beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/411970 / FA RK 23-3403
Datum uitspraak: 17 april 2026
Nadere beschikking
in de zaak van
[de man] ,
hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. W.H.P. de Jongh te Roosendaal,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.J.W. Jongenelen te Roosendaal,
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2012, hierna: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2014, hierna: [minderjarige 2] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank geadviseerd.
1. Het verdere procesverloop
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de in deze zaak gegeven (tussen)beschikking van 28 maart 2024 en alle daarin vermelde stukken;
- het e-mailbericht van Verdeelloket regio West-Brabant-West van 7 augustus 2024;
- de e-mailberichten van Scheidingsteam, Centrum voor Jeugd en Gezin van 24 maart 2025 en 20 oktober 2025;
- het op 8 december 2025 ontvangen rapport met bijlage van 18 november 2025;
- de brief van mr. De Jongh van 19 december 2025;
- de brief van mr. Jongenelen van 21 december 2025.
Op 18 maart 2026 heeft een nadere behandeling ter zitting plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig partijen, met hun advocaten. Ook was er een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de mogelijkheid gekregen om hun meningen te geven. Vóór deze zitting heeft de rechter met [minderjarige 1] gesproken. Tijdens de zitting heeft de rechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. [minderjarige 2] heeft geen mening gegeven.
2. De aangehouden verzoeken
Aan de orde zijn nog de navolgende verzoeken.
De man verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat hij en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gerechtigd zijn met elkaar door te brengen:
- ( primair) gedurende één weekend per twee weken van vrijdag uit school tot maandagochtend naar school, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen, tijdstippen en datum in onderling overleg te bepalen,
- ( subsidiair) althans een zodanige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen als de rechtbank juist acht.
De vrouw is het niet eens met het verzoek van de man en verzoekt dit verzoek af te wijzen.
De vrouw verzoekt de rechtbank zelfstandig om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de huidige zorg- en contactregeling, zoals opgenomen in het ouderschapsplan van 12 december 2017 met aanvulling van 3 februari 2022, wordt opgeschort in die zin dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig geen onbegeleid contact hebben met de man.
3. De nadere beoordeling
De eerdere beschikking
Bij voormelde beschikking van 28 maart 2024 heeft de rechtbank partijen en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor een (jeugd)hulptraject verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West (het loket). Daarbij is het loket verzocht om de rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen. De beslissing op de verzoeken van partijen is aangehouden en de rechtbank heeft zich iedere verdere beslissing voorbehouden.
De rapportage van het (jeugd)hulpverleningstraject en de reacties hierop
Na daartoe op verzoek van het Verdeelloket regio West-Brabant-West en het Scheidingsteam, Centrum voor Jeugd en Gezin meermalen uitstel te hebben verleend, is de in 3.1. bedoelde rapportage met bijlage bij de griffie van de rechtbank ontvangen op
8 december 2025. Hieruit blijkt dat de vooraf bepaalde en in voormelde beschikking opgenomen resultaten zijn behaald. Het traject in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA) wordt gesloten. Het dossier zal nog niet worden gesloten. De zorg vanuit [zorgaanbieder] zal doorlopen om het proces verder af te ronden en te borgen. Daarnaast is er een zorgaanbod gedaan voor de hulpvragen van [minderjarige 1] .
In reactie op de rapportage heeft de advocaat namens de man verzocht om de behandeling van de zaak pro forma aan te houden voor de duur van zes maanden, althans voor een zodanige duur als de rechtbank juist acht.
Van de kant van de vrouw is bericht dat zij het niet eens is met het aanhoudingsverzoek door de man. Dit verzoek staat haaks op de positieve terugmelding. Daarnaast is een aanhouding niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De huidige basis, zoals opgenomen in de rapportage, dient opgenomen te worden in een beschikking. Een vaststelling van enige regeling ten aanzien van [minderjarige 1] is niet in haar belang noch een langdurige aanhouding. De vrouw verzoekt opnieuw om een zitting te plannen en om een eindbeschikking te wijzen.
