RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446889 / JE RK 26-608
Datum uitspraak: 17 april 2026
(Nadere) beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. de Houck uit Terneuzen.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1. Het (verdere) verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de (spoed)beschikking van de kinderrechter van 7 april 2026 en alle daarin genoemde stukken.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] ;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover voorafgaand aan de mondelinge behandeling een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Gelet op de nauwe samenhang van het onderhavig verzoek met de verzoeken van de Raad omtrent een voorlopige ondertoezichtstelling en een (spoed)machtiging gesloten plaatsing, bij de rechtbank bekend onder zaaknummers C/02/446812 / JE RK 26-589 en C/02/446816 / JE RK 26-590, zijn de verzoeken gezamenlijk behandeld. Er wordt per separate beschikking beslist.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 oktober 2020 [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 23 oktober 2020 en tot 23 april 2021. De maatregel is laatstelijk verlengd tot 23 juli 2024.
Bij beschikking van de kinderrechter van 6 april 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 6 april 2026 en tot 20 april 2026. Bij beslissing van heden (17 april 2026) is het resterende deel van het verzoek tot de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] toegewezen tot 6 juli 2026.
Bij beschikking van de kinderrechter van 6 april 2026 is tevens een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 6 april 2026 en tot 20 april 2026. Bij beslissing van heden (17 april 2026) is de op 6 april 2026 afgegeven spoedmachtiging gesloten plaatsing herroepen en is het verzoek om een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp te verlenen met ingang van heden alsnog afgewezen. Ook is het resterende deel van het verzoek tot het verlenen van een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp en het verzoek tot het verlenen van een reguliere machtiging gesloten jeugdhulp afgewezen.
Bij beschikking van de kinderrechter van 7 april 2026 is een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 7 april 2026 en tot 20 april 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot de mondelinge behandeling van heden.
[minderjarige] verblijft op grond van de laatstgenoemde machtiging bij [crisisgroep] .
3. Het verzoek
De GI verzoekt een spoedmachtiging te verlenen om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. Daarnaast verzoekt de GI om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot aan meerderjarigheid. De GI verzoekt bovendien de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Aan de orde is de vraag of er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die aanleiding geven voor herroeping van de spoedbeschikking van 7 april 2026 met ingang van heden, en het resterende deel van bovengenoemd verzoek, te weten het restant van het verzoek tot het verlenen van een spoedmachtiging uithuisplaatsing voor de periode met ingang van 20 april 2026 en tot 5 mei 2026, alsmede het verzoek om aansluitend een machtiging uithuisplaatsing te verlenen tot aan meerderjarigheid.
4. De standpunten
De GI handhaaft haar verzoek omtrent de (spoed)machtiging uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Het gaat goed met [minderjarige] bij [crisisgroep] . Hij houdt zich aan de afspraken en is goed bereikbaar voor de GI. Het contact tussen de GI en de moeder is ook goed. [minderjarige] is voornemens om mee te blijven werken aan een plaatsing op een open groep. De GI heeft er vertrouwen in dat hij zich hieraan zal houden. Voorts licht de GI toe dat zij oog heeft voor het feit dat [minderjarige] bijna achttien wordt. Zij zal dan ook de komende periode onderzoeken wat haalbaar is voor hij achttien wordt.
[minderjarige] vertelt tijdens het gesprek met de kinderrechter, samengevat, dat hij op 6 april 2026 boos was, omdat de moeder hem aan zijn haren trok en zijn stiefvader hem in zijn buik schopte. Hij heeft niemand geslagen. De broer van [minderjarige] viel hem ook ineens aan. [minderjarige] is het ermee eens dat hij door deze escalatie niet thuis kon blijven. Het gaat goed bij [crisisgroep] . Hij houdt zich aan de regels. Maandag heeft [minderjarige] een intake bij [hulpverlening] . Hij staat achter een plaatsing op een open groep. Verder vertelt [minderjarige] dat hij weer goed contact heeft met de moeder. [minderjarige] weet tot slot nog niet zo goed wat hij wil doen als hij achttien wordt, maar hij zou graag het werk weer willen oppakken.
