RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446162 / JE RK 26-462
Datum uitspraak: 17 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
locatie Middelburg,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
en
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. LA.E. Bregonje-Voermans te Terneuzen.
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Zeeland,
locatie Middelburg,
hierna te noemen de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt het volgende stuk mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 maart 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hier geen gebruik van gemaakt.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun vader.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, te verlenen voor de duur van een jaar. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De Raad handhaaft het verzoek. In de afgelopen jaren hebben er veel veranderingen plaatsgevonden in de woonsituatie van de kinderen. Hierbij is [minderjarige 2] ook een aantal keer door de moeder meegenomen naar een hotel, omdat ze op de vlucht was voor de vader. Hiernaast geven de kinderen aan dat de moeder een periode verward en onverklaarbaar gedrag heeft laten zien. De moeder herkent het verwarde gedrag echter niet en zegt dat haar gedrag te wijten is aan overlijden van haar vader en de zorgen over [minderjarige 2] . De ouders uiten wantrouwen richting elkaar. Volgens de moeder is de vader erg kritisch naar de kinderen, heeft hij een kort lontje en is hij controlerend. Ze maakt zich dan ook zorgen over (emotioneel) geweld. De hulpverlening en de vader herkennen deze zorgen echter niet. Ook vindt de moeder dat vader en zijn familie de kinderen tegen haar opzet. Door de hulpverlening wordt echter gezien dat de vader op een neutrale manier over de moeder praat en dat hij het contact tussen de moeder en [minderjarige 1] juist stimuleert. Daarbij heeft de moeder zorgen over seksueel grensoverschrijdend gedrag van de vader naar [minderjarige 2] . De vader ontkent dit en ook de hulpverlening ziet deze signalen niet. [minderjarige 2] wordt hier echter wel mee belast, omdat hij naar het ziekenhuis moest om hem te onderzoeken op mogelijk seksueel misbruik. Tijdens bezoekmomenten met [minderjarige 2] wordt gezien dat moeder moeite heeft met bieden van duidelijkheid en structuur. Het lukt haar niet om aan de bezoeken een positieve invulling te geven. Te zien is dat de moeder niet altijd emotioneel beschikbaar is en dat ze moeite heeft om te communiceren met [minderjarige 2] . Toen hij bij de moeder verbleef, trok hij zich steeds meer terug op zijn kamer en was hij aan het overleven. Hij ging niet naar school, zat op zijn computer en als hij wel naar school ging, had hij niet altijd eten bij zich en liet hij soms agressief gedrag zien. Nu hij bij de vader verblijft, lijkt er meer rust te zijn. Echter laat [minderjarige 2] de laatste tijd wel wat meer onverklaarbaar gedrag zien. De vader maakt zich zorgen over de onvoorspelbaarheid van de moeder. Regels kunnen plotseling veranderen afhankelijk van haar stemming. Ook maakt de hulpverlening zich zorgen over de nabijheid van de moeder naar [minderjarige 2] . Hiernaast zijn er ook zorgen om [minderjarige 1] . [minderjarige 1] heeft dwangklachten en trichotillomanie. Sinds ze bij de vader woont, is ze rustiger, maar ze ervaart veel stress van de situatie rondom de moeder en [minderjarige 2] . Tot slot is het zorgelijk dat de ouders onderling geen contact hebben.
Door en namens de moeder is gesteld dat ze het verzoek van de Raad ondersteunt. Ze onderkent dat er problematiek speelt tussen de ouders en dat de kinderen hiermee worden belast. De moeder staat open voor hulpverlening en ziet in dat een ondertoezichtstelling op dit moment aangewezen is om te onderzoeken wat er moet gebeuren, zodat de kinderen weer een normaal leven kunnen leiden. De moeder begrijpt dat er hierbij ook een machtiging uithuisplaatsing moet worden uitgesproken, omdat de kinderen bij de vader wonen, maar ze vindt dit wel lastig. De moeder mist de kinderen erg. Met [minderjarige 2] heeft ze regelmatig contact. Met [minderjarige 1] heeft ze lange tijd geen contact gehad, maar gisteravond appte [minderjarige 1] de moeder ineens dat ze haar mist. Dit vond de moeder erg fijn. Ze hoopt dat het contact met beide kinderen kan worden opgebouwd en uitgebouwd.
