de veiligheid van de kinderen wanneer zij weer bij de moeder zouden wonen. Zo kent de moeder nog problemen met haar emotie regulatie, althans is daar nog onvoldoende zicht op nu er bij de moeder geen ruimte lijkt te zijn voor contact met de GI. Ook was er de zorg dat [minderjarige 2] te veel van school verzuimde. Een plaatsing van de [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de vader is vanwege de zorgen die eerder gemeld werden over diens thuissituatie en dan met name over diens partner, op dit moment evenmin een optie. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] willen dat ook niet.

Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding.

De kinderrechter overweegt hierbij dat met name [minderjarige 3] erg klem zit in de strijd tussen zijn ouders. Tegen de bijzondere curator heeft hij verteld dat de huidige situatie niet fijn voor hem is en dat deze hem veel stress bezorgt. [minderjarige 3] zou willen dat alles weer “normaal” werd. Dat is voor [minderjarige 3] de situatie dat hij weer bij zijn moeder gaat wonen.

Gelet echter op de zorgen over de veiligheid bij de moeder in de thuissituatie is dat nog geen optie. Evenmin blijkt het gezien de ontbrekende emotionele toestemming van de moeder een optie om [minderjarige 3] nog langer bij zijn vader te laten wonen. Er zijn vermoedens dat [minderjarige 3] op afstand door zijn moeder wordt klemgezet en dat hij zelfs tegen zijn vader wordt opgezet, waardoor die plaatsing van [minderjarige 3] daar onder te grote druk is komen te staan.

Zo houdt [minderjarige 3] zich niet aan de regels en afspraken die bij zijn vader gelden. Zo komt en gaat [minderjarige 3] wanneer hij dat wil, waarbij hij tegen de afspraken in ook bij zijn moeder verblijft. [minderjarige 3] lijkt de druk vanuit zijn moeder niet te kunnen weerstaan.

De kinderechter kan de GI daarom volgen in diens stelling dat een stabiele, veilige en neutrale plek waar [minderjarige 3] de rust, voorspelbaarheid, stabiliteit en grenzen worden geboden en waar bovenal voor hem ruimte is voor beide ouders, op dit moment het meest passend voor [minderjarige 3] wordt geacht. De kinderrechter neemt hierbij in aanmerking dat zij van de GI na de sluiting van de zitting (desgevraagd) nog een bericht heeft ontvangen, dat er voor [minderjarige 3] een plek beschikbaar is waar zijn zusje [minderjarige 2] en zijn broertje [minderjarige 1] nu verblijven. Het is fijn dat de kinderen dan niet langer uit elkaar zullen zijn gehaald.

De kinderrechter constateert dat de zaak in een impasse lijkt te zijn geraakt en acht het zeer wel in het belang van de kinderen dat er in elk geval over hun toekomstperspectief duidelijkheid gaat komen. Alledrie de kinderen vragen hier ook om. De kinderrechter ziet hierin aanleiding om de verzoeken over de uithuisplaatsing voor een kortere duur te verlengen dan verzocht en om deze voor het overige voor een tussentijds toetsmoment aan te houden tot de na te melden pro forma datum. Daarbij wordt van de GI verwacht dat zij de kinderrechter zal informeren over het perspectief dat zij voor de kinderen ziet. Vervolgens zal de kinderrechter, in lijn met het advies van de bijzondere curator, kunnen besluiten om, indien nodig, de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek te laten doen naar het toekomstperspectief van de kinderen. Mede in het licht hiervan wordt de bijzondere curator in de gelegenheid gesteld om diens onderzoek, waar nodig, af te ronden en met name met de kinderen nog de benodigde gesprekken te voeren. De bijzondere curator heeft ter zitting toegezegd dit te zullen oppakken.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

Met de beslissingen in deze (nieuwe) zaken komt de noodzaak voor een verdere bespreking in de nog openstaande zaken met de kenmerken C/02/443115 / JE RK 25-2258 en C/02/443118 / JE RK 25-2260 te ontvallen. De nog openstaande verzoeken in deze beiden zaken zullen daarom worden afgewezen.

6. De beslissing

De kinderrechter:

In de zaak met kenmerk C/02/445999 / JE RK 26-432

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] met ingang van 19 april 2026 tot 19 april 2027;

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 19 april 2026 tot 19 augustus 2026;

In de zaak met kenmerk C/02/445996 / JE RK 26-431

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] met ingang van 19 april 2026 tot 19 april 2027;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 19 april 2026 tot 19 augustus 2026;

In de zaken de kenmerken C/02/445999 / JE RK 26-432 en C/02/445996 / JE RK 26-431

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling van beide zaken aan tot donderdag 23 juli 2026 PRO FORMA, in afwachting van bericht van de GI en van de bijzondere curator;

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

In de zaken met de kenmerken C/02/443115 / JE RK 25-2258 en C/02/443118 / JE RK 25-2260

wijst de verzoeken voor het overige af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Bogaert, kinderrechter, in tegenwoordigheid van Van Dongen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand