RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
vonnis
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
zaaknummer: C/02/446959 / KG ZA 26-189
datum uitspraak: 17 april 2026
Vonnis in kort geding
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat: mr. A. van Tol-Macharoblishvili te Tilburg,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. J. Koenen te Rotterdam.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg, hierna te noemen: de GI.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties.
Vanwege de spoedeisendheid van de zaak is op 17 april 2026 mondeling vonnis gewezen. Dit mondeling vonnis is schriftelijk bevestigd op 17 april 2026 in een zogenaamd kop-staart vonnis. Hierna zullen (mede) de overwegingen van dat vonnis worden aangevuld.
De voorzieningenrechter heeft de zaak op de zitting van 17 april 2026 met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast zijn twee vertegenwoordigers verschenen namens de GI en een vertegenwoordiger namens de Raad.
2. De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021.
De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw.
Bij beschikking van 19 juni 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van 15 december 2025 is de ondertoezichtstelling laatstelijk verlengd tot 19 december 2026.
3. Het geschil
De man vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a. de vrouw te bevelen om mee te werken c.q. uitvoering te geven aan de vakantieregeling in het ouderschapsplan van 22 oktober 2024, waarbij [minderjarige] tijdens de meivakantie van 20 april 2026 tot en met 30 april 2026 bij de man is, althans een zodanige omgangsregeling vast te stellen als de voorzieningenrechter passend acht;
b. te bepalen dat de vrouw ten profijte van de man een dwangsom zal verbeuren van € 500,- per dag dat de vrouw met de naleving van het vonnis in gebreke blijft, met een maximum van € 100.000,-;
c. de vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder begrepen het salaris van de advocaat van de man.
De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man in conventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn vorderingen, dan wel tot afwijzing van die vorderingen. Ook verzoekt zij de man (in conventie) te veroordelen in de proceskosten.
In reconventie vordert de vrouw bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. een voorlopige verdeling van de meivakantie vast te leggen, inhoudende dat:
- [minderjarige] verblijft van maandag 20 april 2026 vanaf 9:00 uur tot en met woensdag 22 april 2026 10:00 uur bij de vrouw, waarbij de vrouw [minderjarige] ophaalt bij de man;
- [minderjarige] verblijft van woensdag 22 april 2026 vanaf 14:00 uur tot en met maandag 27 april 2026 10:00 uur bij de man;
- [minderjarige] verblijft van maandag 27 april 2026 vanaf 10:00 uur tot en met donderdag 30 april 2026 10:00 uur bij de vrouw, waarbij de vrouw [minderjarige] ophaalt bij de man;
- [minderjarige] verblijft van donderdag 30 april 2026 tot en met maandag 4 mei 2026 voor school bij de man.
II. dan wel een voorlopige verdeling van de meivakantie vast te leggen die de voorzieningenrechter in het belang [minderjarige] acht;
III. de man te veroordelen in de proceskosten.
4. De standpunten
Door en namens de man wordt aangevoerd dat in het op 22 oktober 2022 door partijen ondertekende ouderschapsplan onder andere is opgenomen dat tijdens de meivakantie de vaste zorgregeling geldt, tenzij een van de ouders vakantie wil met [minderjarige] . In de even jaren heeft de man de eerste keus voor in de meivakantie en de vrouw in de oneven jaren. Uiterlijk één maand voorafgaande aan de start van deze vakantie laten partijen aan elkaar weten of zij gebruik maken van de vakantie met [minderjarige] of dat de vaste zorgregeling zal doorlopen. De man heeft de vrouw op 13 maart 2026 een e-mail gestuurd en aangegeven [minderjarige] te willen opvangen tijdens de meivakantie 2026, conform de afspraken in het ouderschapsplan. De man wil tijdens deze dagen [minderjarige] bij zich hebben en vanuit zijn huis dagjes weg en activiteiten plannen. Hij heeft geen hotel of anderszins overnachtingen geboekt. De vrouw heeft hier afwijzend op gereageerd en stelt ten onrechte aanvullende voorwaarden op het contact tussen de man en [minderjarige] .