Door en namens de vader is gesteld dat hij achter het contact van de moeder met de kinderen staat. Hij vindt dat het contact tussen de moeder en [minderjarige 1] moet verbeteren. [minderjarige 1] staat open voor contact met de moeder, maar het contact moet wel tot stand komen en worden opgebouwd op het tempo van [minderjarige 1] . De vader vindt het fijn dat er hulp komt voor zowel de ouders als voor de kinderen. De kinderen zitten namelijk vaak in een tweestrijd en hebben verdriet van de situatie. De vader hoopt dat de ouders met elkaar leren communiceren met als doel dat de kinderen zich bij beide ouders veilig voelen. Omdat er afspraken liggen en deze niet altijd worden nagekomen, is strakke regie op korte termijn noodzakelijk om rust en stabiliteit te krijgen.
Door de GI is gesteld dat er een wachtlijst is tot er een vaste jeugdbeschermer gekoppeld kan worden. Tot die tijd zal het instroomteam een strak veiligheidsplan maken waarin duidelijke afspraken staan. Ook wordt er bekeken welke hulpverlening momenteel al betrokken is en wat er voor de kinderen nodig is. Dat zal worden ingezet. Er kunnen dus, ondanks de wachtlijst, wel al stappen worden gezet als het verzoek van de Raad wordt toegewezen.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig wordt bedreigd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in de afgelopen jaren veel wisselingen in hun woonsituatie gekend. De ouders uiten wantrouwen en zorgen over de opvoedsituatie van de andere ouder. De moeder maakt zich bijvoorbeeld zorgen over (emotioneel) geweld dat bij de vader zou plaatsvinden en de vader maakt zich zorgen over de onvoorspelbaarheid van de moeder. De kinderen krijgen dit wantrouwen naar de andere ouder mee en worden hier ook mee belast, waardoor ze niet toekomen aan hun eigen ontwikkelingstaken. Hiernaast zijn er zorgen over de (emotionele) beschikbaarheid van de moeder, over haar leerbaarheid en daarmee ook over de balans tussen haar draagkracht en draaglast. Daarbij hebben de moeder en [minderjarige 1] (bijna) geen contact en het contact tussen de moeder en [minderjarige 2] lijkt niet altijd goed te verlopen, omdat de moeder moeite heeft met het bieden van duidelijkheid en structuur en ze niet altijd emotioneel beschikbaar is. Daarbij heeft de betrokken hulpverlening zorgen over de nabijheid van de moeder richting [minderjarige 2] . Ook zijn er zorgen over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zelf. [minderjarige 2] laat de laatste tijd meer onverklaarbaar gedrag zien en [minderjarige 1] ervaart veel stress rondom de situatie met de moeder en [minderjarige 2] . Hiernaast vindt de kinderrechter het, net als de Raad, zorgelijk dat de ouders onderling geen contact hebben. Ze vindt regie in het gedwongen kader gezien het bovenstaande dan ook nodig.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat dit tot op heden tot onvoldoende verbetering in de situatie voor de kinderen heeft geleid en er niet altijd mee wordt gewerkt aan de afspraken die zijn gemaakt.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar. Ze sluit zich aan bij de doelen die zijn gesteld in het raadsrapport van 13 maart 2026, zodat de kinderen zich uiteindelijk kunnen ontwikkelen tot evenwichtige personen.
Omdat de ondertoezichtstelling is uitgesproken en de kinderen bij de vader verblijven, is ook een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. De stabiliteit die de kinderen momenteel bij de vader ervaren blijft op deze manier gewaarborgd.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 17 april 2026 tot 17 april 2027;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 17 april 2026 tot 17 april 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026 door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van drs. Swint als griffier, en op schrift gesteld op 24 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.