RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446192 / JE RK 26-474
Datum uitspraak: 17 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Leger des Heils jeugdzorg & reclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat voorheen: mr. A. Huseinovic te Breda.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 maart 2026;
het onttrekkingsbericht van mr. Huseinovic van 12 april 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Bij beschikking van 30 april 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld, met ingang van
30 april 2024 tot 30 april 2025. Deze ondertoezichtstelling is nadien verlengd, bij beschikking van 22 april 2025, met ingang van 30 april 2025 en tot 30 april 2026.
Bij (spoed)beslissing van 25 september 2024 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg en een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (gezinshuis) voor de duur van twee weken met ingang van 25 september 2024 en tot 9 oktober 2024.
Bij beschikking van 4 oktober 2024, heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg en een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 9 oktober 2024 en tot 30 april
2025.
Bij beschikking van 22 april 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd, met ingang van 30 april 2025 en tot 30 april 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het verzoekschrift. [minderjarige] ontwikkelt zich goed in het pleeggezin. Hoewel [minderjarige] rust, stabiliteit en veiligheid ervaart binnen het pleeggezin, zijn de zorgen over haar nog onverminderd aanwezig. [minderjarige] heeft nachtmerries, ernstige slaapstoornissen en er wordt gestart met baby-EMDR. De slaapproblematiek is verslechterd sinds het contact met de moeder in december 2025 niet goed is gegaan. Daarvan is [minderjarige] in de war geraakt. Ondanks dat [minderjarige] heel klein is, merkt de GI dat zij de spanningen wel heeft meegemaakt. Het lukt de GI niet om de moeder verder te helpen. De GI ziet dat het steeds slechter gaat met de moeder. Dit is begrijpelijk nu de moeder al zo lang dakloos is en de GI probeert daarin mee te denken. Het is niet zo dat de GI de moeder aan een woning kan helpen. De moeder zal het nog steeds zelf moeten doen. De moeder is herhaaldelijk afgewezen voor een plaatsing in een moeder-kindhuis. De GI heeft de moeder wel een traject voor daklozen in [plaats] aangeboden. Om hiervoor in aanmerking te komen is het belangrijk dat de moeder contact houdt met de veldwerker en zich aan de afspraken houdt. De GI heeft daarnaast een straatarts voor de moeder geregeld. Hierdoor is haar medicatie en anticonceptie ondervangen. De moeder zou om de week contact hebben met [minderjarige] , maar dit wisselt sterk. De GI probeert flexibel te zijn ten aanzien van het contact tussen de moeder en [minderjarige] . Indien nodig wordt het contactmoment verzet. Er is geen (fysiek) contact meer tussen [minderjarige] en de vader. Het contact tussen [minderjarige] en de vader is niet goed verlopen. De GI merkt dat de vader graag het gesprek aan wil gaan met de GI over wat er wel en niet goed is gegaan. Dan richt de vader zich niet op [minderjarige] . Ook ziet de GI dat [minderjarige] geen contact durft te zoeken met de vader. Het contact met mannen blijft spannend voor haar. De vader heeft nadien ook geen initiatief genomen in het contact met [minderjarige] . [minderjarige] en de vader hebben elkaar eerder ook nauwelijks gezien, waardoor er niet kan worden gesproken van een hechtingsrelatie. De verstandhouding tussen de ouders blijft eveneens ingewikkeld. Het is belangrijk dat de GI betrokken blijft om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen en de plaatsing bij het pleeggezin te kunnen waarborgen. De GI heeft de Raad verzocht om onderzoek te doen naar de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel.
De moeder heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek. De moeder begrijpt dat zij op deze manier niet voor [minderjarige] kan zorgen. De moeder deed toen [minderjarige] thuis woonde altijd alles alleen. De moeder is een plaatsing in een moeder-kindhuis beloofd. Dit is nog steeds niet gerealiseerd. De moeder is getraumatiseerd en dakloos geraakt. De moeder wil een (begeleide) woning en behandeling, maar dit komt niet van de grond. De moeder vraagt al lang om hulp, maar komt niet vooruit. Zij is desnoods bereid om zich op vrijwillige basis te laten opnemen. De moeder raakt ervan ontregeld dat zij geen vaste verblijfplek heeft. Hierdoor heeft zij geen stabiele plek om tot rust te komen. De moeder is daardoor ook in een psychose geraakt. De moeder krijgt vanuit de huisarts geen medicatie, terwijl zij ziek is. De zorgverzekering van de moeder is stopgezet, haar pinpas en telefoon zijn gestolen én zij wordt op straat uitgebuit, vernederd en mishandeld.
Ook de vader heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek. De vader is door de moeder recentelijk zijn woning kwijtgeraakt en zal over zo’n zes maanden naar Curaçao vertrekken. De vader wil dat er zo snel mogelijk hulpverlening wordt ingezet voor de moeder. Ook wil de vader dat [minderjarige] en de moeder in een moeder-kindhuis worden geplaatst.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Ingevolge artikel 1:260 lid 1 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Op basis van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Het is de kinderrechter gebleken dat de zorgen over [minderjarige] nog niet zijn weggenomen, waardoor zij nog altijd ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] heeft in haar jonge leven al veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt en de impact van de onrust in de thuissituatie bij de ouders is merkbaar bij [minderjarige] . Zij kampt met hevige slaapproblemen. [minderjarige] heeft last van ernstige nachtmerries en slaapt onrustig. Voor de verwerking van haar trauma’s is de inzet van baby-EMDR noodzakelijk. Verder lijkt de situatie van de ouders de afgelopen periode verder te zijn verslechterd. De moeder is dakloos geraakt en het lukt niet om de benodigde behandeling voor haar persoonlijke problematiek te organiseren. Ook de vader is recentelijk zijn woning kwijtgeraakt en heeft de afgelopen periode slechts eenmaal contact kunnen hebben met [minderjarige] , hetgeen niet goed is verlopen. Daarnaast heeft de kinderrechter nog altijd zorgen over de onderlinge relatie tussen de ouders. Er is nog altijd sprake van een zeer conflictueuze verstandhouding, met herhaaldelijke politiemeldingen tot gevolg. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn dan ook nog niet behaald en dit maakt het noodzakelijk dat ook de komende periode hulp en regie in een gedwongen kader betrokken blijft.
Bij het pleeggezin gaat het naar omstandigheden goed met [minderjarige] . Zij ervaart daar de rust, stabiliteit en structuur die zij nodig heeft om tot ontwikkeling te komen. De kinderrechter vindt het dan ook in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat die plaatsing ook de komende periode wordt voortgezet. Een alternatief voor de plaatsing is bovendien niet voorhanden. Zowel de moeder als de vader beschikken niet over een vaste woon- of verblijfsruimte en de veiligheid van [minderjarige] kan in de opvoedsituatie bij (één van) de ouders onvoldoende worden gewaarborgd.
Het voorgaande maakt dan ook dat de ondertoezichtstelling nog niet kan worden beëindigd en dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nog noodzakelijk is. De kinderrechter zal daarom het – onweersproken – verzoek van de GI toewijzen en zowel de ondertoezichtstelling van [minderjarige] als de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van een jaar. Daarbij hoopt de kinderrechter dat het de ouders de komende periode lukt om in het belang van [minderjarige] de juiste stappen te zetten en tot een positieve ontwikkeling te komen van hun situatie. De kinderrechter gaat er daarbij vanuit dat de GI zich ervoor inzet om de benodigde hulpverlening voor de moeder in te zetten.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals door de GI is verzocht, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 30 april 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 30 april 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 30 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.