De nadere standpunten van partijen ter zitting
Door en namens de man is samengevat aangevoerd dat hij op dit moment om de zaterdag contact heeft met [minderjarige 2] gedurende zes uur. Dit contact loopt goed. De man wil dit verder uitbreiden naar hoe de regeling eerder was. Hij wil dat [minderjarige 2] de vrijheid heeft om naar hem toe te komen, waarbij [minderjarige 2] zelf kan bepalen of dat hij bij de man wil overnachten. Ten aanzien van [minderjarige 1] stelt de man dat er nu geen contact tussen hen is. Hij wil haar daartoe ook niet forceren. De vraag is hoe [minderjarige 1] zich hierin gaat ontwikkelen. Het vervolg hierop moet de toekomst uitwijzen. Een zorg daarnaast is dat [minderjarige 1] nu niet naar school gaat. Het is in haar belang dat er binnen een hulpverleningstraject wordt gekeken naar de oorzaak van haar weerstand en van waaruit dan eventuele verdere stappen kunnen worden gezet. De man meent daarom dat de (verdere) behandeling van de zaak moet worden aangehouden zodat er op een later moment kan worden gekeken hoe de situatie zich ontwikkelt. Hij wil het traject bij [zorgaanbieder] en de daarin ingeslagen positieve weg voortzetten.
Van de kant van de vrouw is samengevat naar voren gebracht dat beide kinderen enorm gebaat zijn bij duidelijkheid en structuur, gelet op hun kindeigen problematiek. [minderjarige 2] geniet van het contact met de man maar hij moet niet in een positie worden gebracht waarbij hij het gevoel heeft dat hij moet kiezen. Voor [minderjarige 2] moet rust en voorspelbaarheid voorop staan. Zo moet voor hem zodat duidelijk zijn wanneer hij contact met de man heeft en hoe dit wordt ingevuld. De uitbreiding van het contact moet dan ook zorgvuldig gebeuren. [zorgaanbieder] blijft bij [minderjarige 2] nog betrokken.
De wens van [minderjarige 1] is om nu geen contact met de man te hebben. Zij is niet aangemeld voor andere hulpverlening omdat traumabehandeling al te zwaar voor haar bleek. [minderjarige 1] voelt veel woede richting de man. De vrouw hoopt dat [minderjarige 1] geholpen wordt bij het verwerken van haar trauma en dat zij op haar eigen moment naar contact met de man vraagt. Duidelijkheid zal [minderjarige 1] helpen om dingen te kunnen verwerken. Door de zaak (opnieuw) aan te houden, blijft er ruimte over de omgang met de man bestaan en dat geeft beide kinderen onzekerheid en onrust. Door een beslissing van de rechtbank op het verzoek kunnen de kinderen zich rustiger gaan voelen.
Het standpunt en advies van de Raad
De vertegenwoordiger van de Raad vindt het goed te horen dat [minderjarige 2] geniet van de contactmomenten met de man. Onduidelijk is echter waar de situatie gaat eindigen. Wanneer de man zijn verzoek ten aanzien van [minderjarige 1] zou intrekken, heeft hij daarop geen grip meer. De man wil de tijd gebruiken om te bezien wat er in deze nodig is en welke tijd daarmee gemoeid is. Anderzijds, als dingen vaststaan is dit helder voor beide kinderen. Als de rechtbank van oordeel is dat een (nadere) aanhouding niet gewenst is, verzoekt de raadsvertegenwoordiger om in de beschikking te overwegen dat gewerkt moet blijven worden aan een uitbreiding van het contact tussen de man en de kinderen. Er kan rekening worden gehouden met de huidige wens van [minderjarige 1] ten aanzien van het contact met de man maar van belang is wel dat er onderzocht wordt wat er nodig is voor [minderjarige 1] om tot een contactherstel met de man te komen. Wanneer dit in een beschikking kan worden gewaarborgd, adviseert de vertegenwoordiger namens de Raad dat er een eindbeschikking wordt gegeven.
Schorsing van de behandeling
In vervolg op het standpunt en het advies van de Raad heeft de rechtbank de behandeling op zitting voor een korte tijd geschorst om partijen en hun advocaten de gelegenheid te bieden tot het voeren van overleg. Na de hervatting van de zitting is namens de man aangegeven dat deze zijn verzoek niet intrekt. Hoewel de voorkeur van de man ligt bij de aanhouding van de zaak verzoekt hij, wanneer de rechtbank een beschikking geeft, aan te sluiten bij het advies van de Raad en daarin op te nemen dat partijen het traject bij [zorgaanbieder] voortzetten.
De advocaat van de vrouw heeft gesteld dat bezien kan worden of er ruimte is voor een uitbreiding van het contact tussen de man en de kinderen maar dat daarop niet alle focus zal liggen. [minderjarige 1] zal starten met therapie, die veel van haar gaat vragen. Van belang is dat haar ook rust gegund wordt.
De overwegingen
Op de verzoeken van partijen zijn de artikelen 1:253a en 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing.
