RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446694 / JE RK 26-572
Datum uitspraak: 17 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.C. Heijmann te Papendrecht.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 april 2026.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.
Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de moeder met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Bij beschikking van 8 november 2022 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 8 november 2022 en tot 8 maart 2023. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 8 mei 2026.
Bij beschikking van 8 november 2022 is tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verleend met ingang van 8 november 2022 en tot 8 maart 2023. Deze machtiging tot uithuisplaatsing is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 8 mei 2023.
Bij beschikking van 15 december 2025 is een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verleend met ingang van 15 december 2025 en tot 29 december 2025. Deze machtiging tot uithuisplaatsing is daarna steeds verlengd, laatstelijk tot 8 mei 2026.
Op basis van de laatstgenoemde machtiging verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar.
Ook verzoekt de GI, zoals de kinderrechter begrijpt, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, te verlengen voor de duur van een jaar met ingang van 8 mei 2026.
De GI verzoekt tot slot de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI handhaaft het verzoek en licht, aanvullend op de overgelegde stukken, toe dat er nog geen verslag van het Goed Genoeg Ouderschapsonderzoek is ontvangen, maar dat de resultaten binnenkort zullen worden besproken. Vanuit [hulpverlening] wordt gezien dat het ouderschap van de vader en de stiefmoeder goed genoeg is. Het is een aandachtspunt dat de kinderen de grenzen opzoeken als de stiefmoeder alleen met hen is, hetgeen wel passend is bij het kindbeeld. Hoewel de vader en stiefmoeder hun best doen om de kinderen traumasensitief op de voeden, lukt dit nog niet altijd. Dit blijft daarom ook een aandachtspunt. Tevens is het belangrijk dat de kinderen therapie krijgen. Daarnaast heeft er een gesprek plaatsgevonden op de scholen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het gaat goed, maar de scholen zien ook dat de kinderen veel hebben meegemaakt en een vol hoofd hebben. Er zijn tevens nieuwe afspraken gemaakt over de aanwezigheid van [minderjarige 1] , zodat het meer haalbaar is voor de vader om haar op tijd naar school te brengen. Voor [minderjarige 2] is voorts een zorgboerderij gevonden waar hij, in overleg met school, vier dagdelen naartoe kan gaan. Ook licht de GI toe dat het belangrijk is om te onderzoeken of de oudercommunicatie kan worden verbeterd, maar dat de moeder heeft aangegeven graag eerst aan haar eigen trauma’s te willen werken. Verder is de omgang tussen de moeder en de kinderen een aandachtspunt, aangezien de moeder het liefst nu geen omgang wil. Het gevolg is dat de kinderen al vier weken geen omgang meer met de moeder hebben. Het is wel van belang dat de omgang structureel doorgang kan vinden.
Door en namens de vader wordt geen verweer gevoerd tegen het verzoek. Het is van belang dat de vader niet overvraagd wordt, aangezien er veel op hem afkomt. De omgang tussen de moeder en de kinderen ging de afgelopen periode steeds minder goed. De vader is niet tegen de omgang, maar hij vindt de hulpverlening voor de kinderen belangrijker. De kinderen hebben nu ook wel rust. De zorgen bij de moeder zijn nog erg groot en een thuisplaatsing bij moeder is niet aan de orde. De vader wenst daarom dat [minderjarige 1] bij hem in de buurt naar school gaat. Tot slot ervaart de vader de hulpverlening als helpend en staat hij hiervoor open.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De kinderrechter stelt allereerst vast dat de kinderen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat de doelen van de ondertoezichtstelling nog niet zijn behaald. De kinderen hebben al veel meegemaakt in hun jonge leven, zoals het zijn van getuigen van huiselijk geweld en onrust tussen de ouders, alsmede het meemaken van vele wisselingen van woonplek. Bij de kinderen is hierdoor sprake van forse trauma- en hechtingsproblematiek, hetgeen zich bij [minderjarige 2] uit in moeite met zijn emotieregulatie en voor [minderjarige 1] het onderwijs lastiger wordt omdat zij een vol hoofd heeft. Daarnaast is het de kinderrechter gebleken dat met [minderjarige 1] een taxatiegesprek is gevoerd, hetgeen de zorgen over mogelijke kindermishandeling en seksueel misbruik in de thuissituatie van de moeder zeker niet minder heeft gemaakt. Ook is het de kinderrechter gebleken dat de vader en de stiefmoeder het lastig vinden om de kinderen aan te sturen en alle afspraken na te komen, zoals speltherapie, PMT en afspraken op school. Het gevolg is dat de speltherapie voor [minderjarige 1] nog niet is gestart. Tot slot hebben de kinderen al vier weken geen omgang meer met de moeder, omdat de moeder liever geen omgang wenst in verband met haar eigen (trauma)problematiek. Het ontbreken van structureel en veilig contact tussen de moeder en de kinderen vindt de kinderrechter erg zorgelijk.
