1 Het procesverloop
2 Het verzoek
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/445448 FA RK 26-1021
datum uitspraak 21 april 2026
beschikking betreffende voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A.M.C.J. Dekkers-de Jong,
en
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. W.C.G.M. van Hoof.
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 26 februari 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlage 1;
- het op 8 april 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk zelfstandig verzoek met bijlagen 1 tot en met 12;
- de brief van mr. Dekkers-de Jong van 10 april 2026 met bijlagen 2 tot en met 8.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 13 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.
De vrouw verzoekt, samengevat,
- het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning en de zich daarin bevindende inboedel en bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze niet verder mag betreden, behoudens met haar instemming;
- toevertrouwing van de minderjarigen aan haar, met bevel tot afgifte van de minderjarigen indien zij niet reeds in de macht van de vrouw zijn;
- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen van € 500,= per maand per kind met ingang van de datum waarop het verzoekschrift in deze zaak is ingediend;
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor haar van
€ 1.000,= per maand.
De man verzoekt, samengevat, voorwaardelijk, namelijk voor het geval de rechtbank een ordemaatregel ter zake van het gebruik van de woning en de zorgverdeling aangewezen acht, te bepalen dat:
- dat sprake zal zijn van een birdnestregeling in de echtelijke woning aan [adres] te [woonplaats] ,
- primair waarbij de man en de vrouw wisselend om beurten een hele week voor de kinderen zorgen, van vrijdag einde schooltijd tot vrijdag einde schooltijd;
- subsidiair waarbij de man voor de kinderen zorgt in de ene week van donderdagmiddag einde schooltijd tot maandag aanvang schooltijd en in de andere week van maandag einde schooltijd tot woensdagochtend aanvang school en van donderdag einde schooltijd tot vrijdag 19.00 uur en de vrouw de overige tijd voor de kinderen zorgt;
- de man gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning gedurende de tijd dat de kinderen volgens de voorlopige zorgregeling bij de man zijn en de vrouw gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de woning gedurende de tijd dat de kinderen volgens de voorlopige zorgregeling bij de vrouw zijn.
3. De feiten
Partijen zijn op [datum] 2009 in Goirle met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.
Binnen dit huwelijk zijn drie minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2020;
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2013;
3. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2010.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
De echtelijke woning is gemeenschappelijk eigendom van partijen en ligt aan [adres] te [woonplaats] .
Partijen hebben beiden de Nederlandse en Armeense nationaliteit.
4. De beoordeling
Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
Vanwege de nationaliteiten van partijen heeft de zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten. De rechtbank heeft die ambtshalve beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat haar rechtsmacht toekomt en dat zij naar Nederlands recht dient te beslissen op de verzoeken.
Verzoeken in geschil
Partijen zijn verdeeld gebleven over:
- het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning,
- de toevertrouwing van de minderjarigen,
- de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken,
- de bijdrage voor de minderjarigen,
- de bijdrage voor de vrouw.
Toevertrouwing van de minderjarigen, zorgregeling en woning
De vrouw verzoekt de kinderen aan haar toe te vertrouwen en te bepalen dat zij met uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en de zich daarin bevindende inboedel en de man te bevelen die woning te verlaten. De vrouw verzoekt tevens vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de man en de kinderen, waarbij de kinderen eens per twee weken gedurende een weekend van vrijdag uit school (13.00 uur) tot zondagavond 19.00 uur bij de man zullen verblijven.
De man voert gemotiveerd verweer en stelt dat er geen spoedeisend belang is om een voorlopige voorziening te treffen voor het gebruik van de woning, gelet op de verstrekkende gevolgen die dit voor het onderhouden van de onderlinge band voor de man en de kinderen zal hebben. Indien de rechtbank van oordeel is dat sprake is van een situatie waarvoor ten aanzien van het gebruik van de woning en de zorgverdeling wel een voorlopige voorziening moet worden getroffen, verzoekt hij een birdnestregeling te bepalen, waarbij de zorg voor de kinderen tussen partijen wordt gedeeld en partijen beurtelings gebruik maken van de woning.
De rechtbank zal eerst beslissen of er voldoende spoedeisend belang is om voorlopige voorzieningen te treffen. Partijen zijn het met elkaar eens dat de verstandhouding tussen hen niet goed is en dat er spanningen zijn. Volgens de vrouw heeft zich in de woning recent een incident tussen partijen voorgedaan, waarbij zij door de man en zijn broer is bedreigd. Zij heeft daarvoor de politie ingeschakeld, die vervolgens bij haar in huis is geweest. Daarnaast heeft de man een airtag in haar auto laten bevestigen om haar te kunnen volgen. Zij voelt zich vanwege deze gebeurtenissen ernstig door de man bedreigd. Het is voor haar onmogelijk om nog samen met de man in de woning te wonen en te doen alsof er niets aan de hand is, ook nu zij ervan op de hoogte is dat de man een relatie heeft met een ander.