Ondanks de vele procedures die partijen al hebben gevoerd, ziet de man zich hierdoor genoodzaakt om thans in kort geding nakoming van de regeling rondom de meivakantie te vorderen. De man wil hiermee voorkomen dat hij [minderjarige] ook in de meivakantie niet te zien krijgt. Ook heeft de man er geen vertrouwen in om in onderling overleg met de vrouw afspraken te maken over de komende meivakantie, aangezien partijen gedurende eerdere procedures ook onderling afspraken hebben gemaakt, maar deze vervolgens door de vrouw niet werden nagekomen. De vrouw stelde dan vervolgens toch weer voorwaarden aan de gemaakte afspraken. Het is nu zo dat beide partijen elk een eigen interpretatie hebben van de vakantieregeling zoals opgenomen in het ouderschapsplan. Volgens de man is het nooit de bedoeling geweest van partijen dat zij ook daadwerkelijk op vakantie moeten gaan met [minderjarige] als zij gebruik willen maken van hun recht om een vakantie op te eisen. De vrouw heeft echter altijd geëist dat de man ook daadwerkelijk op vakantie gaat met [minderjarige] zodra hij een vakantie volgens het ouderschapsplan opeiste. Toen de vrouw de herfstvakantie 2025 wilde opeisen conform het ouderschapsplan, heeft de man alleen daarom dezelfde voorwaarde gesteld, namelijk dat de vrouw op vakantie zou gaan met [minderjarige] . Uiteindelijk heeft de GI ten aanzien van de herfstvakantie 2025 een duidelijk standpunt ingenomen.
Door en namens de vrouw wordt aangevoerd dat de man in de dagvaarding op geen enkele manier heeft onderbouwd waarom zij geen medewerking verleend aan het ouderschapsplan. Ook laat de man na te motiveren waarom, in afwijking van het ouderschapsplan, het in het belang van [minderjarige] is dat hij de gehele meivakantie 2026 bij de man verblijft terwijl hij niet met [minderjarige] op vakantie gaat. In tegenstelling tot de man, meent de vrouw dat het wel degelijk de bedoeling is geweest van partijen dat zij ook daadwerkelijk op vakantie (in de zin van niet thuis verblijven) moeten gaan met [minderjarige] , willen zij gebruik maken van hun recht om een vakantie op te eisen zoals in het ouderschapsplan staat. Het ouderschapsplan is na een lang traject bij De GezinsManager tot stand gekomen. Daar is ook expliciet besproken dat je om een vakantie op te eisen ook daadwerkelijk op vakantie moet gaan met [minderjarige] en dus daadwerkelijk een ander verblijfadres hebt dan de eigen woning. De vrouw vindt het opmerkelijk dat de man zich thans niet meer in deze interpretatie kan vinden, aangezien hij ten aanzien van de herfstvakantie 2025 ook nog om bewijs heeft gevraagd dat de vrouw ook daadwerkelijk met [minderjarige] - in voormelde zin - op vakantie zou gaan. De man past het ouderschapsplan selectief toe en wijzigt zijn interpretatie afhankelijk van zijn eigen belang. Indien de vordering van de man wordt toegewezen zal [minderjarige] ongeveer tweeënhalve week bij de man verblijven, veel langer dan dat [minderjarige] gewend is. Volgens de vrouw is de reguliere zorgregeling bij de man al te lang en leidt tot spanning voor [minderjarige] . Daarnaast zou [minderjarige] bij toewijzing van de vordering van de man twee zwemlessen missen. De vrouw acht dit niet in het belang van [minderjarige] . Volgens de vrouw kan het niet zo zijn dat de man eenzijdig en zonder overleg de volledige vakantie opeist, terwijl hij niet op vakantie gaat. De vrouw heeft een voorstel gedaan om de meivakantie te verdelen. Zij heeft de man ook meermaals expliciet verzocht om overleg. Tot teleurstelling van de vrouw meende de man dat er geen overleg nodig was. De vrouw meent dat de vordering van de man tot nakoming van de vakantieregeling onder verbeurte van een dwangsom moet worden afgewezen. Ook de verzochte proceskostenveroordeling dient te worden afgewezen.