In artikel 1:377e BW staat dat de rechtbank op verzoek van een ouder/de ouders een bestaande zorgregeling kan veranderen als de omstandigheden zijn veranderd of als de rechtbank die regeling heeft vastgesteld op grond van onjuiste of onvolledige gegevens.
Uit de stukken en uit de behandeling op zitting staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat er sprake is van relevant gewijzigde omstandigheden. In voormeld ouderschapsplan van 12 december 2017, gehecht aan de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 22 december 2017, zijn de ouders onder andere een zorg- en contactregeling met elkaar overeengekomen. Nadien, te weten op 3 februari 2022, zijn partijen een wijziging hiervan met elkaar overeengekomen. De rechtbank constateert dat door partijen er al geruime tijd niet of nauwelijks uitvoering meer gegeven wordt aan de zorg- en contactregeling op de manier zoals deze is opgenomen in voormeld (gewijzigd) ouderschapsplan. Partijen kunnen daarom in hun verzoeken worden ontvangen. De ontvankelijkheid is over en weer ook niet betwist.
Aan de beoordeling van de rechtbank ligt vervolgens voor de vraag of de verzoeken kunnen worden toegewezen. In artikel 1:253a BW staat dat de rechter een beslissing moet nemen die zij het meest in het belang vindt van het kind. De rechter moet eerst bekijken of de ouders met elkaar afspraken kunnen maken (artikel 1:253a lid 5 BW).
De rechtbank overweegt hiertoe dat de standpunten van partijen verdeeld blijven. Met inachtneming van hun reacties daarop kunnen partijen echter instemmen met het advies van de Raad. De rechtbank is van oordeel dat het belang van beide kinderen vraagt om dit advies te volgen. Bij beide kinderen is er sprake van kindeigen problematiek. Dit brengt met zich mee dat zij meer dan gemiddeld behoefte hebben aan rust, duidelijkheid en structuur.
Daarbij komt dat het onduidelijk is wanneer [minderjarige 1] wel ruimte voelt om contact met de man aan te gaan en hoe lang dat traject in beslag zal nemen. [minderjarige 1] zal starten met therapie om te komen tot traumaverwerking. Nog niet helder is wanneer deze kan starten en daarnaast is het afhankelijk van de ontwikkeling van [minderjarige 1] hierin, wanneer deze kan worden afgerond. De contactopbouw met [minderjarige 2] verloopt op dit moment goed maar niet duidelijk is hoeveel ruimte hierin nog is. Gelet hierop is het toewijzen van het primaire verzoek van de man niet in het belang van beide kinderen. Hiermee wordt [minderjarige 1] de rust gegund om zich goed te kunnen concentreren op de therapie.
De rechtbank komt wel tot de toewijzing van het subsidiaire verzoek van de man. Het contact tussen hem en [minderjarige 2] is inmiddels opgebouwd tot eenmaal per twee weken op zaterdag gedurende zes uren. Dit contact verloopt goed en onbelast voor [minderjarige 2] . De vrouw geeft [minderjarige 2] ook haar emotionele toestemming om dit contact aan te gaan. De rechtbank zal deze regeling daarom vaststellen als na te melden zodat dit contact kan worden voortgezet. Wanneer er bij [minderjarige 2] ruimte is tot een verdere uitbreiding van deze regeling gaat de rechtbank ervan uit dat partijen hiertoe in onderling overleg afspraken kunnen maken. Daarbij dienen partijen de behoefte van [minderjarige 2] aan rust en voorspelbaarheid voor ogen te blijven houden. Dit hoeft echter niet aan een uitbreiding in de weg te staan zolang de man hiermee rekening houdt en hij daarop anticipeert zodat het contact voor [minderjarige 2] onbelast kan blijven verlopen.
Tot slot merkt de rechtbank op dat zij van partijen verwacht dat zij het ingezette traject bij [zorgaanbieder] zullen voortzetten. De inzet van partijen daarin is van groot belang om de huidige positieve lijn verder uit te kunnen zetten en te kunnen garanderen.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Proceskosten
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kinderen gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.
5. De beslissing
De rechtbank
wijzigt voormelde beschikking van 12 december 2017 en het daaraan gehechte ouderschapsplan ten aanzien van de zorg- en contactregeling als volgt:
bepaalt dat de man en [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar éénmaal per twee weken op zaterdag gedurende zes uren, met inachtneming van hetgeen hiervoor in 3.9.3. is overwogen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bogaert, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026 in aanwezigheid van Dekkers, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.