De man heeft erkend dat er tussen partijen iets is voorgevallen en dat de politie in de woning aanwezig is geweest. Tijdens de zitting heeft hij verklaard dat de aanleiding voor het politiebezoek niet een incident tussen partijen was, maar een aangifte van een derde tegen de vrouw. Vanwege de slechte verstandhouding tussen partijen heeft hij in de afgelopen periode
zoveel weinig mogelijk in de woning verbleven en heeft hij de communicatie met de vrouw tot een minimum beperkt. Er is volgens de man echter geen sprake van een onhoudbare situatie in de woning en van onoverkomelijke spanningen tussen partijen die de door de vrouw verzochte ordemaatregelen rechtvaardigen.
Uit de stukken en tijdens de zitting is voldoende gebleken dat er tussen partijen te veel spanningen bestaan om de huidige situatie te kunnen laten voortduren. Het is niet uitgesloten dat de kinderen de spanningen tussen ouders meekrijgen en voelen. Dit kan belastend zijn voor hen en daarom moet zoveel voorkomen worden dat zij met deze spanningen worden geconfronteerd.
Gebleken is dat de man nadat hij eind december 2025 de woning heeft verlaten, begin januari 2026 naar de woning is teruggekeerd en op 20 februari 2026 weer is vertrokken. Volgens de vrouw is de man tegen haar zin naar de woning teruggekeerd en is het voor haar onduidelijk of de man op enig moment weer zal willen terugkeren. Aannemelijk is dat deze situatie tussen partijen spanningen veroorzaakt. Daar komt bij dat alhoewel de woning zich volgens de man goed leent voor gezamenlijke bewoning door partijen, omdat de woning twee aparte ingangen heeft en drie woonlagen, aannemelijk is dat partijen elkaar niet altijd kunnen ontlopen. Voor de kinderen is het van belang dat er rust en duidelijkheid komt. Dit betekent dat voorlopige voorzieningen nodig zijn en dat de rechtbank deze zal treffen.
De rechtbank zal vervolgens de verzoeken van de vrouw inzake het uitsluitend gebruik van de woning, de zorgverdeling en de toevertrouwing van de kinderen beoordelen en het verzoek van de man een birdnestregeling te bepalen met een regeling voor het afwisselend uitsluitend gebruik van de woning.
De rechtbank is van oordeel dat het belang van de kinderen bij het kunnen blijven wonen in hun vertrouwde omgeving voorop staat en zal de man daarom volgen in zijn verzoek een birdnestregeling te bepalen. De rechtbank legt uit waarom zij deze beslissing neemt. Birdnesting houdt in dat de kinderen in de woning en daarmee in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven en dat zij daar beurtelings worden verzorgd door een van beide ouders. De rechtbank acht het voor een evenwichtige en stabiele ontwikkeling van de kinderen van belang dat beide partijen een actieve en betrokken ouderrol voor de kinderen vervullen. Dat binnen het huwelijk van partijen sprake was van een traditionele rolverdeling tussen partijen waarbij de man hoofdkostwinner was en de vrouw voor de kinderen en het huishouden zorgde, maakt niet dat binnen de nieuwe situatie die door de echtscheiding ontstaat, de man geen grotere rol in de zorg voor de kinderen op zich kan gaan nemen. De rechtbank heeft in haar afweging meegenomen dat de man onweersproken heeft gesteld dat hij tijdens het huwelijk de zorg voor de kinderen op zich nam als de vrouw van huis was voor een vakantie. Er zijn ook geen aanwijzingen dat een van partijen niet in staat zou zijn om voor de kinderen te zorgen. Partijen hebben elkaars opvoedkwaliteiten niet in twijfel getrokken. Wel heeft de vrouw zorgen uitgesproken of de man beschikbaar zal zijn voor de zorg van de kinderen gezien zijn werk. De man heeft ter zitting onweersproken verklaard dat hij als zelfstandig ondernemer zelf zijn werktijden kan en zal aanpassen aan de zorg voor de kinderen. Om ook de man een actieve en betrokken ouderrol te kunnen laten vervullen acht de rechtbank een birdnestregeling waarbij de man voor de kinderen zorgt in de ene week van donderdagmiddag einde schooltijd tot maandag aanvang schooltijd en in de andere week van maandag einde schooltijd tot woensdagochtend aanvang school en waarbij de vrouw de overige tijd voor de kinderen zorgt het meest in het belang is van de kinderen. Bij deze birdnestregeling is de man niet alleen in de gelegenheid om leuke dingen met de kinderen te ondernemen, maar is hij ook in staat om verzorgende en opvoedende taken te verrichten. De rechtbank schat in dat deze regeling voor meer rust zal zorgen. De spanningen tussen partijen doen zich met name voor als zij samen in de woning zijn. Bij de uitvoering van deze birdnestregeling hoeven zij de woning niet te betreden als de ander in de woning verblijft. De overdracht van de kinderen zal immers via school verlopen. Het ontstaan van spanningen tussen partijen in aanwezigheid van de kinderen wordt in deze regeling tot een minimum beperkt. De rechtbank is tot slot van oordeel dat deze birdnestregeling ook in het belang is van de relatie tussen [minderjarige 3] en de man.
