RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/436629 / JE RK 25-1094
Datum uitspraak: 17 april 2026
(Nadere) beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. I.H.T.J. Anthonise-Gieling te Goes,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
zal in de procedure worden gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.
1. Het (verdere) verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van deze rechtbank van 22 oktober 2025 en alle daarin genoemde stukken;
het bericht van de GI met bijlage, ontvangen op 30 januari 2026;
het bericht van de GI met bijlage, ontvangen op 8 april 2026;
de brief van [minderjarige] , ontvangen op 14 april 2026.
Op 17 april 2026 heeft de kinderrechter de mondelinge behandeling met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft een brief gestuurd aan de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Bij beschikking van de kinderrechter van 4 augustus 2021 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 4 augustus 2021 en tot 4 augustus 2022. De ondertoezichtstelling is vervolgens steeds verlengd, laatstelijk tot 4 augustus 2026.
Bij beschikking van 10 augustus 2022 is een machtiging tot uithuisplaatsing van
[minderjarige] bij de vader verleend met ingang van 10 augustus 2022 en tot 21 oktober 2022. Deze
machtiging is bij beschikking van 10 oktober 2022 verlengd tot 10 februari 2023. Bij
diezelfde beschikking is, ter vervanging van de voornoemde machtiging, een machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten een
gezinshuis, verleend met ingang van 7 februari 2023 en tot 4 augustus 2023, waarbij als
voorwaarde gold dat uiterlijk 9 maart 2023 uitvoering moest zijn gegeven aan de machtiging
en, zo niet, de machtiging kwam te vervallen. De werking van de voornoemde machtigingen
zijn komen te vervallen.
Vervolgens is bij beschikking van 30 maart 2023 opnieuw een machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader verleend en is aansluitend een machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend, te
weten een gezinshuis, met ingang van 30 maart 2023 en tot 4 augustus 2023.
Bij beschikking van 4 mei 2023 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in
een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met aansluitend een machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten een
gezinshuis, met ingang van 4 mei 2023 en tot 4 augustus 2023. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, laatstelijk tot 4 augustus 2025.
Bij beschikking van 17 juli 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige]
verlengd in een gezinsgerichte voorziening, met ingang van 4 augustus 2025 en tot 4
november 2025. Het resterende deel van het verzoek van de GI is aangehouden.
Bij beschikking van 22 oktober 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verlengd met ingang van 4 november 2025 en tot 4 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek van de GI is aangehouden tot de mondelinge behandeling van heden.
[minderjarige] verblijft op grond van de laatstgenoemde machtiging in [gezinshuis] te [woonplaats] .
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt tot slot de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De kinderrechter heeft reeds deels op het verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van drie maanden, te weten voor de periode met ingang van 4 mei 2026 en tot 4 augustus 2026.
4. De standpunten
De GI handhaaft het verzoek en licht, aanvullend op de overgelegde stukken, toe dat [minderjarige] vanaf 6 mei 2026 van woensdag tot en met maandag bij de moeder zal verblijven. Eind mei 2026 zal weer een evaluatiemoment plaatsvinden. Er zijn de afgelopen periode veel stappen gezet. De moeder staat open voor inzet van De Gezinsmanager. [minderjarige] is ook zichzelf bij de moeder, hetgeen maakt dat hierop gehandeld kan worden. De samenwerking tussen de moeder en de GI is tevens verbeterd. De Gezinsmanager kan voorts de diagnostiek bij [minderjarige] oppakken. De verwachting is dat dit in juni 2026 wordt opgepakt. Daarnaast verklaart de GI dat de vader contactopbouw met [minderjarige] wenst. Er hebben inmiddels twee omgangsmomenten bij het gezinshuis plaatsgevonden. Dinsdag zal de GI een besluit nemen of de omgang begeleid moet worden of niet. Het is van belang dat er zicht wordt verkregen op de opvoedvaardigheden van de vader. Ook moet [minderjarige] worden begeleid in het contact met de vader, aangezien hij drie jaar geen structureel contact heeft gehad met de vader. [minderjarige] wil graag contact, maar vindt het ook spannend. De vader is echter van mening dat omgangbegeleiding niet nodig is. De Gezinsmanager zou de begeleide omgang kunnen oppakken. De communicatie tussen ouders blijft tot slot een punt van aandacht.
[minderjarige] schrijft in zijn brief aan de kinderrechter dat de uithuisplaatsing al veel te lang duurt. Hij vindt daarom dat de uithuisplaatsing niet verlengd moet worden. Het gaat heel goed bij de moeder. Hij wil graag zijn eigen leven weer leiden zonder in een gezinshuis te wonen. Hij vindt het tot slot wel leuk in het huidige gezinshuis.
Door en namens de moeder wordt geen verweer gevoerd tegen het (resterende deel van het) verzoek. Het gaat heel goed en de moeder is blij met de gefaseerde terugplaatsing. De moeder heeft veel aan zichzelf gewerkt en opvoedcursussen gevolgd. Als de moeder tegen dingen aan loopt, kan zij het bespreekbaar maken. Het contact met de gezinshuisouders is ook goed. De moeder krijgt steeds meer handvatten om om te gaan met [minderjarige] en heeft nu meer zelfvertrouwen. Voorts licht de moeder toe dat de samenwerking met de GI fijn verloopt. De moeder kan bellen als er wat is en heeft meer vertrouwen in de GI gekregen. Tot slot verklaart de moeder dat zij, hoewel ze het spannend vindt, open staat voor hulpverlening om de communicatie met de vader te verbeteren.