De betrokkenheid van de GI is de komende periode noodzakelijk. Het is van belang dat de GI de passende hulpverleningstrajecten inzet en monitort, zoals pedagogische ondersteuning in de opvoedsituatie van de vader en de stiefmoeder. Ook is het noodzakelijk dat er hulpverlening wordt ingezet en gecontinueerd voor de kinderen, zodat meer zicht kan worden verkregen op diagnostiek en behandelmogelijkheden. Voorts acht de kinderrechter het van belang dat de GI de mogelijkheden van een veilig en structureel contactherstel tussen de moeder en de kinderen onderzoekt, op geleide van de kinderen. Zo heeft de GI de optie genoemd om de ene week omgang te doen plaatsvinden tussen de moeder en [minderjarige 1] en de andere week tussen de moeder en [minderjarige 2] , zodat de moeder ontlast wordt. Dit zou een mogelijkheid kunnen zijn, waarbij het van belang is dat de GI hierbij wel rekening houdt met de (on)mogelijkheden en haalbaarheid aan de zijde van de vader. Tot slot dient de GI aandacht te hebben voor de (on)mogelijkheden wat betreft het verbeteren van de oudercommunicatie. De ondertoezichtstelling is, gelet op het voorgaande, nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de verzochte duur van een jaar. Er dienen immers nog veel stappen te worden gezet.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, noodzakelijk voor de verzochte periode van een jaar met ingang van 8 mei 2026. Bij de kinderen is sprake van kindeigen-problematiek, hetgeen maakt dat zij een zwaardere opvoedvraag hebben en een traumasensitieve opvoeding behoeven. Het is van belang dat zij in een veilige, stabiele en voorspelbare opvoedomgeving op kunnen groeien. Uit het Goed Genoeg Ouderschapsonderzoek, welk verslag binnenkort met de GI en de vader besproken zal worden, blijkt in ieder geval dat de vader en de stiefmoeder beschikken over goed genoeg ouderschap. Er zijn echter nog wel aandachtspunten, zoals het opzoeken van grenzen door de kinderen en het nakomen van alle afspraken door de vader. Het is daarom van belang dat dit verblijf bij de vader gecontinueerd wordt, waarbij de GI de aandachtspunten in de opvoedsituatie bij de vader kan opvolgen en monitoren. Een thuisplaatsing van de kinderen bij de moeder is momenteel niet mogelijk, gelet op de persoonlijke problematiek van de moeder. Het lukt de moeder daardoor niet om aan de (verzwaarde) opvoedbehoeften van de kinderen te voldoen. Ook heeft de moeder aangegeven dat zij niet voor [minderjarige 2] kan zorgen en zijn er signalen dat er sprake is (geweest) van onveiligheid in de thuissituatie van de moeder.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 8 mei 2026 en tot 8 mei 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 8 mei 2026 en tot 8 mei 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 1 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.