De uitbreiding van de week waarin de man de zorg voor de kinderen heeft van maandag einde schooltijd tot woensdagochtend aanvang school met de donderdag einde schooltijd tot vrijdag 19.00 uur brengt naar het oordeel van de rechtbank teveel reisbewegingen en daarmee onrust voor de kinderen en partijen mee. De rechtbank volgt het verzoek van de man op dit onderdeel daarom niet. Voor de vrouw zou de door de man verzochte regeling betekenen dat zij voor één dag naar haar ouders in [plaats] moet reizen, nu zij voor vervangende woonruimte is op een verblijf bij hen is aangewezen. Met de birdnestregeling die de rechtbank zal bepalen wordt ook tegemoet gekomen aan de wens van de vrouw om haar ondernemingsactiviteiten in de woning verder uit te bouwen op de momenten dat zij in de woning verblijft. Van de man zal deze birdnestregeling vergen dat hij zijn werktijden zodanig inricht dat hij voor de dagen en momenten waarop hij verantwoordelijk is voor de verzorging en opvoeding hij daadwerkelijk voor de kinderen beschikbaar is.
Nu de rechtbank een birdnestregeling zal bepalen betekent dit dat partijen de woning beurtelings moeten kunnen gebruiken met uitsluiting van het gebruik door de ander. De rechtbank zal het daartoe strekkende verzoek van de man toewijzen. De rechtbank gaat er vanuit dat partijen de woning vanuit respect voor elkaar gebruiken en schoon en netjes achterlaten op de wisselmomenten. Het uitsluitend gebruik van de woning door alleen de vrouw, waarbij de man de woning moet verlaten is niet meer aan de orde, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.
Het verzoek van de vrouw te bepalen dat de kinderen aan haar worden toevertrouwd zal worden toegewezen. Het zwaartepunt van de zorg voor de kinderen ligt ook in de te bepalen birdnestregeling bij de vrouw. De man heeft bovendien geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw.
Nu de kinderen bij deze beschikking aan de vrouw worden toevertrouwd, heeft zij van rechtswege, op grond van artikel 812 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, het recht de kinderen aan haar te doen afgeven. Een afzonderlijk bevel daartoe is dan ook overbodig.
Kinderalimentatie en partneralimentatie
Grondslag
De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij en de kinderen behoefte hebben aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat de man de financiële draagkracht heeft die te voldoen. De man voert verweer.
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Kinderalimentatie
Behoefte van de kinderen
De man stelt dat de behoefte van de kinderen € 504,= per maand per kind bedraagt.
De vrouw heeft tijdens de zitting verklaard dat zij de indruk heeft dat de behoefte van de kinderen hoger is dan dit bedrag. In het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure is zij ermee akkoord dat voor de behoefte van de kinderen van een bedrag van € 504,= per maand per kind wordt uitgegaan. De rechtbank zal als behoefte van de kinderen daarom een bedrag van € 504,= per maand per kind in aanmerking nemen.
Draagkracht van de vrouw
Vervolgens moet worden berekend wat het aandeel van partijen is in de behoefte van de kinderen. Dit wordt ook de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. De rechtbank sluit daarvoor aan bij ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI). De draagkracht van partijen wordt daarna vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in de eerder genoemde aanbevelingen.
De vrouw werkt als zelfstandig ondernemer in haar [eenmanszaak] . Tussen partijen staat vast dat zij deze onderneming recent is gestart. Partijen twisten over de vraag welk inkomen de vrouw uit deze onderneming geniet. Volgens de vrouw genereert zij pas sinds januari 2026 inkomen uit deze onderneming en heeft zij in de maanden januari en februari 2026 € 465,= netto per maand aan inkomen genoten. De man stelt dat haar inkomen uit onderneming op dit moment gemiddeld € 700,= netto per maand bedraagt en dat zij in aanmerking komt voor een kindgebonden budget.