De Raad licht toe dat de positieve lijn hopelijk kan worden vastgehouden, zodat naar een definitieve thuisplaatsing kan worden gewerkt. De Raad adviseert om het restant van het verzoek toe te wijzen, zodat de komende periode kan worden gebruikt om dit resultaat te behalen. Tot slot wil de Raad de moeder, de GI en de betrokken hulpverlening complimenteren voor de goede samenwerking.
5. De beoordeling
De kinderrechter is op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nog noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, zoals bedoeld in artikel 1:265c, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter licht dit als volgt toe.
De kinderrechter stelt vast dat de afgelopen periode positieve ontwikkelingen hebben plaatsgevonden. Als de moeder ergens tegenaan loopt, vraagt ze de betrokken hulpverlening of de gezinshuisouders om hulp. Dit maakt dat de moeder steeds meer handvatten en zelfvertrouwen krijgt om om te gaan met de hechtings- en gedragsproblematiek van [minderjarige] . Daarnaast is de samenwerking tussen de moeder en de GI verbeterd en is er sprake van een groeiend wederzijds vertrouwen. Voorts zal de omgang tussen de moeder en [minderjarige] , vanwege een goed verloop, per 6 mei 2026 worden uitgebreid, waarbij [minderjarige] vanaf woensdag tot en met maandag bij de moeder zal verblijven. Dit stemt de kinderrechter positief. De kinderrechter is – evenals alle betrokkenen – van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing voor de resterende periode moet worden verlengd, zodat de thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder zorgvuldig en gefaseerd kan blijven verlopen, met het belang van [minderjarige] voorop. De komende periode zal de omgang met de moeder verder worden uitgebreid en worden geëvalueerd. Op de overige dagen kan [minderjarige] bij het gezinshuis verblijven. De kinderrechter acht het van belang dat zo snel mogelijk wordt gestart met een diagnostisch onderzoek bij [minderjarige] en de inzet van aansluitende, passende hulpverlening. Ook dient er de komende periode aandacht te zijn voor het vormgeven van de (al dan niet begeleide) omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de vader, alsmede het verbeteren van de oudercommunicatie, te meer nu [minderjarige] vaker (en in de toekomst volledig) bij de moeder thuis zal verblijven. Om de thuisplaatsing van [minderjarige] zorgvuldig vorm te kunnen geven, zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verlengen voor de resterende periode, te weten met ingang van 4 mei 2026 en tot 4 augustus 2026.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
De kinderrechter vindt het tot slot belangrijk om [minderjarige] een brief te sturen met uitleg over haar beslissing, zodat het voor [minderjarige] duidelijk is wat er de komende periode gaat gebeuren. In deze brief, die naar het adres van het gezinshuis wordt verzonden, leest [minderjarige] het volgende:
“Beste [minderjarige] ,
Op 13 april 2026 heb jij een brief geschreven naar de kinderrechter. Hierin heb jij geschreven dat je de uithuisplaatsing te lang vindt duren en dat je vindt dat het niet verlengd moet worden. Het gaat goed bij je moeder en je wil graag je leven leiden zonder in een gezinshuis te wonen. Je vindt het wel fijn bij [persoon 1] en [persoon 2] . Op 17 april 2026 heeft de kinderrechter hierover gepraat met jouw moeder en haar advocaat, jouw jeugdbeschermer [persoon 3] en iemand van de Raad voor de Kinderbescherming. De kinderrechter heeft toen gehoord wat zij vinden van het verzoek.
Iedereen vindt dat het heel goed gaat bij je moeder. Jouw moeder krijgt nu ook goede hulp bij haar thuis. Het gaat zelfs zo goed dat jouw jeugdbeschermer [persoon 3] wil dat jij vanaf 6 mei 2026 van woensdag tot en met maandag bij jouw moeder zal zijn. Zo ga jij met kleine stapjes steeds meer bij je moeder wonen, tot je straks, als het goed blijft gaan, helemaal bij jouw moeder kan gaan wonen. Het blijft wel belangrijk dat dit op een goede en veilige manier gebeurt. De komende periode zal worden bekeken hoe het blijft gaan met jou en je moeder, omdat het belangrijk is dat het weer gaan wonen bij je moeder in één keer goed gaat. Ook vindt de kinderrechter het belangrijk dat er wordt gekeken naar een vorm van behandeling voor jou, zodat het beter met jou gaat. Verder zal jouw jeugdbeschermer de komende tijd gaan kijken of je jouw vader vaker kan gaan zien en of jouw ouders hulp nodig hebben om met elkaar te gaan praten over jou.
Om dit allemaal goed te regelen, is dus nog een beetje meer tijd nodig. Tot die tijd vindt de kinderrechter het belangrijk dat jij ook nog deels bij het gezinshuis kan blijven wonen. Daarvoor is een machtiging uithuisplaatsing nodig. De kinderrechter heeft daarom besloten om de machtiging tot uithuisplaatsing van jou te verlengen voor drie maanden, dus tot 4 augustus 2026.
Ik hoop dat het voor jou nu duidelijk is wat er de komende periode gaat gebeuren.
Met vriendelijke groet, namens de kinderrechter,
De griffier.”
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 4 mei 2026 en tot 4 augustus 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 1 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.