RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445601 / JE RK 26-358
Datum uitspraak: 17 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2026 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. F. Pool te Rotterdam,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
De kinderrechter merkt ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als informant aan:
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Middelburg.
De kinderrechter merkt ten aanzien van [minderjarige 3] als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. F. Pool te Rotterdam.
De kinderrechter merkt ten aanzien van [minderjarige 3] als informanten aan:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Middelburg.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van 27 februari 2026, ontvangen op 27 februari 2026;
- het verweerschrift van mr. Pool met bijlagen, ontvangen op 13 april 2026.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de vader (telefonisch);
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
2. De feiten
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 3] .
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij de moeder.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De Raad handhaaft het verzoek en licht, aanvullend op de overgelegde stukken, toe dat er sprake is van een langdurig patroon waarbij de Raad meldingen ontvangt over het gezin, onderzoek doet en de zaak vervolgens terugverwijst naar het vrijwillige kader. Daarna komen er weer meldingen over het gezin binnen. De ouders tonen met momenten veel inzet, maar het lukt hen niet om de zorgen weg te nemen. De ouders worden overvraagd en het lukt hen niet om samen te werken met elkaar en met de betrokken hulpverlening. Er is voorts sprake van forse escalaties waar de kinderen getuige van zijn. Ook zijn de ouders meermaals aangesproken op hun wijze van communiceren met de hulpverleners. Het is van belang dat er middels stevige regievoering van de GI een duidelijk plan binnen het gedwongen kader wordt opgesteld, zodat er blijvende rust kan ontstaan binnen het gezin.
Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek. Het verzoek moet worden afgewezen, aangezien niet aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan. Het verzoek van de Raad is eerder afgewezen wegens het ontbreken van rapportages van de Raad, welke rapportages nu nog steeds ontbreken, alsmede om de ouders in de gelegenheid te stellen te laten zien dat het binnen het vrijwillige kader goed blijft gaan. Het onderhavige verzoek kwam dan ook als een verrassing voor de moeder. Er is sprake van een praktisch probleem, namelijk dat de vader af en toe bij het gezin weggaat. Hierdoor komt de moeder er alleen voor te staan. Op het moment dat de meldingen over het gezin werden gemaakt, te weten in december 2025, was de moeder hoogzwanger, waren alle kinderen wegens de kerstvakantie thuis en werkte de vader veel. Nu is de vader echter wel weer betrokken bij het gezin. Er zijn hierna ook geen nieuwe meldingen meer binnengekomen. Een ondertoezichtstelling is niet noodzakelijk. De ouders accepteren de hulpverlening en zijn voldoende bereid en in staat om hier gebruik van te maken. Mocht de ondertoezichtstelling toch worden uitgesproken, dan stelt de vrouw zich op het subsidiaire standpunt dat het verzoek voor een kortere periode moet worden toegewezen.
De vader verklaart dat hij hulp heeft gezocht. Zo start de WMO op 22 april 2026 en kan hij altijd terecht bij de al bij hem betrokken GGZ. Hij is sinds januari 2026 betrokken bij het gezin en sinds dat moment zijn er geen Veilig Thuis meldingen meer geweest. De communicatie tussen de ouders onderling verloopt ook goed. De ouders moeten de kans krijgen om te laten zien dat het goed blijft gaan.
De GI licht toe dat, indien de ondertoezichtstelling wordt uitgesproken, dezelfde jeugdbeschermer betrokken zal worden bij het gezin als degene die betrokken is bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de andere kinderen van de moeder.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders die het gezag uitoefenen of de ouder die het gezag uitoefent binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn of is te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
Op basis van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 BW. Dit licht de kinderrechter als volgt toe.