Namens de GI wordt aangevoerd dat het erg teleurstellend is dat thans deze procedure moet plaatsvinden omdat partijen discussie hebben over de interpretatie van de vakantieregeling zoals opgenomen in het ouderschapsplan. De man wil de meivakantie 2026 met [minderjarige] invullen. De GI is van mening dat dit conform het ouderschapsplan is en dat het niet aan de vrouw is om de invulling te controleren. In de uitvoering van de ondertoezichtstelling loopt de GI tegen veel problemen aan. Op dit moment wordt zelfs een uithuisplaatsing van [minderjarige] overwogen als er niks veranderd in de houding van partijen.
Namens de Raad wordt aangevoerd dat los van hoe de vakantieregeling is opgenomen in het ouderschapsplan, er ook een gunfactor moet zijn richting [minderjarige] . De gunfactor ontbreekt in deze zaak, maar de gunfactor ontbreekt in alles. In een eerdere beschikking is de regie over het (uitbreiden van het) contact tussen de man en [minderjarige] bij de GI belegd. De Raad adviseert partijen dat als zij er samen niet uitkomen, zij hun geschil aan de GI dienen voor te leggen.
5. De beoordeling in conventie en in reconventie
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van partijen bij hun vorderingen vast. Het geschil heeft immers betrekking op de meivakantie 2026, welke vakantie op 20 april 2026 van start zal gaan.
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
De voorzieningenrechter overweegt dat een ouderschapsplan – zijnde afspraken die partijen weloverwogen zijn overeengekomen - in beginsel moet worden nagekomen. Gebleken is dat partijen thans van mening verschillen over de uitleg van de vakantieregeling in het ouderschapsplan en de betekenis van het woord 'vakantie' in het algemeen, maar ten aanzien van deze procedure expliciet voor de meivakantie in 2026. Bepalend is daarbij niet alleen de letterlijke of taalkundige tekst, maar vooral de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die tekst mochten toekennen en wat zij van elkaar mochten verwachten. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de letterlijke of taalkundige tekst geen verdere duidelijkheid geeft. De uitleg die de man nu geeft aan het woord vakantie, wordt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontkracht door de discussie tussen partijen over de invulling van de herfstvakantie 2025. Uit de door de vrouw overgelegde e-mailwisseling van partijen rondom de herfstvakantie 2025, blijkt dat de man toen de vakantieregeling in het ouderschapsplan interpreteerde/bedoelde op de wijze die de vrouw consequent bepleit, namelijk dat de vrouw daadwerkelijk een vakantie moest boeken met [minderjarige] . De huidige uitleg van de man dat onder vakantie ook het dagjes weggaan vanuit huis zou vallen, past daarin niet. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat “vakantie” voorshands oordelend in dit kort geding niet anders kan worden uitgelegd dan dat de ouder en het kind gedurende de vakantie niet verblijven in de eigen woning. De man heeft thans de meivakantie op juiste wijze opgeëist, maar (vooralsnog) geen plannen om daadwerkelijk op “vakantie” te gaan met [minderjarige] . Indien de man alsnog met [minderjarige] op vakantie gaat zoals door partijen bedoeld in het ouderschapsplan, is hij daartoe gerechtigd.
De vrouw heeft nog gesteld dat de vordering van de man niet kan worden toegewezen omdat dit zou betekenen dat [minderjarige] dan ongeveer tweeënhalve week bij de man verblijft, veel langer dan dat [minderjarige] gewend is, dat de reguliere zorgregeling bij de man al te lang is en leidt tot spanning voor [minderjarige] en tot slot dat toewijzing van de vordering van de man zou betekenen dat [minderjarige] twee zwemlessen mist. Deze verweren treffen geen doel. Partijen hebben immers in samenspraak het ouderschapsplan opgesteld. De gevolgen van de daarin opgenomen afspraken (met betrekking tot vakanties) dienen dan ook door beide ouders te worden geaccepteerd en vormen op zichzelf - zonder nadere onderbouwing die ontbreekt - geen reden tot afwijzing van de vordering van de man.