De rechtbank constateert dat de vrouw anders dan de man betoogt niet in aanmerking zal komen voor een kindgebonden budget. Nu haar verzoek tot het uitsluitend gebruik van de woning zal worden afgewezen, zal zij zolang partijen beiden op het adres van de gemeenschappelijke woning ingeschreven staan niet als alleenstaande ouder kunnen worden aangemerkt. Los daarvan stelt de rechtbank vast dat ook als wordt uitgegaan van een inkomen van € 700,= netto per maand, dit inkomen dusdanig gering is dat dit ver onder het bijstandsniveau ligt. De rechtbank ziet daarom aanleiding om in het kader van deze procedure aan te nemen dat de vrouw, die in de vast te stellen birdnestregeling hoofdverzorgende van de kinderen blijft, geen draagkracht heeft en dus geen financieel aandeel kan leveren in de kosten van de kinderen.
Draagkracht man
De man werkt als zelfstandig ondernemer in zijn onderneming [bedrijf] .
Hij stelt dat voor de becijfering van zijn draagkracht moet worden uitgegaan van de te verwachten winst uit onderneming in 2026 van € 55.586,=. In deze prognose is rekening gehouden met het verlies van twee opdrachtgevers. De omzet en de winst uit onderneming zijn gedaald en zullen de komende maanden verder dalen als gevolg van een recente opzegging van de vervoersovereenkomst door zijn grootste opdrachtgever [opdrachtgever 1] en door zijn opdrachtgever [opdrachtgever 2] . Zijn vervoerswerkzaamheden voor [opdrachtgever 1] zullen door middel van een afbouwregeling op 12 juli 2026 definitief eindigen. De vervoerswerkzaamheden voor [opdrachtgever 2] stoppen voor twee routes per 1 mei 2026.
De vrouw betwist dat voor de becijfering van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van een winst uit onderneming van € 55.586,=. De man geeft volgens de vrouw een verkeerde voorstelling van zaken en houdt bewust zijn financiële gegevens achter. Hij heeft een goedlopend bedrijf en partijen hebben altijd zeer ruim geleefd. Zij stelt zich primair op het standpunt dat haar verzoek tot vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve de kinderen van € 500,= per maand met kind bij gebrek aan financiële gegevens en onderbouwing van de zijde van de man moet worden toegewezen. Subsidiair stelt de vrouw zich op het standpunt dat voor de becijfering van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van de winst uit onderneming van 2021 van € 108.589,=. Meer subsidiair stelt de vrouw zich op het standpunt dat moet worden uitgegaan van een bedrijfsresultaat van € 85.551,92 per jaar. De gemiddelde omzet over de maanden februari tot en met april 2026 bedraagt volgens de vrouw in totaal € 21.387,98. Bij deze omzet geëxtrapoleerd naar de omzet over een heel jaar, heeft zij de winst berekend op € 85.551,92 per jaar.
De rechtbank stelt het volgende voorop. In het licht van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan de rechter de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, indien de verplichting van partijen de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren niet wordt nageleefd. Voor de becijfering van het NBI wordt in het algemeen uitgegaan van het gemiddelde bedrijfsresultaat over de laatste drie jaren, in dit geval over de jaren 2023, 2024 en 2025. De man heeft enkel een financieel jaarverslag van zijn onderneming 2021 overgelegd en een resultaatsprognose van 2026. Van de jaren 2022 tot en met 2025 heeft de man geen enkel financieel stuk overgelegd, zoals jaarstukken of IB-aangiftes. Het lag op de weg van de man om zijn stellingen ten aanzien van zijn draagkracht te onderbouwen met financiële bescheiden. Dat heeft de man nagelaten. De man heeft met de overgelegde stukken voor de rechtbank niet inzichtelijk gemaakt wat zijn inkomen in de afgelopen jaren is geweest. Hij heeft volstrekt onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële situatie, zodat de rechtbank deze niet kan beoordelen. Als reden voor het niet overleggen van de jaarstukken over de afgelopen jaren geeft de man aan dat zijn voormalige boekhouder jarenlang ernstig tekort is geschoten in de boekhouding van de onderneming en dat de cijfers over de afgelopen jaren niet kloppen. Zijn huidige boekhouder heeft nog een behoorlijke tijd nodig om de boekhouding van de onderneming over de afgelopen jaren weer op orde te krijgen. Wat hier ook van zij, gelet op zijn wettelijke onderhoudsverplichting jegens de kinderen en de vrouw lag het op de weg van de man om in ieder geval een reële schatting van de omzet en het bedrijfsresultaat van zijn onderneming over de jaren 2023 tot en met 2025 in het geding te brengen, waarmee de rechtbank kan rekenen. Ook tijdens de zitting kon de man de vragen van de rechtbank over de omzet en het bedrijfsresultaat over de afgelopen jaren niet beantwoorden. Verder roept de prognose van 2026 veel vragen op, die ook tijdens de zitting onbeantwoord zijn gebleven. De man heeft weliswaar verklaard dat de omzetdaling in 2026 wordt veroorzaakt door het wegvallen van twee opdrachtgevers, maar hij heeft tijdens de zitting niet concreet kunnen toelichten wat nu precies de gevolgen hiervan zijn voor de omzet en hoe groot deze omzetdaling is ten opzichte van de omzet van zijn onderneming in de daaraan voorafgaande jaren. De rechtbank komt tot de conclusie dat zij door de man onvoldoende in staat is gesteld om de draagkracht van de man te kunnen berekenen en dat dit geheel voor risico komt van de man. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de man de draagkracht heeft om € 500,= per maand per kind te betalen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage vaststellen op € 500,= per maand per kind. Nu de man de door de vrouw verzochte ingangsdatum voor de onderhoudsverplichting niet heeft weersproken, zal de rechtbank voornoemde de door de man verschuldigde onderhoudsbijdrage vaststellen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift (26 februari 2026).