De kinderrechter stelt allereerst vast dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Er is bij de ouders sprake van een langdurig patroon, waarbij het de ouders niet lukt om de kinderen structureel een emotioneel veilige opvoedomgeving, stabiliteit en voorspelbaarheid te bieden. Zo blijkt onder andere uit de Veilig Thuis meldingen van december 2025 dat de moeder tegen de kinderen schreeuwt en scheldt. Ook zijn er zorgen over de communicatie tussen de ouders onderling, nu het hen niet (altijd) lukt om op een rustige en constructieve wijze met elkaar te communiceren, afspraken te maken en samen te werken in het belang van de kinderen. Er is regelmatig sprake van conflicten en onrust tussen de ouders waar de kinderen getuige van zijn, welke conflicten mede ontstaan doordat de vader wisselend aanwezig is in de thuissituatie. Voornoemd patroon wordt bevestigd door de hulpverleners van [hulpverlening 1] die al een jaar betrokken zijn bij het gezin. Tot slot is het de kinderrechter gebleken dat de ouders kampen met persoonlijke problematiek, hetgeen maakt dat er zorgen zijn over hun draagkracht en opvoedvaardigheden. Zo reageert de moeder niet altijd op een passende wijze op de kinderen en loopt de vader weg uit de situatie, waardoor de moeder alleen achterblijft.
De kinderrechter stelt daarnaast vast dat de Raad meermaals onderzoek heeft gedaan naar de gezinssituatie van de ouders, maar dat de ouders steeds zijn terugverwezen naar hulpverlening binnen het vrijwillige kader. De ouders tonen met momenten veel inzet en medewerking, maar de Veilig Thuis meldingen blijven terugkeren, mede gelet op de meldingen van december 2025. De kinderrechter stelt vast dat het de ouders niet lukt om, ondanks de betrokkenheid van verschillende hulpverleningsinstanties, binnen het vrijwillige kader positieve veranderingen teweeg te brengen. Tevens is het de kinderrechter gebleken dat de ouders uit eigen beweging de praktische hulpverlening van [hulpverlening 2] stopgezet hebben, maar dit zelf niet kunnen bolwerken. De moeder verklaart ter zitting dat er sinds de geboorte van [minderjarige 3] positieve ontwikkelingen zijn en er geen nieuwe meldingen over het gezin zijn binnengekomen, maar dit is nog zeer pril. Bij de ouders is sprake van een onvoldoende doorbroken patroon. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de ouders, hoewel zij daartoe wel bereid verklaren te zijn, de noodzakelijke hulpverlening niet in voldoende mate daadwerkelijk accepteren en benutten. De betrokkenheid van de GI als regievoerder is noodzakelijk, zodat de GI zorg kan dragen voor de inzet en continuering van de nodige geachte hulpverleningstrajecten, zoals praktische ondersteuning en opvoedondersteuning. Ook kan de GI beslissingen nemen in het belang van de kinderen. Het is tot slot noodzakelijk dat de GI zicht verkrijgt op de opvoedsituatie, onderlinge samenwerking en opvoedvaardigheden van de ouders.
De ondertoezichtstelling is, gelet op het voorgaande nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] daarom onder toezicht van de GI voor de duur van zes maanden. Het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden, zodat door middel van een nieuw toetsmoment een vinger aan de pols kan worden gehouden met betrekking tot de voortgang van de uitvoering van de ondertoezichtstelling, alsmede om de ouders in de gelegenheid te stellen te laten zien dat het hen (langdurig) lukt om de bestaande zorgen weg te nemen. De GI wordt verzocht om nader te rapporteren op de wijze die in het dictum is beschreven.
De komende periode dient gewerkt te worden aan de volgende doelen:
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] groeien op in een (emotioneel) veilige leefomgeving;
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben (emotioneel) beschikbare ouders;
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben een voorspelbare leefomgeving;
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben ouders die op passende wijze bij hen aansluiten.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 17 april 2026 en tot 17 oktober 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de beslissing ten aanzien van het resterende deel van het verzoek tot de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aan tot 11 september 2026 PRO FORMA, en verzoekt de GI om uiterlijk twee weken voor de nader te bepalen mondelinge behandeling een briefrapportage in te dienen over de recente ontwikkelingen en het verloop van de ondertoezichtstelling, met afschrift daarvan aan de Raad en de belanghebbenden;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 1 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.