Tijdens de mondelinge behandeling wordt namens [minderjarige] verklaard dat hij het eens is met het verzoek tot de machtiging uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. [minderjarige] wil immers niet naar huis en vindt een plaatsing op een open groep de beste optie.
Door en namens de moeder wordt geen verweer gevoerd tegen het verzoek. De moeder is het eens met een plaatsing van [minderjarige] op een open groep. Het is van belang dat [minderjarige] op een goede plek terechtkomt en dat een duidelijk plan van aanpak wordt opgesteld voor als [minderjarige] achttien wordt. De moeder wil ook graag dat [minderjarige] hulp krijgt.
De Raad kan zich vinden in het verzoek van de GI omtrent de machtiging uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Op basis van het bepaalde in artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op diens verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Spoedbeslissing machtiging uithuisplaatsing
De kinderrechter moet allereerst beoordelen of de spoedbeslissing al dan niet moet worden herroepen. Bij beschikking van deze rechtbank van 7 april 2026 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 7 april 2026 en tot 20 april 2026. Deze beschikking is gewezen zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn tijdens de mondelinge behandeling op 17 april 2026 in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.
De kinderrechter dient in beginsel te beoordelen of er nieuwe feiten dan wel omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 7 april 2026 zou moeten worden herroepen. Op basis van de mondelinge behandeling en overgelegde stukken is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken dat er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven tot herroeping. Deze spoedbeslissing dient daarom zijn werking te behouden.
Nu de kinderrechter het verzoek van de GI tot het verlenen van een aansluitende machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder zal beoordelen, wijst zij het resterende deel van het spoedverzoek af.
Inhoudelijke beoordeling resterende deel verzoek
Op basis van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. Dit licht de kinderrechter als volgt toe.
De kinderrechter stelt vast dat er veel zorgen zijn om [minderjarige] . Op 6 april 2026 heeft een ernstige escalatie plaatsgevonden in de thuissituatie van [minderjarige] , waarbij sprake was van verbale en fysieke agressie en dreigend gedrag vanuit [minderjarige] . Hiervoor is vervolgens de politie ter plaatse gekomen en is [minderjarige] meegenomen naar het politiebureau. Er was sprake van gevaar voor alle gezinsleden, waaronder kinderen van zeer jonge leeftijd. Daarnaast is het gebleken dat [minderjarige] het gezag van de moeder niet accepteert en sociaal-emotioneel en cognitief zeer kwetsbaar is. Hij is niet meer welkom binnen zijn eigen netwerk en liep regelmatig weg, hetgeen maakt dat hij al meerdere nachten over straat heeft gezworven. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige] , gelet op voornoemde zorgen, (nog) niet naar huis kan. Het gaat goed met [minderjarige] bij [crisisgroep] en hij houdt zich aan de regels. [minderjarige] is momenteel ook gemotiveerd om mee te werken aan een plaatsing op een open groep, zoals [hulpverlening] . Hij is tevens goed in contact met de GI. Een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder biedt [minderjarige] een veilige, gestructureerde en stabiele opvoedomgeving. Dit maakt dat zijn plaatsing binnen een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder moet worden gecontinueerd. Het is van belang dat de komende periode door de GI meer zicht wordt verkregen op de mogelijkheden bij de moeder, [minderjarige] en zijn opvoedomgeving. Ook dient de GI passende hulpverlening voor [minderjarige] in te zetten en te onderzoeken wat er nodig is om [minderjarige] voor te bereiden op zelfstandigheid, gelet op het feit dat hij binnen een korte periode achttien jaar zal worden.
De kinderrechter verlengt, gelet op het voorgaande, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 20 april 2026 en tot 6 juli 2026. Het overige deel van het verzoek wijst de kinderrechter af, nu [minderjarige] voorlopig onder toezicht is gesteld van de GI tot 6 juli 2026.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 20 april 2026 en tot 6 juli 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 4 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.