De voorzieningenrechter zal de vrouw dan ook bevelen mee te werken aan de vakantieregeling zoals opgenomen in het ouderschapsplan ten aanzien van de meivakantie 2026 (20 april 2026 tot en met 30 april 2026), met dien verstande dat zij hieraan haar medewerking moet verlenen op de dagen dat de man met [minderjarige] daadwerkelijk elders, dus niet zijnde op zijn eigen BRP-adres, verblijft.
De voorzieningenrechter ziet daarnaast, gelet op de (proces)geschiedenis tussen partijen, aanleiding om aan de nakoming van dit vonnis een dwangsom te verbinden. De dwangsom zal worden gematigd als na te melden.
Voorts houdt de voorzieningenrechter partijen nog het volgende voor. Er is sprake van een zeer forse procesgeschiedenis tussen partijen. Partijen zijn er al meerdere keren op gewezen dat zij kritisch naar hun eigen handelen moeten kijken. De tussen partijen nog altijd heersende spanningen hebben in juni 2023 al geleid tot een ondertoezichtstelling. Echter ook de GI is inmiddels handelingsverlegen, waardoor de GI zelfs een uithuisplaatsing van [minderjarige] overweegt. Partijen dienen zich te realiseren dat zij met hun handelen bij voortduring niet in het belang van [minderjarige] handelen. De voorzieningenrechter acht het absurd dat er thans een zoveelste procedure gevoerd moet worden, nu over de interpretatie van “vakantie” in het ouderschapsplan. [minderjarige] is een jongen van vier jaar en hij moet onbelast contact kunnen hebben met beide ouders. Daar horen ook de vakanties met één van zijn ouders bij. Met de Raad is de voorzieningenrechter van oordeel dat de gunfactor voor (onbelast) contact met de andere ouder, bij beide ouders ontbreekt. Partijen zullen in het belang van [minderjarige] hun houding en handelen moeten veranderen en in plaats van hun eigen belang, het belang van [minderjarige] (op onbelast contact met beide ouders), voorop moeten stellen. De voorzieningenrechter kan in dit kader niet laten om op te merken dat hij het schrijnend vond om ter zitting te zien dat geen van beide ouders reageerde nadat de GI aangaf handelingsverlegen te zijn en te overwegen om [minderjarige] eventueel uit huis te laten plaatsen. Beide ouders bleven ondanks deze vergaande opmerking van de GI onverminderd volharden in hun eigen standpunten.
Partijen hebben over en weer gevorderd de ander in de proceskosten te veroordelen. De voorzieningenrechter ziet in het licht van het hiervoor onder 5.5 overwogene - waar twee strijden hebben twee schuld - geen aanleiding om anders dan gebruikelijk in familierechterlijke zaken een van partijen te veroordelen in de proceskosten. De proceskosten zullen dan ook worden gecompenseerd, aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.
6. De beslissing
De voorzieningenrechter
In conventie:
beveelt de vrouw om mee te werken c.q. uitvoering te geven aan de vakantieregeling voor de meivakantie in het ouderschapsplan van 22 oktober 2024; dit houdt in dat [minderjarige] binnen de periode van 20 april 2026 tot en met 30 april 2026 voor vakantie bij de man mag verblijven op de dagen dat de man met [minderjarige] aansluitend de nacht elders - in Nederland of in het buitenland - verblijft dan op het BRP-adres van de man, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag dat de vrouw in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen, met een maximum van € 1.500,00;
verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
In conventie en reconventie:
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af hetgeen in conventie en reconventie meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Gessel, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026 in tegenwoordigheid van Van Diepen, griffier. Dit vonnis is integraal op schrift gesteld op 1 mei 2026.