Partneralimentatie
De man betwist de behoefte van de vrouw aan een bijdrage. Bovendien betwist hij de
financiële draagkracht te hebben tot betaling van bijdrage.
Voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen. Voor de bepaling van dat gezinsinkomen zijn de inkomens van partijen in 2025, zijnde het laatste volledige jaar voor het uiteengaan, uitgangspunt.
De vrouw stelt dat zij tijdens het huwelijk nagenoeg niet heeft gewerkt. Uit haar onderneming heeft zij pas sinds januari 2026 enige inkomsten, die € 465,= netto per maand bedragen.
De man heeft de rechtbank zoals is overwogen in rechtsoverweging 4.20 niet in staat gesteld om zijn huidige NBI en zijn draagkracht te berekenen. Datzelfde geldt voor het becijferen van zijn NBI in 2025, zodat de rechtbank ook niet in staat is om het NBGI van partijen ten tijde van de samenleving en de huwelijksgerelateerde en eventuele aanvullende behoefte van de vrouw te berekenen. Op dezelfde gronden als overwogen in de eerder genoemde rechtsoverweging komt de rechtbank tot de conclusie dat dit geheel voor risico van de man dient te komen. De rechtbank zal er daarom in het kader van deze procedure, waarin het gaat om een ordemaatregel voor de duur van de echtscheidingsprocedure, ervan uit gaan dat de man de draagkracht heeft om naast de te betalen kinderalimentatie van
€ 500,= per maand per kind een onderhoudsbijdrage aan de vrouw te voldoen van € 1.000,= per maand. Dit betekent dat ook de beoordeling van het geschilpunt of de vrouw een verdiencapaciteit heet van tenminste € 2.000,= per maand, achterwege kan blijven.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen onderhouds- bijdrage voor de vrouw vaststellen op € 1.000,= per maand.
5. De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat aan de vrouw worden toevertrouwd de minderjarige
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2020;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2013;
- [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2010;
bepaalt dat de man en genoemde minderjarigen en de vrouw en genoemde minderjarigen in het kader de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar volgens de volgende birdnestregeling:
- in de ene week zorgt de man voor de minderjarigen van donderdagmiddag einde schooltijd tot maandag aanvang schooltijd;
- in de andere week zorgt de man voor de minderjarigen van maandag einde schooltijd tot woensdagochtend aanvang school;
- in de overige dagen van die weken zorgt de vrouw voor de minderjarigen;
bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, daarbij inbegrepen de inboedelgoederen, gelegen aan [adres] te [woonplaats] , gedurende de tijd dat de minderjarigen volgens voornoemde birdnestregeling bij hem zijn en beveelt de vrouw die woning voor die periodes te verlaten en deze verder niet te betreden;
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, daarbij inbegrepen de inboedelgoederen, gelegen aan [adres] te [woonplaats] , gedurende de tijd dat de minderjarigen volgens voornoemde birdnestregeling bij haar zijn en beveelt de man die woning voor die periodes te verlaten en deze verder niet te betreden;
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen met ingang van 26 februari 2026 wordt vastgesteld op € 500,= (vijfhonderd euro) per maand per kind, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor het levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking wordt vastgesteld op € 1.000,= (duizend euro) per maand, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, en, in tegenwoordigheid van mr. Molema, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.